Nederlandse natuur fors verslechterd; onderbouwing niet beschikbaar

De Nederlandse natuur is in de afgelopen zes jaar fors verslechterd. Dat blijkt uit natuurgegevens die Nederland onlangs naar Brussel heeft gestuurd. De gegevens zouden de feitelijke staat van de natuur laten zien, deze zijn dus niet gebaseerd op rekenmodellen. Hoe komt Nederland tot deze dramatische rapportage? De feiten checken blijkt (nog) niet mogelijk: zowel de gehanteerde meetlat als de onderliggende data zijn niet beschikbaar.

Iedere zes jaar moeten lidstaten aan Europa melden hoe het ervoor staat met de natuur; de werkelijke staat van de natuur. Eind vorig jaar stuurde Nederland de verplichte databestanden voor de Habitat- en Vogelrichtlijnrapportage naar Brussel. Deze laten de ontwikkelingen in de natuur zien over de periode 2019-2024. Uit de gegevens blijkt dat 28 van de 52 habitattypen in Nederland verslechteren. En juist die verslechtering is uit den boze volgens de Europese wetgeving. Tot 2019 stond de Nederlandse natuur er een stuk beter voor. Toen was van verslechtering in mindere mate sprake.

Uit de databestanden blijkt ook dat ons land veranderingen heeft doorgevoerd in de wijze waarop de staat van de natuur wordt beoordeeld. Wordt er strenger gemeten, waardoor de uitkomsten slechter uitpakken? Volgens het ministerie van LVVN is er daadwerkelijk achteruitgang opgetreden. Provincies waren verantwoordelijk voor het aanleveren van de gegevens.  

Beoordelingsmeetlat (nog) niet beschikbaar

Staf wil controleren hoe de forse natuurverslechtering in de afgelopen zes jaar tot stand is gekomen. Dat blijkt niet mogelijk. Het ministerie van LVVN geeft aan dat de beoordelingsmeetlat nog niet beschikbaar is. Die komt in de loop van 2026 online. “De rapporten zijn uitgebreider dan bij vorige rapportages, omdat nu per soort en habitattype wordt toegelicht hoe tot de beoordeling is gekomen. Daardoor duurt het wat langer voor ze gereed zijn.”

In de databestanden die Nederland aanleverde bij Brussel, is wel te zien welke natuurgegevens zijn gebruikt. De trend is bepaald vanuit het Landelijk Meetnet Flora (LMF). Als Staf deze gegevens wil inzien, blijkt dat niet mogelijk. “De LMF-gegevens zijn niet rechtstreeks publiek beschikbaar”, stelt het ministerie van LVVN. Er worden alternatieven aangedragen. “Alle verzamelde gegevens over soorten worden jaarlijks geüpload in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De uitkomsten van trendberekeningen zijn beschikbaar via het Compendium voor de Leefomgeving.” Met deze twee alternatieve bronnen blijkt het echter niet mogelijk om de natuurrapportage aan Brussel te controleren. Nederland baseert haar bevindingen voor een belangrijk deel op zeldzame soorten planten, mossen en paddenstoelen. Juist de informatie over zeldzame soorten wordt (deels) afgeschermd in de NDFF. Dit gebeurt om die soorten extra te beschermen. Ook het Compendium voor de Leefomgeving biedt geen uitkomst. Deze rapporteert niet over soorten, maar over soortenrijkdom.

Enorme uitbreiding vereiste soorten

Tot voor kort baseerde Nederland de natuurkwaliteit voor een belangrijk deel op typische soorten. Landelijk ging het om een kleine 400 stuks, voornamelijk planten, mossen en vlinders. Kwam er ergens een van deze soorten bij, dan was er sprake van verbetering. Viel er een weg, waarvoor niks terug kwam, dan werd dat gerapporteerd als verslechtering. Rond 2020 kozen Provincies ervoor om alle soorten die op papier passend kunnen zijn, ook te eisen in hun individuele N2000-gebieden. Dit betekende dat aan N2000-gebieden soortenlijsten werden gehangen van gemiddeld 100 tot 200 typische soorten. Wanneer minimaal 60% van deze soorten aanwezig is, is de natuurkwaliteit goed. Deze verzwaring is geen eis van Europa, maar van de provincies.

Onlangs gingen de provincies nog een flinke stap verder. De landelijke soortenlijst werd flink uitgebreid. Die lijst telt nu bijna 1.000 soorten. Per natuurgebied staan er thans 250 – 500 soorten op de lijst. Wat nog meer opvalt, is dat het in hoge mate gaat om (zeer) zeldzame soorten. Ook staan er soorten op de lijst die (nog) niet in Nederland voorkomen. Houden provincies vast aan hun eis dat minimaal 60% van die soorten moeten voorkomen voor een goede natuurkwaliteit? BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de provincies, laat weten vragen hierover niet op korte termijn te kunnen beantwoorden.

Nederland oordeelt strenger dan Duitsland

De kwaliteit van een habitattype wordt afgemeten aan de soorten die er voorkomen. Per habitattype is er een lijst met soorten samengesteld. Hoe meer van deze soorten aanwezig zijn, hoe beter de natuurkwaliteit. Nederland legt met de soortenkeuze de lat flink hoger dan Duitsland. Waar Nederland kiest voor meer en zeldzamere soorten, kiest Duitsland voor minder en algemenere soorten.

Voor habitattype droge heide staan er 26 soorten op de Nederlandse lijst: 17 zeldzame en 8 algemene. Hiervan moet 60% aanwezig zijn voor een goede kwaliteitsscore. Voor heidevelden in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen (grenst aan Nederland) staan er 25 soorten op de lijst: 9 zeldzame en 15 algemene. Wanneer 6 of meer van deze soorten aanwezig zijn, is er sprake van een goede kwaliteit.

Wanneer in Nederland de Duitse soortenlijst zou worden toegepast, wordt naar alle waarschijnlijkheid ruim aan de kwaliteitseis voor heide voldaan.

Lees ook:

Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten.

Deel via:

Bufferstroken hebben geen meetbaar effect op waterkwaliteit

Staf krijgt geregeld de vraag of bufferstroken langs watergangen – verplicht sinds 1 maart 2023 – effectief zijn. Hebben die geleid tot een afname van de stikstof en fosfor in het oppervlaktewater? Staf checkte de metingen van waterschappen. Daaruit blijkt (tot nu toe) geen effect meetbaar. In plaats van een afname van de concentraties, is er zelfs sprake van een toename. Met bufferstroken lijkt een “probleem” te worden aangepakt, dat in werkelijkheid geen probleem is.

Sinds 1 maart 2023 zijn in Nederland bufferstroken langs watergangen verplicht. Deze maatregel is onderdeel van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De teeltvrije stroken zijn bedoeld om de afspoeling van meststoffen naar het oppervlaktewater te verminderen. Tienduizenden hectares landbouwgrond mogen sinds genoemde datum niet meer worden beteeld en bemest. Bijkomstig is de afbouw van de derogatie, die ook in 2023 aanving. Daardoor wordt er sindsdien minder dierlijke mest uitgereden. Ook deze maatregel beoogt het uitspoelen van meststoffen naar het water te verminderen. Welk effect wordt er gemeten van deze maatregelen?  

Wageningen Environmental Research berekende in 2022 welk effect van de bufferstroken verwacht mocht worden. Naar schatting zou de stikstofbelasting naar het oppervlaktewater op landelijke schaal met zo’n 5 tot 10 procent verminderen. Voor fosfor werd een afname van zo’n 5 procent berekend.

Niet minder, maar meer N en P

Waterschappen meten sinds jaar en dag de stikstof- en fosforconcentraties in het oppervlaktewater. Dit gebeurt met grote regelmaat, meestal eens per maand. Welk effect hebben zij gemeten van de bufferstroken en de afbouw van de derogatie? Om hierachter te komen worden de stikstof- en fosformetingen van acht waterschappen met relatief veel landbouwgebied verzameld. Het gaat om: Aa & Maas (NBr), Friesland, Hollands Noorderkwartier (NH), Noorderzijlvest (Gr), Scheldestromen (Z), Vallei & Veluwe (Gld/U), Vechtstromen (Ov) en Zuiderzeeland (Fl). De metingen over de jaren 2021 en 2022 worden vergeleken met de metingen over de jaren 2023  en 2024. Hierbij de kanttekening dat meetwaarden jaarlijks kunnen fluctueren, bijvoorbeeld als gevolg van weersomstandigheden. Echter, wanneer bufferstroken en afbouw derogatie substantieel bijdragen aan de waterkwaliteit, zou dit moeten blijken uit de resultaten.

In de meetresultaten is echter geen afname van de stikstof en fosfor in het oppervlaktewater te bespeuren, er is zelfs sprake van een toename van de gemiddelde concentraties. Zie figuren 1 en 2. Deze uitkomsten liggen in lijn met de metingen van het RIVM. Ook binnen het Meetnet Effecten Mestbeleid is (nog) geen effect gemeten van de bufferstroken en de afbouw van de derogatie. In de jaren 2023 en 2024 is er sprake van een toename van de stikstofconcentraties in het slootwater.

Figuur 1. In 2023 werden bufferstroken verplicht en werd gestart met de afbouw van de derogatie. De stikstofconcentraties in het oppervlaktewater daalden niet.
Figuur 2. De fosforconcentraties in het oppervlaktewater dalen (nog) niet, ondanks ingrijpende maatregelen sinds 2023.

Reactie RIVM

Het vraagstuk wordt voorgelegd aan het RIVM. “De stikstofconcentraties in het slootwater zijn in 2023 en begin 2024 inderdaad gestegen. Het is echter niet mogelijk om hieruit te concluderen dat de bufferstroken of derogatie-afbouw geen effect of zelfs een averechts effect hebben. Deze stijging is namelijk grotendeels te verklaren door de natte periode, in combinatie met de vertragingstijd van het bodem- en watersysteem. Daarnaast verwachten we de impact van bufferstroken en de afbouw van derogatie niet meteen te meten. Door complexe processen in het water- en bodemsysteem kost het vaak 1 tot 5 jaar voordat beleidseffecten daadwerkelijk te zien zijn. Op de korte termijn is de invloed van het weer hoogstwaarschijnlijk groter dan het effect van een nieuwe maatregel zoals bufferstroken.”

Oplossen niet bestaand probleem?

Volgens het RIVM helpen bufferstroken vooral oppervlakkige afspoeling voorkomen. De uitspoeling via het grondwater of drains wordt niet tegenhouden met bufferstroken. Een maatregel tegen afspoeling dus, niet tegen uitspoeling. Maar, is er in de landbouw wel sprake van oppervlakkige afspoeling? Hoeveel bedraagt die eigenlijk?

Beleidstukken en beleidsondersteunend onderzoek spreken consequent over ‘uit- en afspoeling landbouwgronden’. De uit- en afspoeling worden bij elkaar geteld. In oudere rapporten (zoals Alterra-rapport 2638; EmissieRegistratie 2013) gebeurt dat nog niet. Daaruit blijkt dat de afspoeling slechts een fractie (2 procent) bedraagt van de ‘uit- en afspoeling’. Dit is heel weinig en bovendien een verouderd cijfer. Afspoeling – waarbij mest van de akkers afregent de sloot in – is nauwelijks een onderwerp. De voormalige teelt- en bemestingsvrije zones bleken goed te werken. Daar komt bij dat er in de Nederlandse landbouw steeds meer gebruik wordt gemaakt van verfijnde technieken voor de mestaanwending. De verplichte bredere bufferstroken voegen hier vrijwel niks aan toe. Het is dan ook niet aannemelijk dat we hiervan een effect gaan meten op de waterkwaliteit.

Deel via:

Ook Brussel kreeg verwarrende watercijfers over Nederlandse landbouw

De Staf-publicatie van december 2025 leidde tot veel vragen bij waterschappen, provincies en de Tweede Kamer. Het Planbureau voor de Leefomgeving had watervervuiling uit andere bronnen – de achtergrondconcentraties – toegerekend aan de landbouw. Minister Vincent Karremans, waterschappen en provincies stellen dat zij de PBL-cijfers niet gebruiken voor hun beleid. Echter, in de rapportage aan de Europese Commissie vinden we de misleidende watercijfers wel terug.

Het Staf-artikel over het toerekenen van stikstof en fosfor uit onder meer natuurlijke bronnen aan de landbouw, leverde veel vragen op. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bevestigde desgevraagd extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, toe te rekenen aan de landbouw. Doch zonder dit te vermelden. Daardoor ontstond het beeld dat wat aan de landbouw wordt toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

PBL-cijfers niet gebruikt in Nederland

Inmiddels zijn veel vragen over de verwarrende PBL-watercijfers beantwoord. Zonder uitzondering stellen Nederlandse overheden dat de watercijfers van het PBL niet worden gebruikt voor het beleid. Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Vincent Karremans, zegt in zijn Kamerbrief van 12 maart 2026: “Alle waterbeheerders in Nederland (Ministerie IenW, provincies en waterschappen) houden rekening met natuurlijke achtergrondconcentraties. De achtergrondconcentraties worden zowel betrokken bij de afleiding van de doelen, als bij de beoordeling of aan de doelen is voldaan. Hierbij betrekken de waterbeheerders de gebied-specifieke omstandigheden in hun beheergebied.”

Wetterskip Fryslân stelt dat het PBL een andere indeling van bronnen hanteert dan bijvoorbeeld Wageningen UR. Het PBL neemt zowel natuurlijke bronnen (zoals kwel) als antropogene bronnen (zoals bemesting) mee bij ‘landbouw’. Volgens het Wetterskip zou er geen beleid gebaseerd zijn op de watercijfers van het PBL. Het landelijke beleid wordt gebaseerd op de bronnenanalyses van Wageningen UR. Ook het Wetterskip baseert zich op die gegevens. Een vergelijkbare uitleg zien we bij Provincie Groningen en Provincie Limburg, in antwoord op vragen.

Verwarrende watercijfers wel naar Brussel

Volgens toenmalig minister Wiersma zou de landbouw een aandeel hebben van 31 procent in de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied. Dit antwoordde zij in december 2025 op Kamervragen. Het PBL komt echter uit op ruim 50 procent, door de achtergrondconcentratie ook toe te rekenen aan de landbouw. Deze toerekening bleef aanvankelijk onvermeld. Inmiddels heeft het PBL de website aangevuld met een toelichting.

Waterbeheerders beantwoorden de kritiek met sussende woorden: de PBL-cijfers worden niet gebruikt voor het Nederlandse mestbeleid. Echter, de PBL-cijfers zijn wel naar de Europese Commissie gestuurd middels de Nitraatrapportage. Deze rapportage is bepalend voor onder meer het verkrijgen van derogatie. Europa staat het gebruik van meer dierlijke mest alleen toe, als dat niet ten koste gaat van verbetering van de waterkwaliteit. De Europese Commissie kreeg de volgende toelichting bij de cijfers: ‘De grootste bron voor stikstof en fosfor is de uit- en afspoeling (diffuse belasting) vanuit de bodem in de landbouwgronden (50 procent)’. Dat ook de achtergrondconcentraties waren toegerekend aan de landbouwgronden, werd niet bij de grafiek vermeld. Eurocommissaris Jessica Roswell sloeg toenmalig minister Wiersma met deze toelichting om de oren. Volgens Roswell was 50 procent van de stikstof in de Nederlandse wateren afkomstig uit de landbouw. Van het verlenen van derogatie kon geen sprake zijn. Ook hier was het beeld dat wat aan de landbouw is toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

Figuren. De PBL-watercijfers (links) vinden we terug in de Nitraatrapportage voor de Europese Commissie (rechts). In beide grafieken zijn de achtergrondconcentraties toegerekend aan de landbouw.

Deel via:

Nederlandse heide bedroevend, Duitse kerngezond

Aan de Nederlandse kant van de grens ligt de heide er bedroevend bij, aan de Duitse kant is die kerngezond. Dat blijkt uit de natuurdata die Nederland[1] en Duitsland[2] onlangs aanleverden bij de Europese Commissie. Het contrast in natuurkwaliteit kan nauwelijks groter zijn. Stikstof maakt niet het verschil, de berekende stikstofneerslag is aan weerszijden van de grens ongeveer gelijk. Wat doen de Duitsers beter?  

Een jaar of vijf geleden viel het al op: op de kaart van de Europese Commissie kleurt de Nederlandse heide rood en de aangrenzende Duitse heide groen (zie afbeelding). Het gaat in beide gevallen om heide (habitattype 4030) in het Atlantische deel van Europa. Daar valt Nederland onder en ook het aangrenzende noordwesten van Duitsland. Er werden in 2021 Kamervragen over gesteld[3]. Carola Schouten, toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hield het erop dat de Duitse monitoring niet deugde. “Duitsland heeft de lat voor de gunstige referentiewaarden en voor de beoordeling van de kwaliteit lager gelegd dan Nederland en de aanbevelingen van de Europese Commissie.” Volgens Schouten zouden de Duitsers hun rapportage aanpassen, waarna de heidevelden er aan weerzijden van de grens even slecht bij zouden liggen.   

Schouten krijgt nu ongelijk. Onlangs stuurde Duitsland haar nieuwe natuurrapportage naar Brussel. Daaruit blijkt dat de heide in het Atlantische deel van Duitsland wederom de beste natuurscore haalt. Ook Nederland leverde haar zogenaamde artikel 17-databestanden in. In ons land staat de heide er onverminderd slecht op.

Militair beheer Duitsland

Wat verklaart het Duitse succes? Deze keer heeft Duitsland de reden meegestuurd naar Brussel: “Militair gebruik en terreinbeheer hebben overwegend een positieve invloed op de specifieke structuren en functies van dit habitattype.” Duitsland heeft ruim 70 procent van haar militaire oefenterrein – hoofdzakelijk gelegen in heidelandschappen – aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit vanwege de hoge natuurwaarden in deze terreinen. De militaire oefeningen en het bijbehorende terreinbeheer zorgen voor de bodemverstoringen die heide nodig heeft. De open en omgewoelde plekken zijn geliefd bij talrijke dieren en planten. Bedreigde vogelsoorten, zoals de graspieper, de boomleeuwerik, de hop en de nachtzwaluw, evenals insectensoorten zoals de heidesprinkhaan, de zandloopkever en loopkevers, profiteren hier van het speciale beheer. Dat geldt ook voor de zandhagedis en de gladde slang. 

Volgens Duitsland zijn militaire oefenterreinen van grote waarde voor de instandhouding van droge heiden, zandheiden en droge zandgraslanden. Het verdwijnen van militairen uit heideterreinen wordt door onze oosterburen genoemd als een belangrijke risicofactor voor een goede staat van instandhouding.

Defensieterreinen Nederland

Nederland wees vooral terreinen aan van natuurorganisaties als Natura 2000. Er zijn slechts enkele (delen van) defensieterreinen aangewezen, ondanks dat hier ook in ons land hoge natuurwaarden zijn te vinden. De Rijksoverheid schrijft hierover op haar website: “Op Defensieterreinen is veel bijzondere natuur. Bijvoorbeeld kruikmos, valkruid, kleinere broedvogels en de kleine wrattenbijter (een sprinkhaan). Door de bijzondere omstandigheden op oefenterreinen komen deze soorten daar juist voor.”

Verschil in beoordeling kwaliteit

Niet alleen het beheer van de heideterreinen is verschillend, ook de wijze waarop Nederland en Duitsland de heidekwaliteit beoordelen is ongelijk. Nederland kijkt vooral naar het aantal karakteristieke soorten in de heidevelden. Het gaat dan om (bijzondere) soorten planten, insecten, vlinders en vogels. Nederland constateert dat hun aantallen gemiddeld steeds verder afnemen.

Duitsland kijkt op de eerste plaats naar de heide zelf[4]. Alle vier de ontwikkelstadia moeten als een mozaïek te zien zijn in het veld. Een goede kwaliteit toont zich als een lappendeken van de pioniersfase (0-6 jaar: schaarse begroeiing met grote diversiteit aan andere planten), vestigingsfase (7-15 jaar: heide vormt gesloten tapijt, de bloei is op zijn hoogtepunt), volwassenfase (16-25 jaar: heide bereikt maximale hoogte, de veroudering vangt aan), aftakelfase (>25 jaar: de stengels sterven vanuit het midden van de plant af, waardoor ruimte ontstaat voor mossen en korstmossen).

De heide moet volgens de Duitsers voortdurend worden verstoord om >50% van de heideplanten in de eerste drie stadia te behouden. Dat geeft de grootste biodiversiteit. Gebruik door militairen blijkt in de praktijk een goede vorm van beheer te zijn.


[1] https://www.natura2000.nl/rapportage-vogel-en-habitatrichtlijn

[2] Nationaler Bericht nach Art. 17 FFH-Richtlinie (2025), Teil Lebensraumtypen (Teil D). Lrt: 4030: Trockene Heiden, ATL: Atlantische Region.

[3] Eerste Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2020–2021, Wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), Nadere memorie van antwoord, ontvangen 19 februari 2021.

[4] Kriterien für die bewertung des Erhaltungszustandes LRT Trockene europäisische Heiden (4030)

Deel via:

Ulvenhoutse bos: stikstof amper issue, hondenverbod onnodig

Staatsbosbeheer wil honden weren uit het Ulvenhoutse bos (NBr). Vanwege stikstof. Vanaf komende zomer zijn deze viervoeters niet meer toegestaan in een deel van het bos en op den duur wordt het hele bos gesloten voor honden. Merkwaardig is dat stikstof nauwelijks een rol speelt in dit bos. Dat rapporteerden de Nederlandse autoriteiten aan Brussel. Het bosbeheer is een groter punt van zorg. 

Op een zonnige dag in februari brengt de Staf-redactie een bezoek aan het Ulvenhoutse bos. Dit N2000-gebied ligt tussen Breda en Ulvenhout. De auto kan midden in het bos worden geparkeerd, in habitattype H9120 (beuken-eikenbossen met hulst). “Maar niet lang meer”, zegt een wandelaar met hond. “Honden worden hier straks geweerd, en auto’s ook.”

Volgens Staatsbosbeheer lijdt de kwetsbare natuur hier aan een teveel aan stikstof. Het gebied wordt door veehouderijen en omliggende snelwegen al zwaar belast. Daar kan geen stikstof uit hondenpoep en urine meer bij. Volgens Staatsbosbeheer, de beheerder van het bos, is de impact van hondenpoep en -plas fors. Het zou jaarlijks gaan om zo’n 14.000 kilo poep (ruim 230 kruiwagens) en 25.000 liter plas.

‘Stikstof lage drukfactor’

De grootste bedreigingen van het bos zijn volgens Staatsbosbeheer, naast stikstof, ook verdroging. Ook recreatie is een belangrijke factor. De rapportage over dit bosgebied die Nederland naar de Europese Commissie stuurde, geeft een wat ander verhaal.

De lidstaten zijn verplicht om periodiek verslag te doen aan de Europese Commissie over de stand van zaken in de individuele Natura 2000 gebieden. Daarbij moet onder meer worden aangegeven wat de grootste bedreigingen en drukfactoren. De Nederlandse rapportages zijn opgesteld door wetenschappers van Wageningen UR en enkel verkrijgbaar bij de Europese Commissie.

De rapportage over het Ulvenhoutse bos vermeldt dat stikstof een ‘lage’ drukfactor vormt. En dus geen ‘grote’, zoals Staatsbosbeheer de hondenbezitters wil laten geloven. De wijze waarop het bos wordt beheerd – ‘forest replanting’ – is een grotere zorg. Wat er precies wordt bedoeld met ‘forest replanting’ – gebrek aan aanplant of verkeerde aanplant – vermeldt de Brusselse rapportage niet.

Ook de waterwinningen zijn een ‘medium’ drukfactor. Er liggen drie drinkwaterwinningen in de buurt van het Ulvenhoutse Bos: Ginneken, Prinsenbosch en Dorst. Deze zorgen voor een daling van de waterstanden van 10 tot ruim 25 cm.

Reactie Staatsbosbeheer

Waarom is stikstof volgens Staatsbosbeheer een groot probleem, terwijl Wageningse onderzoekers aan Brussel rapporteerden dat stikstof weinig rol van betekenis speelt? En wat gaat er mis met het bosbeheer?

Volgens de woordvoerder van Staatsbosbeheer is de stikstofneerslag volgens Aerius Monitor veel hoger dan wat het bos aankan. “Daardoor hebben de planten in het bos het moeilijk. In het gebiedsproces zijn daarom alle stikstofbronnen in beeld gebracht om te onderzoeken in welke mate lokale maatregelen kunnen helpen om de belasting terug te dringen.” (Het Aerius-rekenmodel is ongeschikt voor gebruik op lokale schaal. De onzekerheden zijn te groot, red.)

De bosbeheerder is ook aan de slag gegaan met de verdroging van het bos. “We namen de afgelopen jaren al veel maatregelen om de waterhuishouding te herstellen. Die is nu grotendeels op orde. Gelukkig zien we voorzichtige vooruitgang door de beheermaatregelen die we treffen.”

Over wat er mis gaat met het beheer kan Staatsbosbeheer niks zeggen. De natuurbeheerder kent de rapportage aan de Europese Commissie niet en raadt aan contact op te nemen met de opsteller.

Extra grond voor extra bos

Staatsbosbeheer en Provincie Noord-Brabant hebben plannen met het Ulvenhoutse bos. “Onze ambitie is dat er een groot losloopgebied terugkomt, buiten het beschermde Natura2000-gebied. Een belangrijk onderdeel van het gebiedsplan is namelijk de aanleg van nieuwe groene gebieden aan de randen van het bos. Deze gebieden dienen als buffer voor de kwetsbare natuur in het bos. Daarmee ontstaat ruimte voor een nieuw hondenlosloopgebied.”

Ook in het N2000-gebied blijven honden welkom. “Je kunt straks nog steeds met je hond een mooie grote ronde wandelen. Alleen dan wel aangelijnd en de poep moet je opruimen. Tevens blijft er een klein deel van het bos beschikbaar als losloopgebied.”

Deel via:

UPLG-avond in Wilnis: focus op water en memorandum Bakker

De avond van LTO Noord over het UPLG in Wilnis op 28 januari 2026 was druk bezocht. Tijdens deze avond was er veel aandacht voor de waterkwaliteit en het zojuist verschenen memorandum van de Utrechtse gedeputeerde Bakker over dit onderwerp. Staf is gevraagd een presentatie te verzorgen. Deze is hieronder te downloaden.

Goed nieuws

Het UPLG heeft een forse wateropgave neergelegd in Noordwest-Utrecht. Vooral de fosfornormen worden niet gehaald. Omdat er gebruik is gemaakt van de gegevens in 2024, ligt hier de oude bronnenanalyse onder. In een bronnenanalyse staat welke bron welk aandeel heeft in de vervuiling. Volgens de oude analyse heeft de landbouw een flink aandeel. Medio 2025 verscheen een nieuwe bronnenanalyse, waaruit blijkt dat de achtergrondconcentratie (waar de landbouw niks aan kan doen) hoger is dan gedacht. En het aandeel nutriënten dat uit de landbouw komt, lager. Er zijn complimenten voor waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor het laten uitvoeren van de bronnenanalyse. Een bestuurder van dit schap bevestigt dat onder het UPLG de oude gegevens liggen. Provincie Utrecht heeft inmiddels bevestigd dat het aandeel van de landbouw in dit gebied klein is.

Wanneer de achtergrondconcentratie hoger is dan verwacht, zouden de normen echter opnieuw afgeleid moeten worden. Mogelijk leidt een hoge achtergrondconcentratie ertoe dat normen onhaalbaar zijn. Het waterschap in provincie Flevoland – waar hetzelfde aan de hand is – is momenteel druk doende de normen opnieuw vast te stellen. Gebeurt dat ook bij Amstel, Gooi en Vecht? De bestuurder van dit schap antwoordt dat het ook hier op de agenda staat.

Memorandum gedeputeerde Has Bakker

De Utrechtse gedeputeerde Has Bakker kwam op 26 januari 2026 met een memorandum. Daarin gaat hij in op kritiek op het UPLG. Ook op 15 januari kwam de provincie al met een memorandum, waarin ingegaan werd op kritiek. Deze tussentijdse reacties op kritiek zijn merkwaardig aangezien er momenteel een zienswijzeprocedure loopt waarin de provincie de kritieken verzameld. Bakker stelt in zijn memorandum dat het halen van de KRW-doelen vraagt om extra inzet op meerdere terreinen. Hij gaat daarmee voorbij aan de nieuwe bronnenanalyse en de daaraan gekoppelde mogelijkheid om normen te herijken. Ook geeft hij hiermee blijk van het niet willen afwachten van de zienswijzen. De bestuurder van Amstel, Gooi en Vecht wil weinig kwijt over de inhoud van de zienswijze die het waterschap voornemens is in te dienen.

Bakker stelt in zijn memorandum vervolgens dat een oppervlaktewater volgens de Nitraatrichtlijn op ‘groen’ kan staan en volgens de Kaderrichtlijn Water op ‘rood’. Dat klopt, maar daarmee gaat Bakker voorbij aan de kritiek op het UPLG. De kritiek is dat de nutriëntenbeoordelingen (stikstof en fosfor) voor beken aan de oostzijde van Utrecht in Brussel op ‘groen’ staan terwijl deze beken ‘rood’ scoren op nutriënten in het UPLG. Het gaat enkel om de beoordeling van nutriënten; dat is relevant voor de landbouw.

Natuurkwaliteit en stikstof

Nederland levert periodiek gegevens aan in Brussel over de individuele natuurgebieden. Het gaat ook om gegevens over de mate van instandhouding. Wat opvalt is dat deze rapportages een gunstigere trend laten zien van de Utrechtse natuurgebieden, dan het veelgehoorde ‘de natuur staat op omvallen’. Aan de Europese Commissie is gevraagd of de trend (verbetering, stabiel, verslechtering) kan worden afgeleid uit deze rapportages. Volgens de woordvoerder van de Commissie kan dat. Wel moet gecheckt worden of er mogelijk andere oorzaken zijn van veranderingen, zoals: een betere telling of verandering van onderzoeksmethode.

De EU-trends in Utrechtse natuurgebieden werden eerder getoond tijdens een bijeenkomst in Vianen. Provincie Utrecht heeft daarop laten weten niet blij te zijn met de rapportages aan Brussel. “Het is kwalijk dat het Rijk verouderde gegevens heeft aangeleverd.” De provinciale natuurdoelanalyses zijn er niet in meegenomen.

Download de presentatie

Deel via:

Provincie Utrecht legt forse extra wateropgave neer bij landbouw

Provincie Utrecht legt met het UPLG (Utrechts Programma Landelijk Gebied) een forse wateropgave neer bij de landbouw. Eind vorig jaar werd het pakket online gezet. Met alarmerende kaarten wordt getoond waar grote opgaven liggen. In dit artikel worden enkele gebieden met een grote wateropgave onder de loep genomen. Wat opvalt is dat er gebruik wordt gemaakt van verouderde cijfers, strengere normen en een wijze van beoordelen die afwijkt van de Europese.

“Voor het thema water en bodem richten we ons in het Ontwerp-UPLG allereerst op schoon water waarbij we te maken hebben met de Europese Kaderrichtlijn Water waar we in 2027 aan moeten voldoen. We verbeteren de waterkwaliteit door minder gebruik te maken van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en door sloten en oevers meer natuurvriendelijk in te richten en te beheren”, aldus Provincie Utrecht in het UPLG. Een grote wateropgave ligt in Noordwest-Utrecht – zo toont de provincie met enkele kaartjes. Hier wordt de gewenste waterkwaliteit bij lange na niet gehaald. Dat geldt voor beide nutriënten: stikstof en nog meer voor fosfor.

Oude cijfers

De opgave in Noordwest-Utrecht ligt voor een aanzienlijk deel bij de landbouw. Dit is het gevolg van een bronnenanalyse uit 2016 (gebaseerd op gegevens van onder meer 2010-2013). De nieuwe bronnenanalyse liet bijna 10 jaar op zich wachten en kwam medio 2025 naar buiten. Daarin komt Wageningen Universiteit tot de conclusie dat er nutriënten in Noordwest-Utrecht ten onrecht aan de landbouw waren toegeschreven; deze zijn het gevolg van natuurlijke processen, zoals kwel. Inmiddels zijn de landelijke kaarten met stikstof- en fosforopgaven voor de landbouw aangepast[1]. Deze kaarten kleuren nu groen in Noordwest-Utrecht; zie afbeeldingen. Nu natuurlijke processen een groter aandeel hebben als gedacht, had Noordwest-Utrecht niet opgevoerd hoeven te worden als gebied met een grote wateropgave.

Figuur 1. Fosfor in oppervlaktewater: de opgave volgens het UPLG (links) en voor de landbouw (oud, bronnenanalyse 2016) en na herziening (nieuw, bronnenanalyse 2025).

Figuur 2. Stikstof in oppervlaktewater: de opgave volgens het UPLG (links) en voor de landbouw (oud) en na herziening (nieuw).

Provincie Utrecht houdt vast aan normen

De kwestie wordt voorgelegd aan Provincie Utrecht. Deze laat weten vast te houden aan de gestelde normen voor stikstof en fosfor, deze worden nu niet gehaald. De provincie zegt hiermee in feite geen rekening te houden met de onderschatte natuurlijke achtergrondconcentratie. Dit betekent automatisch dat de provincie een grotere wateropgave creëert dan noodzakelijk. En die grotere opgave wordt neergelegd bij het platteland, oftewel de landbouw.

Hoge achtergrondconcentraties kunnen bovendien de reden zijn dat normen onhaalbaar zijn. Normen worden zelfs niet gehaald als alle agrarische activiteiten uit het gebied worden gesaneerd. In Noordwest-Utrecht is dit risico extra aan de orde omdat waterschap en provincie hier voor een groter aantal wateren strengere normen hebben gesteld dan de maatlatwaarden (landelijke advieswaarden). Enkele voorbeelden: voor de Vecht (watertype M7b) zijn de maatlatwaarden ≤ 0.25 mg P/l en ≤ 3.8 mg N/l. Waterschap en provincie scherpten de normen fors aan: ≤ 0.09 mg P/l en ≤ 1.6 mg N/l. Voor de Amstellandboezem (watertype M6b) zijn de maatlatwaarden ≤ 0.25 mg P/l en ≤ 3.8 mg N/l. Waterschap en provincie kiezen voor een strengere norm: ≤ 0.17 mg P/l en ≤ 2.5 mg N/l.

Flevoland: zelfde problematiek, andere aanpak

In provincie Flevoland speelt momenteel hetzelfde, maar hier gaat de overheid er anders mee om. Ook in delen van Flevoland is Wageningen UR recent tot de conclusie gekomen dat er nutriënten onterecht waren toegerekend aan de landbouw. Deze blijken voort te komen uit natuurlijke processen waar de landbouw niks aan kan doen. In Flevoland wordt momenteel gewerkt aan een aanpassing van de waterdoelen; de doelen mogen worden bijgesteld als er sprake is van natuurlijke achtergrondconcentraties.

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht – dat samen met Provincie Utrecht verantwoordelijk is voor de waternormen in Noordwest-Utrecht – bevestigt dat zij een nieuwe bronnenanalyse heeft laten uitvoeren. Ook wordt bevestigd dat de landbouw daarin veel minder aandeel heeft in de belasting van het water met nutriënten dan gedacht en dat de nieuwe gegevens niet zijn gebruikt voor het UPLG. Een bestuurder van dit schap geeft aan hier werk van te willen maken, naar het voorbeeld van Flevoland.

Beken bij EU op groen, in UPLG grote opgave

Provincie Utrecht wil de uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar een reeks beken in het oosten van de provincie verminderen. Het gaat om de volgende beken: Lunterse Beek, Heiligenbergerbeek, Modderbeek, Middenloop- en Benedenloop Barneveldse Beek, Esvelderbeek, Moorsterbeek en Hoevelakense Beek.

Merkwaardig is dat de meeste van deze beken volgens de Europese Commissie al geruime tijd voldoen aan de nutriënteneisen. Dat blijkt onder meer uit het Landenrapport van februari 2025 van de Europese Commissie, over de voortgang van de Kaderrichtlijn Water in Nederland.  Wel is er in enkele beken een normoverschrijding met het bestrijdingsmiddel imidacloprid[2], maar dit middel is sinds 2018 verboden in de land- en tuinbouw. Het mag wel gebruikt worden door particulieren. Waarom een forse opgave neerleggen bij de landbouw vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water, als volgens Europa in deze beken de landbouwdoelen helemaal (of goeddeels) worden gehaald?

Volgens Provincie Utrecht zit er een verschil in de beoordelingsmethode voor de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. De Europese beoordelingen zouden volgens de provincie gaan over de Nitraatrichtlijn. Deze stelling van de provincie blijkt niet te kloppen, de Europese Commissie gaat in beide rapportages eender te werk. Provincie Utrecht zegt voor de Kaderrichtlijn Water de Nederlandse beoordelingswijze toe te passen. Dat de doelen niet worden gehaald in deze beken komt onder meer door ‘specifiek verontreinigende stoffen’.  Dat laatste klopt, maar deze specifieke stoffen komen dan weer niet uit de landbouw.

Hier is sprake van een discrepantie tussen de Europese en Utrechtse beoordelingsmethode van nutriënten. (De methode die Provincie Utrecht toepast, wordt in meer provincies gehanteerd, echter niet in alle). Het UPLG verwijst veelvuldig naar de Europese Kaderrichtlijn Water. Je zou dan mogen verwachten dat de Europese beoordelingsmethode wordt gevolgd.

Conclusie

Europa hanteert het principe dat de vervuiler verantwoordelijk mag worden gesteld voor de eigen bijdrage. We zien in het UPLG dat deze benadering niet wordt gevolgd. Er wordt een hogere wateropgave neergelegd bij de landbouw, dan waarvoor deze verantwoordelijk is.


[1] Notitie implementatie 8e actieprogramma aandachtsgebieden, oktober 2025, ministerie van LVVN.

[2] Bestrijdingsmiddelenatlas 2022-2024

Deel via:

PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving, waar het Planbureau voor de Leefomgeving deel vanuit maakt, is zo’n 60 miljoen kilo stikstof in het oppervlaktewater afkomstig uit de landbouw. Dat komt neer op ruim de helft van de totale stikstofbelasting, zo meldt het Compendium op 18 november 2025. Wat daarbij niet wordt vermeld, is dat een aantal extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, wordt toegerekend aan de landbouw. Dit gebeurde ook al in 2017.

Op 11 mei 2017 gaf het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) uitleg in de Tweede Kamer over het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn[1]. Toenmalig SGP-landbouwwoordvoerder Elbert Dijkgraaf vroeg waarom ervoor gekozen is een aantal extra emissies (zoals natuurlijke kwel) toe te rekenen aan de landbouw, waardoor de opgave van de landbouw groter wordt. Deze keuze werd toen niet in het rapport verantwoord (zie voetnoot 1; minuut 33.05 – 34.18). De woordvoerder van Het PBL bevestigt dat er extra posten zijn toegerekend aan de landbouw en dat dit met reden is gedaan. Het PBL heeft een grotere opgave bij de landbouw neergelegd, omdat zij de waterkwaliteitsnormen niet wilde verruimen vanwege stikstof en fosfor uit natuurlijke bronnen. Het gevolg is een extra opgave voor de waterkwaliteit. Er is voor gekozen die extra opgave bij de landbouw neer te leggen, omdat deze sector meer draagkracht heeft dan bijvoorbeeld de rioolwaterzuivering (minuut  51.45 – 53.06).

De waterdoelen voor stikstof en fosfor mogen worden verruimd wanneer er sprake is van natuurlijke bronnen. Een deel van de waterschappen en provincies past een dergelijke verruiming toe. Andere waterschappen en provincies doen dit niet. Dit is een politieke keuze.

Geschiedenis herhaalt zich

Het Compendium voor de Leefomgeving heeft opnieuw een aantal extra bronnen op rekening van de landbouw gezet[2]. En opnieuw gebeurt dit zonder daarvan melding te maken. Hierdoor ontstaat het beeld bij de politiek, de media en Europese Commissie dat ruim de helft van de stikstof- en fosforlast in het oppervlaktewater toegeschreven moet worden aan de landbouw. Ook wordt het zogenaamde inlaatwater – de stikstof en fosfor die van buitenaf met het water binnenkomt – niet meegeteld.

De woordvoerder van het PBL bevestigt dat de post landbouw is opgebouwd uit een reeks bronnen: uit/afspoeling van mest vanuit de landbouw, erfafspoeling landbouw, glastuinbouw en het mee mesten van sloten. Maar onder landbouw vallen ook de bronnen: natuurlijke kwel vanuit de ondergrond en nog een aantal posten. Deze posten betreffen: uitloging van nutriënten die van nature in de bodem aanwezig zijn, uitspoeling van eerder geïnfiltreerd oppervlaktewater (vooral in de zomer) en uitspoeling van stikstofdepositie. De woordvoerder geeft aan dat deze duiding eventueel een volgende keer kan worden toegevoegd.

Het PBL bevestigt ook dat het inlaatwater niet wordt meegenomen bij het bepalen van het aandeel van de bronnen in de stikstof- en fosforbelasting van het oppervlaktewater. “Inlaatwater is geen emissiebron. De nutriënten in het inlaatwater zijn afkomstig van verschillende bronnen. Verder wordt alleen gekeken naar binnenlandse bronnen.”

Bronnen uitsplitsen

Het Compendium voor de Leefomgeving bevestigt dus extra nutriëntenbronnen toe te rekenen aan de landbouw, ondanks dat die nutriënten niet afkomstig zijn uit de landbouw. Dit heeft als gevolg dat de landbouw voor een grotere wateropgave wordt gesteld, dan waarvoor zij verantwoordelijk is.

Wageningen UR (WUR) splitste in 2025 uit welke bron welk aandeel heeft in de stikstof en fosfor in het regionale oppervlaktewater[3]. Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het ministerie van LVVN. WUR werkte daartoe samen met de waterschappen. Dit onderzoek laat zien welk aandeel van de stikstof en fosfor afkomstig is van de landbouw en van de bemesting. En welk aandeel komt uit bodemprocessen die de landbouw niet worden aangerekend. Wageningen UR rekent ook de stikstof- en fosforaanvoer met het inlaatwater mee. Het aandeel dat WUR toerekent aan de landbouw komt daarmee fors lager uit dan het aandeel dat het PBL toerekent aan de landbouw. Zie figuur.

Conclusie

Het Compendium zegt met haar informatie bij te dragen aan de kwaliteit van de politiek/bestuurlijke afwegingen op het gebied van natuur, milieu en ruimte. De informatie is primair bedoeld voor strategische beleidsbeslissingen en de wetenschap. Echter, de ondoorzichtige en oncontroleerbare wijze waarop het Compendium stikstof en fosfor toeschrijft aan de landbouw, zorgt ervoor dat er geen politieke/bestuurlijke discussie plaatsvindt over het toerekenen van extra bronnen aan de landbouw. Die discussie had moeten gaan over de juistheid van het neerleggen van een grotere opgave bij de landbouw dan waarvoor zij verantwoordelijk is.

Herkomst stikstof volgens Compendium en WUR

De herkomst van stikstof in het oppervlaktewater volgens het Compendium voor de Leefomgeving en Wageningen UR. Let op: de grafieken laten de verschillen goed zien, maar zijn niet 100% vergelijkbaar omdat er gerekend is met iets andere uitgangspunten (perioden, indeling bronnen).



[1] https://debatdirect.tweedekamer.nl/2017-05-11/landbouw/thorbeckezaal/planbureau-voor-de-leefomgeving-pbl-over-het-zesde-actieprogramma-nitraatrichtlijn-11-03/onderwerp  Zie minuten 33.05 – 34.18 (vraag SGP) en 51.45 – 53.06 (antwoord PBL).

[2] https://www.clo.nl/indicatoren/nl019226-belasting-van-het-oppervlaktewater-met-vermestende-stoffen-1990-2023

[3] Landelijke bronnenanalyse nutriënten regionale oppervlaktewaterlichamen Kaderrichtlijn Water; Wageningen Environmental Research, juni 2025.

Deel via:

Waarom zijn overheden partner van activistisch natuurplatform?

Overheidsorganisaties en NGO’s trekken samen op in het communicatieplatform NatureToday. Dit communicatiekanaal is bedoeld voor het delen van berichten over de natuur. Echter, we zien dat dit kanaal ook politiek gekleurde boodschappen verspreidt, en soms zelfs scheldpartijen aan het adres van partijen met ‘verkeerde’ inzichten. Past zo’n communicatiekanaal wel bij een overheid die zegt integriteit, objectiviteit en onpartijdigheid hoog in het vaandel te hebben?

Dat overheidsorganisaties en NGO’s samen optrekken bij het verspreiden van natuurberichten is bijzonder. Overheden verliezen daardoor gemakkelijk hun neutrale positie. De nauwe samenwerking zou misschien te billeken zijn, wanneer het om objectieve, inhoudelijke berichtgeving gaat. Echter, het communicatiekanaal verspreidt tegenwoordig ook activistische, politieke boodschappen. Die soms ontaarden in scheldpartijen aan het adres van organisaties en onderzoekers met andere inzichten. Zo wordt bijvoorbeeld vaker stelling genomen tegen BBB-bewindvoerders. Deze worden beschuldigd van het verspreiden van halve waarheden en hele leugens; BBB-bewindslieden zouden desinformatie verspreiden. Het is merkwaardig dat overheden partner zijn van een communicatiekanaal, dat dergelijke ‘natuurberichten’ over de eigen bewindslieden uitzendt.

Ook ‘schopt’ NatureToday tegen boerenorganisatie LTO, die foute lobbyactiviteiten wordt verweten. En een wetenschapper die in opdracht van de Staatssecretaris van Landbouw en Natuur met een kritisch rapport kwam – dat niet past in het straatje van de redactie – wordt zelfs uitgescholden voor charlatan en koekenbakker. Uitingen die niet passend zijn voor overheidsorganisaties.

Reactie overheden

BIJ12 bevestigt dat zij partner is van dit communicatiekanaal. Daarvoor bepaalt deze uitvoeringsorganisatie van provincies jaarlijks 5.000 euro. De organisatie geeft aan zich onvoldoende te hebben verdiept in de activistische berichtgeving die via dit kanaal wordt verspreid en raadt aan hierover contact op te nemen met de redactie.

Provincie Gelderland is ook partner en zegt 3.950 euro per jaar te betalen voor deelname. “Onze afweging om samen te werken met NatureToday heeft een communicatieve achtergrond. Via dat medium kunnen wij een voor ons relevante doelgroep bereiken waarmee wij communiceren over ons natuurbeleid en de uitvoering en resultaten van onze projecten”, aldus de woordvoerder. Provincie Gelderland zegt zich verder niet te bemoeien met de publicaties op dit platform. “Het feit dat wij gebruik maken van een medium of meewerken aan artikelen of content betekent niet dat we deze bijdragen automatisch ondersteunen”.

Provincie Groningen levert een financiële bijdrage aan NatureToday van 3.950 euro per jaar. “Het is voor ons een manier om specifieke doelgroepen te bereiken en transparant te zijn over ons beleid.” De provincie zegt wil zich niet te mengen in de vrijheid van meningsuiting op het platform. “Iedereen is vrij een eigen opinie te hebben en deze in te sturen naar media naar keuze.”

Het lijkt erop dat de overheden nauwelijks weten wat voor berichten er op hun natuurplatform wereldkundig worden gemaakt, of het wel prima vinden. Ook de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, Provincies Noord-Brabant en Overijssel zijn partner van dit natuurplatform.

NatureToday kuist artikel

NatureToday gaat niet in op vragen over een recent stuk, waarin partijen met andere inzichten worden uitgescholden voor charlatans, koekenbakkers en meer wat lelijk is. Maar laat wel weten de tekst van dit natuurbericht qua formulering en stijl te hebben aangepast “zodat de argumentatie en de inhoud beter tot haar recht komen”. De redactie blijkt het stuk te hebben ontdaan van de scheldpartijen. Ironisch genoeg vermeldt NatureToday bij het betreffende artikel nu dat het platform soms te maken heeft met persoonlijke aanvallen.

Deel via:

Stikstofaandeel landbouw in water fors lager na herberekening

Jarenlang werd aangenomen dat een kleine 40% van de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied uit de landbouw (bemesting) afkomstig was. Na recente herberekening blijkt het te gaan om de helft daarvan. Water dat het gebied binnenkomt vanuit het buitenland, Rijkswateren en bovenstroomse gebieden blijkt dubbel zoveel stikstof aan te voeren dan aanvankelijk gedacht. Ook waren natuurlijke processen, zoals kwel, bij de landbouw op de rekening gezet. Dat is nu deels gecorrigeerd.

Het ministerie van Landbouw publiceerde eind 2023 een kaart met Nutriënten Vervuilde (NV-gebieden). Deze kaart oogstte veel kritiek. De kaart maakte namelijk gebruik van een bronnenanalyse uit 2016, die weer gebaseerd was op data van 2010-2013. Met een rekenmodel was toen uitgerekend welk aandeel uit welke bron komt. Zo’n 40% van de stikstof werd toegerekend aan bemesting uit de landbouw.
Landbouwminister Wiersma komt per januari 2026 met een nieuwe kaart met aandachtsgebieden. Deze vervangt de NVgebiedenkaart. Voor deze nieuwe kaart is de bronnenanalyse onlangs geactualiseerd. Opvallend is dat het landbouwaandeel in de stikstofbelasting daarin ongeveer is gehalveerd. Zie figuur.

Figuur. Aandeel landbouw (bemesting) in stikstoflast oppervlaktewater in 2016 en 2025, per waterschap. Het aandeel is bijna gehalveerd, door forse aanpassingen in de berekeningen.

Berekeningen aangepast

Tussen 2016 en 2025 is het berekende aandeel stikstof vanuit de landbouw bijna gehalveerd. Deze stikstofwinst is voor een kleiner deel het gevolg van de afname van het mestgebruik (NB. het effect van maatregelen na 2022 – afbouw derogatie, bufferstroken – is nog niet ingerekend). Het zijn vooral forse aanpassingen in de berekeningen die het verschil maken. Zo hadden nogal wat waterschappen oneigenlijke ‘extraatjes’ bij de landbouw op de rekening staan. Het gaat dan om stikstof uit kwel, uitloging van ingepolderde gronden (zeeklei), oxidatie van veengronden, uitspoeling van nutriënten in de winterperiode nadat in de zomerperiode water en nutriënten vanuit het oppervlaktewater in de bodem zijn geïnfiltreerd.

Kwel-correctie

Waterschappen Amstel, Gooi en Vecht (AVG), Rijnland (West-Nederland) en Zuiderzeeland (Flevoland) lieten recent nader onderzoek doen naar de invloed van kwel. Deze waterschappen kwamen erachter dat zij een behoorlijk aandeel stikstof en/of fosfor onterecht hadden toegerekend aan de landbouw. Inmiddels is de kwel-correctie doorgevoerd. Het resultaat is nu dat een aanzienlijk deel van de NV- gebieden kon worden geschrapt. Op de nieuwe aandachtsgebiedenkaart vinden wij die niet terug.
In zeekleigebieden in Noorderzijlvest (Gr), Hollands Noorderkwartier (NH) en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden werd de kwel (nog) niet nader onderzocht. Waarschijnlijk zullen er ook hier gebieden tussen zitten waar nutriënten uit kwel onterecht worden toegerekend aan de landbouw. (Zie ook artikel: ‘Fosforvervuild gebied Noord-Groningen waarschijnlijk onterecht aangewezen‘).

Meer correcties

De herberekening laat meer correcties zien. Deze staan in het artikel dat u hieronder kunt downloaden. Ook laat het artikel zien wat nog niet gecorrigeerd is.

Aanvulling 3 december 2025: Per abuis stond waterschap Scheldestromen niet in de figuur vermeld. Deze is toegevoegd.

Deel via: