Waterschap Vechtstromen plust natuurstikstof bij landbouw op de rekening

In verschillende natuurgebieden worden hoge concentraties stikstof gemeten in het oppervlaktewater. Eén van die gebieden betreft N2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek (Overijssel). Bij een bezoek aan het gebied blijkt dat het water vanuit het natuurgebied, het landbouwgebied instroomt. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, maar dat is het hier wel. Want op de grens van natuur en landbouw liggen de officiële meetpunten voor de monitoring van de agrarische waterkwaliteit. Waterschap Vechtstromen, die verantwoordelijk is voor de keuze van de meetlocaties, geeft al vier weken geen inhoudelijk antwoord op vragen. “Wij zijn ermee bezig”.  

Nederland heeft in totaal 170 meetpunten, verspreid over het land, waar de agrarische waterkwaliteit wordt gemeten. De metingen worden gebruikt voor maatregelen vanwege de Nitraatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water. Waterschappen kiezen de locaties van de meetpunten. Waterschap Vechtstromen heeft 12 meetpunten in haar beheergebied. Drie daarvan liggen op de rand van N2000-gebied Springendal en Dal van de Mosbeek. Zowel in het natuurgebied, als op de landbouwmeetpunten, worden zeer hoge stikstofconcentraties gemeten. Voor de natuurbeheerder heeft dit geen consequenties. Voor de landbouw wel, die krijgt de forse normoverschrijdingen aangerekend.

Waar komt die stikstof vandaan?

Komen de hoge stikstofgehalten uit de landbouwpercelen en stromen die het natuurgebied in? Of is het net andersom? Voor het antwoord op deze vraag brengt STAF een bezoek aan twee landbouwmeetpunten in het gebied. Op beide meetpunten blijkt het water vanuit de natuur, het landbouwgebied in te stromen (zie figuur). Dat er hoge concentraties worden gemeten in de landbouwsloten lijkt dus veel meer het gevolg van processen in het natuurgebied, dan van bemesting van de landbouwpercelen.

Figuur. STAF bezoekt twee meetpunten uit het agrarische waterkwaliteitsmeetnet. Deze bevinden zich op de rand van het natuurgebied. De forse normoverschrijdingen op deze meetpunten, krijgt de landbouw aangerekend. Het stikstofrijke water blijkt echter afkomstig te zijn uit het natuurgebied.

Meetpunten niet respresentatief

De meetpunten voor het landbouwmeetnet (MLNSO) moeten zodanig worden gekozen, dat deze representatief zijn voor de landbouw. Dit betekent dat de stikstofvervuiling die hier wordt gemeten, moet kunnen worden toegeschreven aan de landbouw. Daarvan lijkt hier geen sprake. Hier wordt stikstof die afkomstig is uit het natuurgebied, bij de landbouw op de rekening gezet.

Waterschap Vechtstromen heeft de locaties van de meetpunten bepaald. STAF neemt op 14 oktober (inmiddels een maand geleden) contact op met dit waterschap. Gevraagd wordt naar de herkomst van de hoge stikstofconcentraties in het natuur- en aangrenzende landbouwgebied. Ondanks diverse reminders, gaat het waterschap niet in op de vragen. “Wij zijn er mee bezig”, is het enige wat dit waterschap kwijt wil.

Stikstofbron

Het is bekend dat uit dit natuurgebied veel stikstof vrijkomt. Zie bijvoorbeeld het rapport Hydro-ecologische systeemanalyse van het brongebied van de Mosbeek; WUR; 2014. Het rapport kan geen zekerheid geven over de herkomst van de stikstof. Veenafbraak kan een mogelijkheid zijn, historische bemesting die via kwelwater naar boven komt ook, of andere bodemprocessen.

In het natuurgebied borrelt kwelwater op uit de bodem. De beekjes die hierdoor ontstaan, stromen naar het verderop gelegen landbouwgebied.
Dit landbouwmeetpunt blijkt nog net in de natuur te liggen.
Het beekje stroomt door het natuurgebied om uit te komen bij dit landbouwmeetpunt in extensief beheergebied.

Deel via:

Stikstofnormen boerensloten veel strenger in Nederland

De stikstofnormen voor boerensloten en -afwateringen zijn in Nederland een stuk strenger dan in onze buurlanden. Dat blijkt uit een vergelijking van de stikstofnormen voor oppervlaktewater in Nederland, Vlaanderen en West-Duitsland. Van onze Vlaamse en Duitse buren mag er meer stikstof in het water zitten, dan in ons land is toegestaan. Dat zorgt voor normoverschrijdingen in Zuid- en Oost-Nederland, waar het buitenlandse water ons land binnenstroomt.  

Nederland vraagt ingrijpende maatregelen van boeren voor het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Demissionair minister Schouten wil dat boeren metersbrede bufferstroken langs watergangen aanhouden, die niet bemest mogen worden. Ook wil zij dat er regelmatig een rustgewas wordt opgenomen in het bouwplan. Dit alles om de Europese waterdoelen voor het grond- en oppervlaktewater dichterbij te brengen. Die Europese doelen staan in de Nitraatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water. Gaan lidstaten op uniforme wijze om met de Europese waterdoelen? Nee, blijkt uit een doelenvergelijking van STAF. Nederland hanteert strengere stikstofdoelen voor boerenafwateringen dan Vlaanderen en West-Duitsland.

Vergelijking stikstofdoelen slootwater

Voor grondwater hanteren Europese lidstaten dezelfde norm: maximaal 50 mg nitraat per liter. Voor het oppervlaktewater heeft Europa geen normen vastgelegd, die bepalen lidstaten zelf. In Nederland bepalen waterschappen de normen. Voor Nederlandse agrarische afwateringen ligt die doorgaans tussen 1.3 en 2.8 mg N/l (zomergemiddelde), afhankelijk van de regio. In Vlaanderen geldt voor afwateringen echter een veel ruimere norm: 4.0 mg N/l (zomergemiddelde). Duitsland hanteert de norm van de Nitraatrichtlijn: 50 mg nitraat/l (jaarrond gemiddelde). Dit is omgerekend 11.3 mg N/l. Voor grensoverschrijdende rivieren is de Duitse streefwaarde lager: 3 tot 6 mg N/l.

Uit de Duitse waterkwaliteitsmetingen op de zes grensmeetpunten blijkt dat de rivieren gemiddeld zo’n 6 mg N/l aan stikstof afvoeren naar Nederland. Het Vlaamse afvoerwater bevat vergelijkbare concentraties. Het zijn concentraties die de Nederlandse normen ver overschrijden.

Het aandeel buitenlandse stikstof in de Nederlandse regionale wateren wordt geschat op 20 procent (afbeelding 1). In combinatie met strengere Nederlandse normen, zorgt dat voor een grote stikstofopgave voor boeren (afbeelding 2).

Nederland kiest voor strengere norm boerensloot

Lidstaten hebben ‘waterlichamen’ aangewezen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Volgens de KRW gaat het om wateren van aanzienlijke omvang, zoals meren, waterbekkens, rivieren, kanalen en kuststroken. Voor ieder waterlichaam zijn doelen geformuleerd, waaronder een stikstofnorm.

Volgens STOWA, het kenniscentrum van de waterschappen, zijn over de waterambities internationaal afspraken gemaakt. Er zijn echter geen afspraken gemaakt over normen voor kleinere wateren, zoals agrarische afwateringen. Opvallend is dat veel Nederlandse waterschappen de strenge KRW-stikstofnormen ook hanteren voor boerenwateringen. Vlaanderen en Duitsland doen dit niet, zij kozen voor een lichtere norm voor de niet KRW-wateren.


Afbeelding 1. De buitenlandse waterstromen voeren veel stikstof mee naar Nederland. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland is een aanzienlijk deel van de stikstof in regionale wateren afkomstig uit het buitenland. (Afbeeldingen: WUR).

Afbeelding 2. Op dit kaartje is te zien waar de stikstofopgave voor boeren het grootste is. Hoe donkerder het gebied, hoe groter de normoverschrijding in het oppervlaktewater. In welke mate de norm wordt overschreden, hangt mede af van de normstelling. De normen voor agrarisch gebied zijn in Nederland strenger dan in Vlaanderen en Duitsland.

Foto: Shutterstock, Ruud Morijn.


Een uitgebreid artikel over dit onderwerp verschijnt in STAF (december 2021).

Bronnen:

  1. 7e Nederlandse actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn (2022 – 2025) (Ministeries van LNV en IenW)
  2. Landbouw en de KRW-opgave voor nutriënten in regionale wateren (WUR, 2016)
  3. Meetnet Nutriënten Landbouw Specifiek Oppervlaktewater, Toestand en trends tot en met 2018 (Deltares)
  4. Waterkwaliteitsportaal.nl (meetdata)
  5. Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater Vlaanderen
  6. Oberflächengewässerverordnung / Nährstofftrends – Fließgewässer (Umwelt Bundesamt)
  7. Antwoorden op vragen aan Vlaamse Milieumaatschappij, STOWA, diverse waterschappen.

Deel via:

Brussel maakte wél verslag van gesprek over ‘Wierdense Veld’

Minister Schouten liet begin september weten dat er geen verslag is gemaakt van haar gesprek met de Europese Commissie over N2000-gebied Wierdense Veld (Ov). Dit antwoordde zij op Kamervragen van Derk Boswijk (CDA). In juni had zij de Europese Commissie gesproken over de proportionaliteit van het maatregelenpakket en de kosten voor behoud van het hoogveengebied. STAF vroeg middels een WOB-procedure de stukken rondom het overleg op. En kreeg tot haar verrassing een uitgebreid verslag van het gesprek.

Voor het behoud van 108 m2 actief hoogveen in Wierdense Veld, wordt 40 miljoen euro uitgetrokken. Het geld is onder meer nodig voor de opkoop van zo’n 180 hectare omringende boerengrond.

STAF startte een WOB-procedure bij de Europese Commissie en ontving binnen de Europese termijn van 15 werkdagen zowel de Europese aantekeningen van een vooroverleg, als een uitgebreid verslag. Waarom CDA-Kamerlid Boswijk niets ontving? Hij vroeg naar een gesprek in juni 2020. Het betreffende gesprek vond plaats in juni 2021 (een jaar later).

Europese Commissie genuanceerder dan Schouten

Volgens Schouten moet Nederland van Brussel verder met het natuurherstel in Wierdense Veld. Uit het verslag blijkt echter dat Nederland een andere interpretatie geeft aan Habitatrichtlijn artikel 6, dan de Europese Commissie. De Europese Commissie deelt de uitleg die Nederland eraan geeft niet. Wat exact het verschil van inzicht is, blijkt niet uit het verslag. Verder valt op dat het ‘moeten van Brussel’, waar het ministerie van LNV voortdurend mee schermt, genuanceerder ligt. De Europese Commissie schrijft nadrukkelijk in haar verslag: ‘de weg die Nederland in deze situatie wil kiezen’. Ook vraagt Nederland naar de proportionaliteit, hoeveel kosten zijn nog redelijk? De Europese Commissie zegt open te staan voor gesprek hierover.

De stukken zijn hier te downloaden:

Deel via:

Slag om het Wierdense Veld

Provincie Overijssel gaat zo’n 40 miljoen euro verspijkeren aan haar hoogveengebied Wierdense Veld. Het geld is bedoeld om het afgegraven en verdroogde hoogveen weer actief te krijgen. Ongeveer de helft van het geld is nodig om 180 hectare aangrenzende boerengrond (deels) op te kopen en te vernatten. De onderbouwing van het voorgenomen beleid wordt getoetst. Het ververven van 180 hectare boerengond lijkt hier hoofddoel, naar de realisatie van de natuurdoelen is nauwelijks gekeken.

Beleidsmakers kapittelen wetenschap

Onderzoek naar de effecten van grootschalige vernatting van het Wierdense Veld werd vlak voor afronding stopgezet. Dit gebeurde nadat tussenresultaten hadden uitwezen dat geen van de doorgerekende scenario’s zou
leiden tot het behalen van de beoogde natuurdoelen. Onderzoekers moesten hun onafgemaakte werk inleveren en konden hun rapportage niet afronden. “Zo willen wij niet werken”, zegt een van hen. STAF onderzocht de kwestie.

Links op de foto natuurgebied Wierdense Veld. Foto: Shutterstock, Wirestock Creators.

Beleid mist onderbouwing, hoogveenherstel blijft gok

Twee ervaren terreinbeheerders keken naar de onderbouwing van de maatregelen die Provincie Overijssel wil doorvoeren. Ook werd een bezoek gebracht aan de plek waar actief hoogveen is ingetekend op de natuurkaart in rekenmodel Aerius (zie afbeelding). Dat het maatregelenpakket gaat leiden tot het gewenste hoogveenherstel, blijkt onvoldoende uit de rapporten. En eveneens uit het terreinbezoek. Er werd geen 108 m2 actief hoogveen aangetroffen op de plek waar het staat ingetekend. Verder lijkt hoogveenontwikkeling in veruit het grootste deel van het gebied niet reëel.

Maatschappelijke uitgaven van deze omvang (zo’n 40 miljoen euro) zijn te rechtvaardigen als op voorhand vaststaat dat het beoogde doel (hoogveenherstel) zal worden bereikt. Dat is hier niet het geval.

In Wierdense Veld is volgens de natuurkaart een miniem puntje actief hoogveen te vinden. In het overgrote deel moet het hoogveen nog tot ontwikkeling komen (ingetekend als herstellend hoogveen), wat niet reëel is.

Download toetsing beleid: Slag om het Wierdense Veld

Deel via:

Is er veel of juist weinig ammoniak op de Veluwe?

Vorige week verscheen het rapport ‘Naar een ontspannen Nederland’, van stikstofhoogleraar Jan Willem Erisman en landschapsarchitect Berno Strootman. De uitgangspunten die beide heren kozen, zijn bepalend voor hun uitkomsten. De heren zijn bij stikstof uitgegaan van berekende deposities. Als zij hadden gekozen voor gemeten ammoniakconcentraties in de natuur zelf, dan was de uitkomst anders geweest. Voor het broeikasgas methaan zou vernatten van het Groene Hart leiden tot minder methaanuitstoot, terwijl metingen meer methaan lieten zien.

Metingen: Veluwe laag in ammoniak

Erisman en Strootman hebben ervoor gekozen te zoeken naar natuurgebieden waarop de meeste stikstofdepositie (berekend!) plaatsvindt. Veluwe is het gebied waarop de meeste stikstof neerkomt, wat logisch is omdat dit veruit het grootste natuurgebied is. De boeren in de Gelderse vallei leveren volgens de berekeningen dan een relatief grote bijdrage. Als we echter uitgaan van de gemeten ammoniakconcentraties in natuurgebieden (MAN-meetnet RIVM; 2019), dan ziet het plaatje er anders uit. De Veluwe behoort dan tot de natuurgebieden met een relatief lage ammoniakbelasting. De gemiddelde ammoniakconcentratie in Nederlandse natuurgebieden bedraagt 6,1 μg/m3. Op de Veluwe ligt die met gemiddeld 5,1 μg/m3 aanzienlijk lager (zie figuur). Alleen op de buitenrand van de bosrijke Veluwe zijn de concentraties wat hoger, maar die nemen snel af naar lagere waarden.

Bekend is dat bosranden veel ammoniak wegvangen. Uit onderzoek blijkt dat met de aanleg van een oplopende bosrand van enkele tientallen meters, de depositie in een boshabitat aanzienlijk kan dalen. (Bron: Herstelstrategieën tegen de effecten van atmosferische depositie van stikstof op Natura2000 habitat in Vlaanderen; Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2018). In Vlaanderen staat de aanleg van een houtkant op de lijst met herstelstrategieën tegen stikstof, in Nederland niet.

De gemeten ammoniakconcentraties op de Veluwe zijn relatief laag.

Groene Hart: meer of minder methaan door vernatten?

Erisman en Strootman schrijven: Door oxidatie van het veen komen grote hoeveelheden broeikasgassen als CO2 en methaan vrij. Vernatten van het veen in het Groene Hart leidt tot minder uitstoot. Promotieonderzoek van Agnes van den Pol-Van Dasselaar (Methane emissions from grasslands, 1998) heeft in de jaren ’90 al uitgewezen dat vernatting van veen juist zorgt voor veel meer uitstoot van methaan. Dit op basis van metingen. Natte graslanden met een lage N-input (extensief beheer) op veengrond waren belangrijke bronnen van methaan. Deze graslanden stootten 80-200 kg methaan per hectare per jaar uit. Intensief gebruikte graslanden op gedraineerde veengronden legden daarentegen 0,1 tot 0,3 kg atmosferische methaan per hectare per jaar vast.

Erisman laat in reactie weten dat zij in hun schattingen alleen zijn uitgaan van CO2, niet van methaan. Methaan is niet meegerekend.

Meten is beter weten

Het Adviescollege Stikstofproblematiek (Commissie Remkes) kwam in 2020 met het advies ‘meten is beter weten’, aangezien de modelberekeningen te grote onzekerheden kennen. Een tweede adviescollege, de Commissie Meten en Berekenen Stikstof (Commissie Hordijk, 2020) concludeerde eveneens dat de onzekerheden in de berekeningen zeer groot zijn. Desondanks blijven onderzoekers vasthouden aan de berekeningen. Het rapport van Erisman en Strootman is de zoveelste in rij dat uitgaat van modelberekeningen.

(Foto: Shutterstock)

Deel via:

LNV: ‘Onderzoek voor beleid hoeft niet altijd transparant’

Het rapport ‘Relaties tussen de hoeveelheid stikstofdepositie en de kwaliteit van habitattypen’ is de volgende in de reeks ‘niet transparante onderzoeken’. Op 11 juni werd het rapport door minister Schouten aangeboden aan de Tweede Kamer. Het ministerie van LNV bevestigt dat de onderliggende ecologische gegevens niet gedeeld kunnen worden. Reden is dat deze gegevens eigendom zijn van buitenlandse onderzoekers.

Minister Schouten heeft Wageningen Environmental Research (WUR) en Onderzoekcentrum B-Ware opdracht gegeven te onderzoeken hoe groot het schadelijke effect is van stikstof, bij een beperkte en een grote overschrijding van de kritische depositiewaarde. Het gaat om beleidsondersteunend onderzoek. WUR en B-Ware maakten voor deze opdracht gebruik van een grote hoeveelheid ecologische gegevens van onder meer Britse onderzoekers.

Onderzoekers Jaap Hanekamp en Matt Briggs willen het jongste beleidsondersteunende onderzoek voor LNV controleren. Maar stuitten erop dat dit niet mogelijk is zonder inzage in de onderliggende ecologische gegevens. Zij benaderden de Britse eigenaar van de data, tot nu toe zonder succes.

Onderliggende gegevens hoeven niet beschikbaar

STAF vroeg het ministerie van LNV of de onderbouwing van het beleid transparant moet zijn. “Daar waar mogelijk zeker”, aldus het ministerie. Maar het is volgens LNV niet gebruikelijk dat onderliggende gegevens vrijelijk en altijd ter beschikking worden gesteld.

Zowel Hanekamp en Briggs als STAF stuitten de afgelopen jaren geregeld op stikstofonderzoek waarvan de onderliggende gegevens niet beschikbaar waren. Meermalen werd een procedure aangespannen om de gegevens in de openbaarheid te krijgen.

De ecologische gegevens waarop dit rapport is gebaseerd, kunnen niet beschikbaar worden gesteld.

Deel via:

Veekrimpplan Veerman en Erisman lekt steeds verder uit

‘Mes flink in veehouderij’ kopte Telegraaf op de voorpagina van afgelopen vrijdag. Dit zou de conclusie zijn van een nog niet openbaar adviesrapport over het beteugelen van de stikstofproblematiek. Cees Veerman, voormalig minister van LNV en stikstofprofessor Jan Willem Erisman zijn drijvende krachten achter het aankomende rapport, waarvan steeds meer details uitlekken.

Telegraaf wist de hand te leggen op de hoofdlijnen van het rapport, dat volgende week wordt aangeboden aan het ministerie van LNV. STAF beschikt inmiddels over enkele notities, die meer details prijsgeven.

Aanleiding voor het nieuwe adviesrapport vormt een overleg van de minister van LNV met de trekkers van het initiatief ‘Regie op Ruimte’, in mei dit jaar. Deze trekkers zijn:  Cees Veerman, Jan Willem Erisman, Krijn Poppe en Willem Lageweg, Transitiecoalitie Voedsel en de Boerenraad. In dat overleg is de vraag gesteld hoe kortetermijnmaatregelen snel en stevig kunnen bijdragen aan de langetermijndoelen voor stikstof en klimaat. Met daarbij de voorwaarde dat de maatregelen niet mogen leiden tot grote marktverstoringen voor de landbouw en oneigenlijke vermogensvorming.

In het aankomende adviesrapport wordt uitgegaan van het gedachtengoed van ‘Regie op Ruimte’.

Maatregelen korte termijn

Op korte termijn zien de initiatiefnemers eigenlijk geen rol voor innovaties. De enige korte termijnmaatregel is krimp van de veestapel, waarbij dierrechten (intensieve veehouderij) en fosfaatrechten (rundveehouderij) uit de markt worden gehaald. Dit levert indirect een bijdrage aan vermindering van de emissies van stikstof en CO2.

De initiatiefnemers pleiten voor het opkopen van productierechten bij piekbelasters. Te beginnen in de Gelderse Vallei en rondom natuurgebieden op de zandgronden. In de Gelderse Vallei zal een kleine 70% van de emissies moeten verdwijnen. Bedrijven die niet in staat zijn de emissies fors terug te brengen, komen als eerste in aanmerking voor opkoop. Op de vrijgekomen ruimte moet vervolgens een natuur-inclusieve vinex-wijk verrijzen. De projectontwikkelaars van de vinex-wijk betalen de uitkoop van de boeren.  

Naast de zandgronden en de Gelderse Vallei, is er nog een gebied waar bij voorrang uitkoop of extensivering wordt voorgesteld: de veenweidegronden in het Groene Hart. Hier gaat het om 50 procent emissiereductie. Het Groene Hart is een minder grote piekbelastende regio, maar wel een regio waar voor bouw en industrie in de omgeving, veel stikstofruimte nodig is.

Maatregelen middellange termijn

Voorgesteld wordt om per regio een limiet te stellen aan de maximale emissies. En verder de beste gebieden aan te wijzen voor landbouw, en ook alvast gebieden aan te wijzen voor woningbouw, infrastructuur, energiewinning en natuur. Zodat gebiedsprocessen kunnen aanvangen en de agrariërs in die gebieden weten waar zij aan toe zijn.

De initiatiefnemers pleiten ten slotte voor verhandelbare CO2- en ammoniakrechten, in aanvulling op fosfaatrechten (met afroming). Dat heeft als voordeel dat de blijvende boeren meebetalen aan de uitkoop van wijkende boeren. Verder willen de initiatiefnemers voordelen inbouwen voor extensieve bedrijven.

(Foto Gelderse Vallei: Shutterstock / Sjoerd Bezemer)

Deel via:

Overheid houdt grootste stikstofbron buiten stikstofbeleid

Natuur krijgt stikstof aangevoerd vanuit de lucht (afkomstig vanuit landbouw, industrie, logistiek). De omvang van deze bron wordt tot op de gram becijferd, elk jaar opnieuw. Maar natuur krijgt óók stikstof aangevoerd vanuit de eigen bodemvoorraad. Verstoring van de natuurbodem, zoals wateronttrekking en ontbossing, jaagt de vrijgave van stikstof uit de bodemvoorraad aan. De omvang van deze substantiële stikstofbron wordt niet in beeld gebracht, maar juist buiten beeld gehouden. Dit is merkwaardig, aangezien deze stikstof net zo goed van invloed is op stikstofgevoelige natuur (foto: Shutterstock).

Farmers Defence Force wist in april een grote hoeveelheid metingen in Drentse natuurgebieden in de openbaarheid te krijgen, middels een WOB-procedure. Uit deze metingen blijkt dat niet stikstofdepositie, maar de aanvoer van stikstof uit de eigen bodemvoorraad de grootste stikstofbron is.

Waar komt stikstof die natuur vermest en verzuurt vandaan?

Natuur stapelt zelf heel veel stikstof

  • De totale stikstofdepositie in de afgelopen 100 jaar bedraagt 2.400 kilo/ha.
  • Uit metingen in 286 natuurbodems in de Provincie Drenthe blijkt dat er alleen al in de bovenste 10 cm van de grond duizenden kilo’s stikstof liggen opgeslagen: 3.000 kg/ha (droog bos, droge heide), 4.000 kg/ha (vochtig bos, vochtige heide) tot 10.000 kg/ha (hoogveen, moeras). In de laag eronder zit nog veel meer stikstof, volgens literatuur. Veel meer dus dan er in 100 jaar is neergeslagen.
  • Uit literatuur van de vorige generatie stikstofonderzoekers blijkt dat natuur heel veel stikstof (N2) uit de lucht bindt. In stikstofarme grond kan het gaan om wel 60 tot 80 kg/ha/jaar. Dit doen bodemorganismen. Zolang deze stikstof wordt opgeslagen is er niks aan de hand. Dat wordt anders als die vrijkomt. Dat gebeurt bij bodemverstoringen, meestal het gevolg van beleidskeuzes van overheid en/of natuurbeheerder.

Wanneer komt de stikstof vrij uit de bodemvoorraad?

De bodemvoorraad stikstof ligt in principe veilig opgeslagen (vastgelegd in organische stof). En is bijna niet beschikbaar voor planten en kan dus geen kwaad voor stikstofgevoelige natuur. Door verstoringen van de bodem (in het verleden en heden), komt die stikstof vrij. De organische stof wordt dan versneld afgebroken. Het gaat in de provincie Drenthe jaarlijks om hoeveelheden stikstof van naar schatting 30—250 kg/ha*), die vrijkomen uit de bodemvoorraad. Dit is (veel) meer stikstof dan wordt aangevoerd vanuit de emissies van landbouw, industrie en logistiek (tezamen 22,5 kg/ha/jaar). Activiteiten die de stikstofvrijgave langjarig (of permanent?) aanjagen:

  • wijzigen waterhuishouding
  • waterwinning, wateronttrekking
  • kappen van bos
  • omvormen van natuur

Overheid houdt grootste stikstofbron buiten beeld

  • De grootste stikstofbron wordt niet gekwantificeerd en niet meegewogen in het stikstofbeleid, terwijl de omvang van deze bron relatief gemakkelijk is te meten en te monitoren.
  • Het doel van het natuurbeleid is een goede staat van instandhouding. Als naar de invloed van stikstof wordt gekeken, zouden alle stikstofbronnen die van invloed zijn, moeten worden meegeteld. Het is niet terecht een substantiële stikstofbron buiten beeld te houden.
  • Het miljarden kostende maatregelenpakket om de deposities vanuit landbouw, industrie en logistiek terug te dringen, zal nooit tot een meetbaar resultaat kunnen leiden, als winsten worden tenietgedaan door grotere verliezen. De stikstofwinst van de 100-kilometermaatregel voor het verkeer bedraagt ca. 0,3 kg/ha/jaar. Deze winst wordt tenietgedaan door verlies van stikstof uit de bodemvoorraad van 30—250 kg/ha/jaar.
  • Beleidsondersteunende instituten, NGO’s en natuurorganisaties hebben buitengewoon veel haast met maatregelen die 0,3 tot 5 kg stikstofwinst opleveren, en schreeuwen hierover moord en brand. Maar houden zich stil over de veel grotere stikstofbron (afbraak bodemvoorraad). Het verschil in aandacht correleert met het beschikbare budget. 
  • Transparantie op het stikstofdossier is ver te zoeken. Onze ervaring is dat veel gegevens achter worden gehouden. Ook Provincie Drenthe had de metingen in 286 natuurbodems, die de aanvoer van stikstof uit de bodem zelf in beeld brachten, niet openbaar gemaakt. Er moest een WOB-procedure aan te pas komen om de data beschikbaar te krijgen.

Meer informatie:

Deel via:

Minister Schouten komt met hilarisch antwoord op Kamervragen over kritische depositiewaarden

“Minister Schouten begrijpt niets van de kritische depositiewaarden stikstof. Dat blijkt uit de antwoorden die zij op 13 april heeft gegeven op Kamervragen van de PVV, naar aanleiding van ons artikel.” Dit concludeert onderzoeker Jaap Hanekamp na het lezen van de antwoorden die de minister gaf. Samen met statisticus Matt Briggs publiceerde Hanekamp een eerste voorlopige analyse over hun onderzoek naar de onzekerheden in de kritische depositiewaarden stikstof. 

“Als vertrekpunt kozen wij voor het artikel Banin en anderen uit 2014”, stelt Hanekamp. “Dit is een recent review artikel waarin een onzekerheidsanalyse van KDW wordt gepresenteerd. Deze review is voorzien van een uitgebreide literatuurlijst met tal van relevante publicaties over de kritische depositiewaarden in Nederland, Europa en de rest van de wereld. Minister Schouten stelt dat Nederland geen gebruik maakt van ‘Banin’ maar de literatuur gebruikt die in 2011 Europees en in 2012 in Nederland is gepubliceerd. De minister heeft niet in de gaten dat zowel Bobbink en Hettelingh (2011) als Banin (2014) met dezelfde wetenschappelijke kennisbasis werken.” Bij ‘Banin’ en de literatuur uit 2011 en 2012 waarnaar minister Schouten verwijst, gaat het dus om hetzelfde. Hanekamp noemt dit “ironisch”. Het toont volgens hem aan dat de minister geen idee heeft waarover het feitelijk gaat. 

Deel via:

Creatief met stikstof en wetenschap

Toetsing van het WNF-rapport ‘Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof’

Op 9 april verscheen het rapport ‘Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof’. Dit rapport van het Wereld Natuurfonds vormt een belangrijke pijler onder het recente advies van ABDTopconsult (adviesbureau van de Rijksoverheid) aan het Kabinet: de stikstofuitstoot moet met 50-70% worden teruggedrongen. STAF toetste de bevinding dat een toename van de berekende stikstofdepositie van 1.000 mol/ha/jaar (begin jaren ’50) naar 3.000 mol (jaren ’70 en ’80) de soortendiversiteit met 40 – 50 procent heeft verminderd. Dit zou blijken uit het 60-jarige soortenonderzoek in de blauwgraslanden in het Wageningse Binnenveld. Tijdens de toetsing stuitte STAF op de creatieve wijze waarop wordt omgegaan met wetenschap.

Naar de oorzaken van het verdwijnen van plantensoorten in de blauwgraslanden bij Wageningen wordt al zestig jaar onderzoek gedaan. Belangrijkste oorzaak bleek de verdroging door ontwatering en waterwinning. Het ‘Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof’ werkt alleen nog met het stikstofrekenmodel Aerius en komt – niet verrassend –  tot de conclusie dat toename van de stikstofdepositie de belangrijkste oorzaak is. De toename van grofweg 1.000 naar 3.000 mol per hectare heeft de diversiteit aan soorten in deze blauwgraslanden met 40 – 50 procent verminderd, aldus het onderzoek.

Met creatieve wetenschap worden alle ballen op stikstof gemanoeuvreerd. Veel lijkt daarbij geoorloofd: terzijde schuiven van eerder onderzoek, achterwege laten van informatie die niet past, geen transparantie geven, creëren van beeldvorming met suggestieve grafieken.

Deel via: