Van Essen levert met stikstofplan wat milieubeweging eist

Landbouwminster Jaimi van Essen gaat met zijn stikstofplan in belangrijke mate leveren wat de milieubeweging eist. Zijn plan komt overeen met de voorwaarden waaronder milieuorganisaties bereid zijn te stoppen met het systematisch aanvechten van vergunningen van bedrijven. Is hier sprake van chantage? Of gebruikt de minister de voortdurende juridische procedures als hefboom voor zijn stikstofbeleid?

“Nederland blijft zonder een snelle en forse krimp van de veestapel nog tot na 2035 op slot”, garandeert Johan Vollenbroek van Mobilisation for the Environment (MOB) zijn volgers op het platform Bluesky. MOB vecht aan de lopende band vergunningen aan bij de rechter, vaak met succes. De milieuorganisatie is niet van plan daarmee te stoppen voordat aan haar eisen is voldaan. Die eisen zijn: forse krimp veehouderij, halvering stikstofuitstoot, bufferzones rond natuurgebieden en extensivering van de landbouw rond de natuur. Deze eisen komen overeen met het stikstofplan van Van Essen (zie ook tabel).

Vollenbroek is niet de enige die het heeft voorzien op de vergunningen van bedrijven die – naar het eigen oordeel – teveel vervuilen. Ook Sjoerd van der Wouw is actief op dit terrein. In het verleden deed hij dat vanuit de Wageningse Vereniging Milieuoffensief, tegenwoordig werkt hij voor Pesticide Action Network (PAN). Waar MOB zich richt op stikstof doet PAN dat op gewasbeschermingsmiddelen. “Bindende afspraken over de forse vermindering van pesticidegebruik zijn noodzakelijk. Anders zullen boeren opnieuw de rechter op hun weg vinden”, dreigt Van der Wouw in een opinie in Trouw (juni 2026). PAN eist onder meer spuitvrije zones rond natuur.

Zorgelijke opstelling LVVN-juristen

Enkele uren voordat Van Essen zijn langverwachte stikstofbrief naar de Kamer stuurt, gebeurt er wat merkwaardigs. Het Juristennetwerk Landbouw, Natuur en Ruimte van het ministerie van LVVN (de juristen van Van Essen) bekent kleur op LinkedIn. Dit juristennetwerk schaart zich achter de opinie van Sjoerd van der Wouw van PAN. Waarom delen LVVN-juristen het dreigement dat boeren de rechter tegenover zich krijgen als zij niet doen wat de milieubeweging eist? Het bericht verdwijnt meteen als Staf er vragen over stelt. De opstelling van het juristennetwerk is zorgelijk. Juristen die zouden moeten zorgen voor juridisch houdbare vergunningen voor boeren, steunen NGO’s die deze vergunningen aanvechten.

Overheid laat vergunningverlening over aan MOB

MOB bepaalt tegenwoordig welk bedrijf een vergunning krijgt en tegen welke voorwaarden. In juni 2026 ging MOB akkoord met de vergunning voor Cosun Beet Company (CBC) in het Brabantse Dinteloord. “MOB en suikerproducent CBC hebben een deal: ammoniakuitstoot terug van 76,5 ton naar < 3,5 ton/jaar: een reductie van 95%. MOB trekt in ruil alle juridische procedures in”, bericht MOB-voorman Vollenbroek op Bluesky. Eén van de eisen van MOB was dat Provincie Noord Brabant de deal zou bekrachtigen in de vergunningvoorwaarden. Provincie Noord-Brabant deed dat. Gedeputeerde Saskia Boelema (D66) wordt om een verklaring gevraagd voor deze vreemde gang van zaken bij de vergunningverlening. “MOB voerde procedures bij de bestuursrechter tegen de provincie en Cosun. MOB had via de rechter verzoeken gedaan om de vergunning aan te scherpen en zelfs in te trekken. Cosun en MOB hebben samen onderhandeld over de voorwaarden voor de vergunning. De provincie was daar niet bij.”

Enkele maanden eerder, in maart 2026, trok MOB haar beroepen tegen de natuur- en milieuvergunning van melkverwerker FrieslandCampina in Veghel (NBr) in. Volgens dezelfde werkwijze: de stikstofuitstoot moet fors omlaag of anders geen vergunning. MOB-medewerker Rob Janmaat daarover op LinkedIn: “Overheden willen dat Nederland weer van het vergunningenslot gaat. Wij kijken naar grote ammoniakuitstoters, want daar is winst te halen. Wij houden hun vergunningen tegen het licht. Wij hebben FrieslandCampina juridisch achtervolgd. Dat bedrijf heeft er toen voor gekozen om afspraken met MOB te maken. MOB doet hier dus het werk van de provincie.”

Brabants gedeputeerde Boelema (D66) laat het regelen van vergunningen over aan MOB. Krijgt MOB voor haar diensten betaald door de provincie? De woordvoerder van Boelema benadrukt dat dit niet het geval is. Andere overheden bekenden eerder wel fors in de buidel te hebben getast voor de dienstverlening van MOB en Vollenbroek. Dit kwam aan het licht na woo-procedures, waarbij de facturen werden opgevraagd. Zo betaalde Provincie Friesland[1] 155.000 euro voor adviesdiensten om de vergunning voor haar afvalverbrander in Harlingen overeind te houden. En gemeente Sliedrecht betaalde 125.000 euro voor het regelen van de vergunning voor chemiereus Chemours.[2]

Olifant in de (k)Kamer

MOB en PAN draaien er niet omheen dat zij systematisch vergunningen van bedrijven aanvechten en daarmee doorgaan zolang niet aan hun eisen wordt voldaan. Dat vergunningen aanvechtbaar zijn, komt omdat de wetgeving dat mogelijk maakt. Er zitten juridische ‘gaten’ in, die weliswaar gedicht kunnen worden, maar dat gebeurt niet. Zo was bijvoorbeeld bij de invoering van de nieuwe natuurwetgeving in 2015 al bekend dat vergunningen en toestemmingen risico’s liepen.[3] [4]  

MOB stelt hoge eisen in het stikstofbeleid. Overheden en MOB voeren dan ook geregeld overleg. Provincie Noord-Brabant stelt op haar website samen met MOB afspraken te hebben gemaakt over de vergunning van Cosun Beet Company. Ook was MOB in 2025 genodigde op de nieuwjaarsbijeenkomst van het ministerie van LVVN voor stakeholders die betrokken zijn bij (het beleid van) dit ministerie.[5] Merkwaardig is nu dat minister Van Essen ermee schermt dat hij spreekt met vele partijen en refereert aan breed maatschappelijk overleg…  echter, MOB wordt nergens genoemd. MOB en haar stroom aan juridische procedures tegen bedrijven zijn de olifant in de k(K)amer.

Van Essen volgt milieubeweging

Volgens minister Van Essen komt er met zijn stikstofpakket weer ruimte voor vergunningverlening. Het is de sleutel voor wat al zo lang op slot zit. Wat onvermeld blijft, is dat de minister van plan is te leveren wat de milieubeweging eist (zie tabel). De milieubeweging heeft er geen geheim van gemaakt te zullen stoppen met het structureel procederen tegen vergunningen van het bedrijfsleven als de overheid levert wat de milieubeweging eist. Als Van Essen daarvoor de garanties geeft, gaat het slot van de vergunningverlening.

De eisen van MOB (en PAN) en het plan van minister Van Essen tonen opvallend veel gelijkenis.

Eisen MOB[6] (en PAN)Stikstofplan minister Van Essen[7]
50% minder stikstofuitstoot in totaal.    42-46% minder stikstofuitstoot. In bufferzones rond stikstofgevoelige N2000-gebieden een hoger percentage.
Verplichte emissieplafonds voor individuele bedrijven. Wanneer plafond niet wordt gehaald: vergunning intrekken.Bedrijfsspecifieke emissienormen.
Bufferzones om Natura-2000 gebieden, tegen stikstof en pesticiden. In bufferzones reductieregimes voor stikstof en pesticiden van 65% tot 100%. Omvang zones: optellend tot minimaal 100.000 ha voor Nederland.
Extensivering landbouw (biologisch) in bufferzones
Bufferzones rond stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden van 500m of 1000m. Hier gelden strengere stikstofeisen. (Bij 500m-zones zou het in totaal gaan om ruim 100.000 ha landbouwgrond).
Extensivering landbouw in bufferzones.
Voor de aanpak van gewasbeschermingsmiddelen komt er een convenant.
Doelen zeer snel halen, in 2030 en 2035.Doelen zeer snel halen, in 2030 en 2035

Foto’s: Johan Vollenbroek (VidiPhoto) en Jaimi Van Essen (Rijksoverheid).


[1] stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2022/07/Friesland-betaalt-E155.545-aan-MOB-voor-behoud-afvalverbrander.pdf

[2] stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2022/07/Sliedrecht-hanteert-status-aparte-voor-MOB.pdf

[3] edepot.wur.nl/317267

[4] edepot.wur.nl/364020

[5] brabant.nl/actueel/nieuws/forse-reductie-ammoniakuitstoot-cosun-dinteloord-afspraken/ en telegraaf.nl/binnenland/borrel-rel-treft-ministerie-landbouwminister-wiersma-verrast-door-aanwezigheid-milieuactivist-vollenbroek/64099430.html

[6] stichtingmobilisation.nl/stikstof/2026/01/29/zo-komt-nederland-van-het-stikstofslot-af/

[7] rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2026/06/26/kabinet-haalt-nederland-van-het-stikstofslot-met-stevig-pakket-weer-ruimte-voor-boer-natuur-en-bouw

Deel via:

MOB vindt verdwenen pesticiden in N2000 Het Zwanenwater

Milieuorganisatie MOB heeft in N2000-gebied Het Zwanenwater talrijke pesticiden aangetroffen. Een aanzienlijk deel van de vondsten is inmiddels verdwenen uit het registratiesysteem. Waterschap Hollands Noorderkwartier schoonde haar registratiesysteem vorig jaar op, toen bleek dat het pesticide dinoterb – waar in 2024 veel ophef over ontstond – een laboratoriumfout was (vals positieve uitslag). MOB heeft voor haar alarmerende rapport een verouderd databestand gebruikt. Het is één van de onjuistheden die de redactie van Staf aantreft. Staf checkte de opgevoerde ‘vondsten’ in het MOB-rapport.

Waterschap Hollands Noorderkwartier zet zijn laboratoriumuitslagen in registratiesysteem Aquadesk. De redactie van Agrifacts draait de lijst uit voor N2000-gebied Het Zwanenwater. Dat levert een aanmerkelijk kortere lijst op dan MOB presenteert. MOB laat desgevraagd weten een uitdraai van 3e kwartaal 2025 te hebben gebruikt. Dit betreft een verouderde lijst. Het waterschap heeft de bestanden voor Het Zwanenwater opgeschoond, nadat was gebleken dat de dinoterb-affaire zijn oorsprong vond in het laboratorium (vals positieve uitslagen). Agrifacts liet toen al zien dat de vals positieve uitslagen zich niet beperkten tot dinoterb, maar dat het ging om veel meer stoffen, die veelal in één en hetzelfde monster werden aangetroffen. Niet alleen de dinoterb-metingen werden toen uit het registratiesysteem gehaald, maar veel meer metingen.

In 2023 vonden er geen metingen plaats in het Zwanenwater. Toch voert MOB een reeks pesticide-vondsten op. Desgevraagd laat MOB weten als alternatief de metingen te hebben genomen van het dichtstbijzijnde landbouwmeetpunt voor gewasbeschermingsmiddelen. Dit is een onjuiste gang van zaken. Daar komt nog bij dat het waterschap ook de registraties op dit meetpunt (op de grens tussen natuur- en landbouwgebied) heeft opgeschoond. Veel meetuitslagen staan niet meer in Aquadesk. Echter nog wel in andere registratiesystemen. Staf constateerde eerder al dat de bestanden met ‘misregistraties’ al waren afgeleverd voor beleidsdoeleinden (zie artikel).

Rapportagegrens en normoverschrijdingen

Veruit de meeste stoffen zijn niet normoverschrijdend. Een reeks stoffen wordt sinds enkele jaren ‘boven de rapportagegrens’ gevonden omdat het waterschap is overgestapt van meten in microgrammen naar meten in nanogrammen (1000 keer kleinere concentraties). De rapportagegrens geeft de laagste concentratie aan, die nog kan worden vastgesteld met het meetapparaat. Echter, ‘boven de rapportagegrens’ mag absoluut niet worden verward met ‘normoverschrijdend’. Pas bij normoverschrijding ontstaat risico op schade voor het milieu. Een klein deel van de gevonden pesticiden is wél normoverschrijdend. Deze behoren alle tot de enkele monsters waarmee wat mis is gegaan in het laboratorium. Het waterschap heeft een groot deel van de rare uitslagen inmiddels verwijderd, een klein deel van de rare uitslagen is echter blijven staan. Staf wil van Hoogheemraad Jos Beemsterboer weten of hij de juistheid van deze normoverschrijdingen heeft laten onderzoeken, of voornemens is dat alsnog te doen. Zijn woordvoerder laat weten eerst de rapporten van MOB en Staf te willen bestuderen, alvorens het waterschap met een reactie komt.

Stafrapportage downloaden

Download de Staf-factcheck ‘MOB vindt verdwenen pesticiden in Het Zwanenwater’:

Foto: Het meetpunt waar op 7 maart 2022 tientallen rare pesticiden werden gevonden, vele in een normoverschrijdende concentratie.

Deel via:

Bij natuur heel gewoon: ‘Werken voor de overheid gaat prima samen met procederen tegen de overheid’

In de natuurwereld is het de gewoonste zaak: werken voor de overheid op het natuurdossier, en actief zijn voor een NGO die (juridisch) strijdt voor veel strenger stikstofbeleid. De redactie van Staf dook dieper in het netwerk dat grote invloed heeft op het natuurbeleid. Dat laat zien hoe overheden en natuur-NGO’s zijn verweven.

Het wordt stil als de redactie van Staf de woordvoerder van milieuorganisatie MOB en Advocaat van de Aarde, Rob Janmaat, vraagt naar diens dubbele pet. Staf had vragen gesteld over een alarmerend rapport van een MOB-onderzoeker over pesticiden in een natuurgebied. De woordvoerder wordt herkend. Janmaat is directeur/oprichter van Communicatiebureau De Lynx, een bureau dat veel voor overheden werkt en gespecialiseerd is in natuur, klimaat en ruimte. Het is een bijzondere combinatie van functies: werken voor overheden en daarnaast meewerken aan rechtszaken tegen diezelfde overheden. Valt dat wel te combineren?

De vragen over het alarmerende rapport werden beantwoord, die over de dubbele pet niet. Update 22 juni 2026: Janmaat neemt na publicatie van dit artikel contact op. Hij geeft aan dat hij niet in de gelegenheid was te reageren op de vragen en wil dit alsnog doen. Hij stemt in met een interview. Update 23 juni: Janmaat trekt zijn toezegging voor het interview weer in. De Stafredactie doet niet precies wat hij wil.

Provincies verweven met NGO’s

Janmaat is niet die enige die werkt voor overheden op het natuurdossier en tegelijkertijd meewerkt aan de (juridische) strijd tegen diezelfde overheden. Op datzelfde natuurdossier. Die verwevenheid met de overheid zien we ook bij een groep ANBI-stichtingen (RAVON, SOVON, Zoogdierstichting etc), gevestigd in hetzelfde kantoor op de campus van Radboud Universiteit in Nijmegen. Deze stichtingen lobbyen enerzijds voor een strenger natuurbeleid, en doen anderzijds natuuronderzoek voor de overheid. Deze ANBI-stichtingen bepalen in hoge mate met welke natuur en soorten het wel en vooral niet goed gaat. Veel van deze stichtingen hebben zich openlijk aan de zijde van Greenpeace geschaard, in diens stikstofrechtszaak tegen de Staat. Bij een bezoek aan het kantoor in Nijmegen, blijkt dat ook de natuurafdeling van BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de provincies, hier is neergestreken. Overheid en natuur-NGO’s zitten dus bij elkaar in één kantoor. Volgens de website van BIJ12 zou deze natuurafdeling in Utrecht zitten.

Verder komen we hoge natuurambtenaren tegen, die zitting hebben in een bestuur of toezichtsraad van een natuurstichting. Zie artikelen in Staf, juni 2026 (onderaan dit artikel te downloaden). De betreffende overheden geven aan dat hun ambtenaar met toestemming op persoonlijke titel zitting heeft, waardoor er geen sprake is van belangenverstrengeling. Het werken voor de overheid valt prima te combineren met een zetel in een stichting die lobbyt en/of procedeert voor een strenger natuurbeleid. Tenslotte valt op dat de natuurstichtingen relatief veel politici aan boord hebben. Meestal van PRO (GroenLinks/PvdA), soms van D66.

Belangenverstrengeling

Het natuuronderzoek wordt door een groep van zo’n twintig veelal ANBI-stichtingen uitgevoerd. Hun werk vormt een belangrijke pijler onder het Nederlandse natuurbeleid. Dat de overheid hier belastinggelden voor aanwendt is verdedigbaar. Problematisch wordt het echter wanneer dezelfde organisaties tegelijkertijd lobbyen of procederen voor een strenger stikstofbeleid. Dat laat zich moeilijk rijmen met de positie van onafhankelijke en neutrale kennisleverancier ten behoeve van overheidsbeleid.
Wanneer ambtenaren dan ook nog zetels bekleden bij deze organisaties, of kantoor kiezen op hetzelfde adres als deze stichtingen, dan ontstaat op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling. Dit alles roept vragen op over de objectiviteit waarmee het natuurbeleid tot stand komt.

Stikstofcrisis door systematisch aanvechten van vergunningen bedrijven

Milieuorganisatie MOB strijdt al decennia voor strenger stikstofbeleid. Dit doet zij door vergunningen die overheden willen afgeven aan bedrijven, via de rechter te blokkeren. Overheden durven momenteel bijna geen vergunning meer af te geven, omdat deze meteen word aangevochten. Ook vergunningen of toestemmingen die overheden in het verleden hebben verstrekt aan bedrijven, worden alsnog onderuit geprocedeerd, om zo de stikstofuitstoot (en de bedrijven) stil te leggen. Deze procedures kunnen alleen succesvol worden gevoerd, als de wetgever die ruimte biedt. Toen de nieuwe wetgeving voor natuurvergunningen (daarin staat hoeveel stikstof het bedrijf maximaal mag uitstoten) in 2015 werd ingevoerd, waarschuwden juristen al voor ‘gaten’ in de wet. Deze werden door de overheid echter nooit gedicht. Daardoor heeft MOB de vergunningverlening voor bedrijven met stikstofuitstoot, succesvol stil weten te leggen via de rechter.

Beëindigen stikstofcrisis

De vergunningverlening zit op slot omdat de milieubeweging systematisch procedeert tegen vergunningen van bedrijven. De stikstofcrisis zal eindigen wanneer de milieubeweging stopt met procederen. Zij legde haar eisen bij de overheid op tafel: 50% stikstofreductie, extensiveren landbouw en meer bescherming van natuur. De stikstofcrisis eindigt ook wanneer de overheid werk maakt van het repareren van de gaten in haar wet, zodat vergunningen van bedrijven juridisch houdbaar zijn.

Download artikelen, verschenen in Staf-blad juni 2026

Natuuronderzoek of politieke lobby – Het netwerk achter het natuurbeleid:

Overijssel schakelde ‘eigen’ stichting in voor gewenste advies:

Deel via:

Alarm MOB overdreven: dinoterb was niet enige spookstof in Zwanenwater

Natuurmonumenten heeft op 29 mei 2026 een rapport van milieuorganisatie MOB in ontvangst genomen. Volgens MOB werden er in 2020-2024 aanzienlijke concentraties bestrijdingsmiddelen in Het Zwanenwater aangetroffen. Dat er tientallen vreemde middelen in deze natuurplas in de Noord-Hollandse duinen zijn gevonden, was in 2024 al bekend. Ook dat het waarschijnlijk in grotere mate zou gaan om laboratoriumfouten. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier beperkte zijn onderzoek naar spookstoffen in 2024 en 2025 tot dinoterb.  

In 2024 sloeg milieuorganisatie MOB alarm: het verboden bestrijdingsmiddel dinoterb was aangetroffen in de Noord-Hollandse wateren. Het zou illegaal gebruikt worden door bollenboeren. De redactie van Staf constateerde vrijwel meteen dat het moest gaan om fouten van het laboratorium van het waterschap. Het verspreidingspatroon deed denken aan vals positieve uitslagen. Het duurde nog een jaar voor het waterschap dit toegaf. (Zie artikel: Na lang ontkennen geeft waterschap fouten eindelijk toe). De dinoterb-metingen werden toen door het waterschap uit het registratiesysteem gehaald.

Echter, niet alleen bij het middel dinoterb was er wat fout gegaan in het lab, het ging om veel meer bestrijdingsmiddelen. Zo doken ook opeens de al decennia verboden middelen fenchloorfos, bromofos-ethyl, bromofos-methyl en tetrachloorfenfos op. Deze stoffen werden vrijwel steeds samen aangetroffen in hetzelfde watermonster. Dat wijst op een laboratoriumfout. Staf legde deze analyse destijds voor aan het waterschap. Deze liet weten te onderzoeken wat er aan de hand is. De vreemde meetwaarden blijken echter nog altijd in het registratiesysteem te staan.

Bij het Zwanenwater was het helemaal raak. Daar werd in maart 2022 een watermonster genomen, waarin wel tachtig bijzondere bestrijdingsmiddelen werden aangetroffen. Veelal in dezelfde concentratie. Wederom een teken dat er wat fout moet zijn gegaan in het laboratorium. In de laboratoriumuitslagen werden meer vreemde clusters van bestrijdingsmiddel-vondsten aangetroffen. (Zie artikel: Laboratorium waterschap Noord-Holland rommelt met metingen).

MOB slaat opnieuw alarm

Nu slaat MOB opnieuw alarm. De milieuorganisatie stelt dat in de periode 2020–2024 tientallen stoffen werden aangetroffen in het Zwanenwater. Ook middelen die inmiddels geen toelating meer hebben, zijn teruggevonden. Volgens MOB is de berekende toxische druk hoog. Dat er tientallen stoffen zijn gevonden, was reeds in 2024 bekend.

Een aantal bestrijdingsmiddelvondsten in de rapportage van MOB, staat al enkele jaren onterecht in het registratiesysteem van Hollands Noorderkwartier. Dit waterschap heeft verzuimd de clusters van vreemde laboratoriumuitslagen te controleren op vals positieven. Op het meest ‘vervuilde’ meetpunt in het Zwanenwater (zie foto) worden normaalgesproken 2 tot 6 middelen gevonden per meting (meestal binnen de norm). Op 7 maart 2022 ging het plotseling om ruim 80 verschillende middelen. Een deel werd geruisloos uit het registratiesysteem verwijderd, maar de helft staat er nog altijd in. Ook op 21 augustus 2024 werden opeens veel meer middelen aangetroffen dan normaal het geval is. Ook deze staan nog altijd in het systeem. Het gaat in hogere mate om middelen die ervoor niet werden aangetroffen, en na deze meetdatum ook niet meer. Wederom een aanwijzing voor vals positieve uitslagen.

Deel via:

Nederlandse natuur fors verslechterd; onderbouwing niet beschikbaar

De Nederlandse natuur is in de afgelopen zes jaar fors verslechterd. Dat blijkt uit natuurgegevens die Nederland onlangs naar Brussel heeft gestuurd. De gegevens zouden de feitelijke staat van de natuur laten zien, deze zijn dus niet gebaseerd op rekenmodellen. Hoe komt Nederland tot deze dramatische rapportage? De feiten checken blijkt (nog) niet mogelijk: zowel de gehanteerde meetlat als de onderliggende data zijn niet beschikbaar.

Iedere zes jaar moeten lidstaten aan Europa melden hoe het ervoor staat met de natuur; de werkelijke staat van de natuur. Eind vorig jaar stuurde Nederland de verplichte databestanden voor de Habitat- en Vogelrichtlijnrapportage naar Brussel. Deze laten de ontwikkelingen in de natuur zien over de periode 2019-2024. Uit de gegevens blijkt dat 28 van de 52 habitattypen in Nederland verslechteren. En juist die verslechtering is uit den boze volgens de Europese wetgeving. Tot 2019 stond de Nederlandse natuur er een stuk beter voor. Toen was van verslechtering in mindere mate sprake.

Uit de databestanden blijkt ook dat ons land veranderingen heeft doorgevoerd in de wijze waarop de staat van de natuur wordt beoordeeld. Wordt er strenger gemeten, waardoor de uitkomsten slechter uitpakken? Volgens het ministerie van LVVN is er daadwerkelijk achteruitgang opgetreden. Provincies waren verantwoordelijk voor het aanleveren van de gegevens.  

Beoordelingsmeetlat (nog) niet beschikbaar

Staf wil controleren hoe de forse natuurverslechtering in de afgelopen zes jaar tot stand is gekomen. Dat blijkt niet mogelijk. Het ministerie van LVVN geeft aan dat de beoordelingsmeetlat nog niet beschikbaar is. Die komt in de loop van 2026 online. “De rapporten zijn uitgebreider dan bij vorige rapportages, omdat nu per soort en habitattype wordt toegelicht hoe tot de beoordeling is gekomen. Daardoor duurt het wat langer voor ze gereed zijn.”

In de databestanden die Nederland aanleverde bij Brussel, is wel te zien welke natuurgegevens zijn gebruikt. De trend is bepaald vanuit het Landelijk Meetnet Flora (LMF). Als Staf deze gegevens wil inzien, blijkt dat niet mogelijk. “De LMF-gegevens zijn niet rechtstreeks publiek beschikbaar”, stelt het ministerie van LVVN. Er worden alternatieven aangedragen. “Alle verzamelde gegevens over soorten worden jaarlijks geüpload in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De uitkomsten van trendberekeningen zijn beschikbaar via het Compendium voor de Leefomgeving.” Met deze twee alternatieve bronnen blijkt het echter niet mogelijk om de natuurrapportage aan Brussel te controleren. Nederland baseert haar bevindingen voor een belangrijk deel op zeldzame soorten planten, mossen en paddenstoelen. Juist de informatie over zeldzame soorten wordt (deels) afgeschermd in de NDFF. Dit gebeurt om die soorten extra te beschermen. Ook het Compendium voor de Leefomgeving biedt geen uitkomst. Deze rapporteert niet over soorten, maar over soortenrijkdom.

Enorme uitbreiding vereiste soorten

Tot voor kort baseerde Nederland de natuurkwaliteit voor een belangrijk deel op typische soorten. Landelijk ging het om een kleine 400 stuks, voornamelijk planten, mossen en vlinders. Kwam er ergens een van deze soorten bij, dan was er sprake van verbetering. Viel er een weg, waarvoor niks terug kwam, dan werd dat gerapporteerd als verslechtering. Rond 2020 kozen Provincies ervoor om alle soorten die op papier passend kunnen zijn, ook te eisen in hun individuele N2000-gebieden. Dit betekende dat aan N2000-gebieden soortenlijsten werden gehangen van gemiddeld 100 tot 200 typische soorten. Wanneer minimaal 60% van deze soorten aanwezig is, is de natuurkwaliteit goed. Deze verzwaring is geen eis van Europa, maar van de provincies.

Onlangs gingen de provincies nog een flinke stap verder. De landelijke soortenlijst werd flink uitgebreid. Die lijst telt nu bijna 1.000 soorten. Per natuurgebied staan er thans 250 – 500 soorten op de lijst. Wat nog meer opvalt, is dat het in hoge mate gaat om (zeer) zeldzame soorten. Ook staan er soorten op de lijst die (nog) niet in Nederland voorkomen. Houden provincies vast aan hun eis dat minimaal 60% van die soorten moeten voorkomen voor een goede natuurkwaliteit? BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de provincies, laat weten vragen hierover niet op korte termijn te kunnen beantwoorden.

Nederland oordeelt strenger dan Duitsland

De kwaliteit van een habitattype wordt afgemeten aan de soorten die er voorkomen. Per habitattype is er een lijst met soorten samengesteld. Hoe meer van deze soorten aanwezig zijn, hoe beter de natuurkwaliteit. Nederland legt met de soortenkeuze de lat flink hoger dan Duitsland. Waar Nederland kiest voor meer en zeldzamere soorten, kiest Duitsland voor minder en algemenere soorten.

Voor habitattype droge heide staan er 26 soorten op de Nederlandse lijst: 17 zeldzame en 8 algemene. Hiervan moet 60% aanwezig zijn voor een goede kwaliteitsscore. Voor heidevelden in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen (grenst aan Nederland) staan er 25 soorten op de lijst: 9 zeldzame en 15 algemene. Wanneer 6 of meer van deze soorten aanwezig zijn, is er sprake van een goede kwaliteit.

Wanneer in Nederland de Duitse soortenlijst zou worden toegepast, wordt naar alle waarschijnlijkheid ruim aan de kwaliteitseis voor heide voldaan.

Lees ook:

Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten.

Deel via:

Bufferstroken hebben geen meetbaar effect op waterkwaliteit

Staf krijgt geregeld de vraag of bufferstroken langs watergangen – verplicht sinds 1 maart 2023 – effectief zijn. Hebben die geleid tot een afname van de stikstof en fosfor in het oppervlaktewater? Staf checkte de metingen van waterschappen. Daaruit blijkt (tot nu toe) geen effect meetbaar. In plaats van een afname van de concentraties, is er zelfs sprake van een toename. Met bufferstroken lijkt een “probleem” te worden aangepakt, dat in werkelijkheid geen probleem is.

Sinds 1 maart 2023 zijn in Nederland bufferstroken langs watergangen verplicht. Deze maatregel is onderdeel van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De teeltvrije stroken zijn bedoeld om de afspoeling van meststoffen naar het oppervlaktewater te verminderen. Tienduizenden hectares landbouwgrond mogen sinds genoemde datum niet meer worden beteeld en bemest. Bijkomstig is de afbouw van de derogatie, die ook in 2023 aanving. Daardoor wordt er sindsdien minder dierlijke mest uitgereden. Ook deze maatregel beoogt het uitspoelen van meststoffen naar het water te verminderen. Welk effect wordt er gemeten van deze maatregelen?  

Wageningen Environmental Research berekende in 2022 welk effect van de bufferstroken verwacht mocht worden. Naar schatting zou de stikstofbelasting naar het oppervlaktewater op landelijke schaal met zo’n 5 tot 10 procent verminderen. Voor fosfor werd een afname van zo’n 5 procent berekend.

Niet minder, maar meer N en P

Waterschappen meten sinds jaar en dag de stikstof- en fosforconcentraties in het oppervlaktewater. Dit gebeurt met grote regelmaat, meestal eens per maand. Welk effect hebben zij gemeten van de bufferstroken en de afbouw van de derogatie? Om hierachter te komen worden de stikstof- en fosformetingen van acht waterschappen met relatief veel landbouwgebied verzameld. Het gaat om: Aa & Maas (NBr), Friesland, Hollands Noorderkwartier (NH), Noorderzijlvest (Gr), Scheldestromen (Z), Vallei & Veluwe (Gld/U), Vechtstromen (Ov) en Zuiderzeeland (Fl). De metingen over de jaren 2021 en 2022 worden vergeleken met de metingen over de jaren 2023  en 2024. Hierbij de kanttekening dat meetwaarden jaarlijks kunnen fluctueren, bijvoorbeeld als gevolg van weersomstandigheden. Echter, wanneer bufferstroken en afbouw derogatie substantieel bijdragen aan de waterkwaliteit, zou dit moeten blijken uit de resultaten.

In de meetresultaten is echter geen afname van de stikstof en fosfor in het oppervlaktewater te bespeuren, er is zelfs sprake van een toename van de gemiddelde concentraties. Zie figuren 1 en 2. Deze uitkomsten liggen in lijn met de metingen van het RIVM. Ook binnen het Meetnet Effecten Mestbeleid is (nog) geen effect gemeten van de bufferstroken en de afbouw van de derogatie. In de jaren 2023 en 2024 is er sprake van een toename van de stikstofconcentraties in het slootwater.

Figuur 1. In 2023 werden bufferstroken verplicht en werd gestart met de afbouw van de derogatie. De stikstofconcentraties in het oppervlaktewater daalden niet.
Figuur 2. De fosforconcentraties in het oppervlaktewater dalen (nog) niet, ondanks ingrijpende maatregelen sinds 2023.

Reactie RIVM

Het vraagstuk wordt voorgelegd aan het RIVM. “De stikstofconcentraties in het slootwater zijn in 2023 en begin 2024 inderdaad gestegen. Het is echter niet mogelijk om hieruit te concluderen dat de bufferstroken of derogatie-afbouw geen effect of zelfs een averechts effect hebben. Deze stijging is namelijk grotendeels te verklaren door de natte periode, in combinatie met de vertragingstijd van het bodem- en watersysteem. Daarnaast verwachten we de impact van bufferstroken en de afbouw van derogatie niet meteen te meten. Door complexe processen in het water- en bodemsysteem kost het vaak 1 tot 5 jaar voordat beleidseffecten daadwerkelijk te zien zijn. Op de korte termijn is de invloed van het weer hoogstwaarschijnlijk groter dan het effect van een nieuwe maatregel zoals bufferstroken.”

Oplossen niet bestaand probleem?

Volgens het RIVM helpen bufferstroken vooral oppervlakkige afspoeling voorkomen. De uitspoeling via het grondwater of drains wordt niet tegenhouden met bufferstroken. Een maatregel tegen afspoeling dus, niet tegen uitspoeling. Maar, is er in de landbouw wel sprake van oppervlakkige afspoeling? Hoeveel bedraagt die eigenlijk?

Beleidstukken en beleidsondersteunend onderzoek spreken consequent over ‘uit- en afspoeling landbouwgronden’. De uit- en afspoeling worden bij elkaar geteld. In oudere rapporten (zoals Alterra-rapport 2638; EmissieRegistratie 2013) gebeurt dat nog niet. Daaruit blijkt dat de afspoeling slechts een fractie (2 procent) bedraagt van de ‘uit- en afspoeling’. Dit is heel weinig en bovendien een verouderd cijfer. Afspoeling – waarbij mest van de akkers afregent de sloot in – is nauwelijks een onderwerp. De voormalige teelt- en bemestingsvrije zones bleken goed te werken. Daar komt bij dat er in de Nederlandse landbouw steeds meer gebruik wordt gemaakt van verfijnde technieken voor de mestaanwending. De verplichte bredere bufferstroken voegen hier vrijwel niks aan toe. Het is dan ook niet aannemelijk dat we hiervan een effect gaan meten op de waterkwaliteit.

Deel via:

Ook Brussel kreeg verwarrende watercijfers over Nederlandse landbouw

De Staf-publicatie van december 2025 leidde tot veel vragen bij waterschappen, provincies en de Tweede Kamer. Het Planbureau voor de Leefomgeving had watervervuiling uit andere bronnen – de achtergrondconcentraties – toegerekend aan de landbouw. Minister Vincent Karremans, waterschappen en provincies stellen dat zij de PBL-cijfers niet gebruiken voor hun beleid. Echter, in de rapportage aan de Europese Commissie vinden we de misleidende watercijfers wel terug.

Het Staf-artikel over het toerekenen van stikstof en fosfor uit onder meer natuurlijke bronnen aan de landbouw, leverde veel vragen op. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bevestigde desgevraagd extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, toe te rekenen aan de landbouw. Doch zonder dit te vermelden. Daardoor ontstond het beeld dat wat aan de landbouw wordt toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

PBL-cijfers niet gebruikt in Nederland

Inmiddels zijn veel vragen over de verwarrende PBL-watercijfers beantwoord. Zonder uitzondering stellen Nederlandse overheden dat de watercijfers van het PBL niet worden gebruikt voor het beleid. Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Vincent Karremans, zegt in zijn Kamerbrief van 12 maart 2026: “Alle waterbeheerders in Nederland (Ministerie IenW, provincies en waterschappen) houden rekening met natuurlijke achtergrondconcentraties. De achtergrondconcentraties worden zowel betrokken bij de afleiding van de doelen, als bij de beoordeling of aan de doelen is voldaan. Hierbij betrekken de waterbeheerders de gebied-specifieke omstandigheden in hun beheergebied.”

Wetterskip Fryslân stelt dat het PBL een andere indeling van bronnen hanteert dan bijvoorbeeld Wageningen UR. Het PBL neemt zowel natuurlijke bronnen (zoals kwel) als antropogene bronnen (zoals bemesting) mee bij ‘landbouw’. Volgens het Wetterskip zou er geen beleid gebaseerd zijn op de watercijfers van het PBL. Het landelijke beleid wordt gebaseerd op de bronnenanalyses van Wageningen UR. Ook het Wetterskip baseert zich op die gegevens. Een vergelijkbare uitleg zien we bij Provincie Groningen en Provincie Limburg, in antwoord op vragen.

Verwarrende watercijfers wel naar Brussel

Volgens toenmalig minister Wiersma zou de landbouw een aandeel hebben van 31 procent in de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied. Dit antwoordde zij in december 2025 op Kamervragen. Het PBL komt echter uit op ruim 50 procent, door de achtergrondconcentratie ook toe te rekenen aan de landbouw. Deze toerekening bleef aanvankelijk onvermeld. Inmiddels heeft het PBL de website aangevuld met een toelichting.

Waterbeheerders beantwoorden de kritiek met sussende woorden: de PBL-cijfers worden niet gebruikt voor het Nederlandse mestbeleid. Echter, de PBL-cijfers zijn wel naar de Europese Commissie gestuurd middels de Nitraatrapportage. Deze rapportage is bepalend voor onder meer het verkrijgen van derogatie. Europa staat het gebruik van meer dierlijke mest alleen toe, als dat niet ten koste gaat van verbetering van de waterkwaliteit. De Europese Commissie kreeg de volgende toelichting bij de cijfers: ‘De grootste bron voor stikstof en fosfor is de uit- en afspoeling (diffuse belasting) vanuit de bodem in de landbouwgronden (50 procent)’. Dat ook de achtergrondconcentraties waren toegerekend aan de landbouwgronden, werd niet bij de grafiek vermeld. Eurocommissaris Jessica Roswell sloeg toenmalig minister Wiersma met deze toelichting om de oren. Volgens Roswell was 50 procent van de stikstof in de Nederlandse wateren afkomstig uit de landbouw. Van het verlenen van derogatie kon geen sprake zijn. Ook hier was het beeld dat wat aan de landbouw is toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

Figuren. De PBL-watercijfers (links) vinden we terug in de Nitraatrapportage voor de Europese Commissie (rechts). In beide grafieken zijn de achtergrondconcentraties toegerekend aan de landbouw.

Deel via:

Nederlandse heide bedroevend, Duitse kerngezond

Aan de Nederlandse kant van de grens ligt de heide er bedroevend bij, aan de Duitse kant is die kerngezond. Dat blijkt uit de natuurdata die Nederland[1] en Duitsland[2] onlangs aanleverden bij de Europese Commissie. Het contrast in natuurkwaliteit kan nauwelijks groter zijn. Stikstof maakt niet het verschil, de berekende stikstofneerslag is aan weerszijden van de grens ongeveer gelijk. Wat doen de Duitsers beter?  

Een jaar of vijf geleden viel het al op: op de kaart van de Europese Commissie kleurt de Nederlandse heide rood en de aangrenzende Duitse heide groen (zie afbeelding). Het gaat in beide gevallen om heide (habitattype 4030) in het Atlantische deel van Europa. Daar valt Nederland onder en ook het aangrenzende noordwesten van Duitsland. Er werden in 2021 Kamervragen over gesteld[3]. Carola Schouten, toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hield het erop dat de Duitse monitoring niet deugde. “Duitsland heeft de lat voor de gunstige referentiewaarden en voor de beoordeling van de kwaliteit lager gelegd dan Nederland en de aanbevelingen van de Europese Commissie.” Volgens Schouten zouden de Duitsers hun rapportage aanpassen, waarna de heidevelden er aan weerzijden van de grens even slecht bij zouden liggen.   

Schouten krijgt nu ongelijk. Onlangs stuurde Duitsland haar nieuwe natuurrapportage naar Brussel. Daaruit blijkt dat de heide in het Atlantische deel van Duitsland wederom de beste natuurscore haalt. Ook Nederland leverde haar zogenaamde artikel 17-databestanden in. In ons land staat de heide er onverminderd slecht op.

Militair beheer Duitsland

Wat verklaart het Duitse succes? Deze keer heeft Duitsland de reden meegestuurd naar Brussel: “Militair gebruik en terreinbeheer hebben overwegend een positieve invloed op de specifieke structuren en functies van dit habitattype.” Duitsland heeft ruim 70 procent van haar militaire oefenterrein – hoofdzakelijk gelegen in heidelandschappen – aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit vanwege de hoge natuurwaarden in deze terreinen. De militaire oefeningen en het bijbehorende terreinbeheer zorgen voor de bodemverstoringen die heide nodig heeft. De open en omgewoelde plekken zijn geliefd bij talrijke dieren en planten. Bedreigde vogelsoorten, zoals de graspieper, de boomleeuwerik, de hop en de nachtzwaluw, evenals insectensoorten zoals de heidesprinkhaan, de zandloopkever en loopkevers, profiteren hier van het speciale beheer. Dat geldt ook voor de zandhagedis en de gladde slang. 

Volgens Duitsland zijn militaire oefenterreinen van grote waarde voor de instandhouding van droge heiden, zandheiden en droge zandgraslanden. Het verdwijnen van militairen uit heideterreinen wordt door onze oosterburen genoemd als een belangrijke risicofactor voor een goede staat van instandhouding.

Defensieterreinen Nederland

Nederland wees vooral terreinen aan van natuurorganisaties als Natura 2000. Er zijn slechts enkele (delen van) defensieterreinen aangewezen, ondanks dat hier ook in ons land hoge natuurwaarden zijn te vinden. De Rijksoverheid schrijft hierover op haar website: “Op Defensieterreinen is veel bijzondere natuur. Bijvoorbeeld kruikmos, valkruid, kleinere broedvogels en de kleine wrattenbijter (een sprinkhaan). Door de bijzondere omstandigheden op oefenterreinen komen deze soorten daar juist voor.”

Verschil in beoordeling kwaliteit

Niet alleen het beheer van de heideterreinen is verschillend, ook de wijze waarop Nederland en Duitsland de heidekwaliteit beoordelen is ongelijk. Nederland kijkt vooral naar het aantal karakteristieke soorten in de heidevelden. Het gaat dan om (bijzondere) soorten planten, insecten, vlinders en vogels. Nederland constateert dat hun aantallen gemiddeld steeds verder afnemen.

Duitsland kijkt op de eerste plaats naar de heide zelf[4]. Alle vier de ontwikkelstadia moeten als een mozaïek te zien zijn in het veld. Een goede kwaliteit toont zich als een lappendeken van de pioniersfase (0-6 jaar: schaarse begroeiing met grote diversiteit aan andere planten), vestigingsfase (7-15 jaar: heide vormt gesloten tapijt, de bloei is op zijn hoogtepunt), volwassenfase (16-25 jaar: heide bereikt maximale hoogte, de veroudering vangt aan), aftakelfase (>25 jaar: de stengels sterven vanuit het midden van de plant af, waardoor ruimte ontstaat voor mossen en korstmossen).

De heide moet volgens de Duitsers voortdurend worden verstoord om >50% van de heideplanten in de eerste drie stadia te behouden. Dat geeft de grootste biodiversiteit. Gebruik door militairen blijkt in de praktijk een goede vorm van beheer te zijn.


[1] https://www.natura2000.nl/rapportage-vogel-en-habitatrichtlijn

[2] Nationaler Bericht nach Art. 17 FFH-Richtlinie (2025), Teil Lebensraumtypen (Teil D). Lrt: 4030: Trockene Heiden, ATL: Atlantische Region.

[3] Eerste Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2020–2021, Wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), Nadere memorie van antwoord, ontvangen 19 februari 2021.

[4] Kriterien für die bewertung des Erhaltungszustandes LRT Trockene europäisische Heiden (4030)

Deel via:

Ulvenhoutse bos: stikstof amper issue, hondenverbod onnodig

Staatsbosbeheer wil honden weren uit het Ulvenhoutse bos (NBr). Vanwege stikstof. Vanaf komende zomer zijn deze viervoeters niet meer toegestaan in een deel van het bos en op den duur wordt het hele bos gesloten voor honden. Merkwaardig is dat stikstof nauwelijks een rol speelt in dit bos. Dat rapporteerden de Nederlandse autoriteiten aan Brussel. Het bosbeheer is een groter punt van zorg. 

Op een zonnige dag in februari brengt de Staf-redactie een bezoek aan het Ulvenhoutse bos. Dit N2000-gebied ligt tussen Breda en Ulvenhout. De auto kan midden in het bos worden geparkeerd, in habitattype H9120 (beuken-eikenbossen met hulst). “Maar niet lang meer”, zegt een wandelaar met hond. “Honden worden hier straks geweerd, en auto’s ook.”

Volgens Staatsbosbeheer lijdt de kwetsbare natuur hier aan een teveel aan stikstof. Het gebied wordt door veehouderijen en omliggende snelwegen al zwaar belast. Daar kan geen stikstof uit hondenpoep en urine meer bij. Volgens Staatsbosbeheer, de beheerder van het bos, is de impact van hondenpoep en -plas fors. Het zou jaarlijks gaan om zo’n 14.000 kilo poep (ruim 230 kruiwagens) en 25.000 liter plas.

‘Stikstof lage drukfactor’

De grootste bedreigingen van het bos zijn volgens Staatsbosbeheer, naast stikstof, ook verdroging. Ook recreatie is een belangrijke factor. De rapportage over dit bosgebied die Nederland naar de Europese Commissie stuurde, geeft een wat ander verhaal.

De lidstaten zijn verplicht om periodiek verslag te doen aan de Europese Commissie over de stand van zaken in de individuele Natura 2000 gebieden. Daarbij moet onder meer worden aangegeven wat de grootste bedreigingen en drukfactoren. De Nederlandse rapportages zijn opgesteld door wetenschappers van Wageningen UR en enkel verkrijgbaar bij de Europese Commissie.

De rapportage over het Ulvenhoutse bos vermeldt dat stikstof een ‘lage’ drukfactor vormt. En dus geen ‘grote’, zoals Staatsbosbeheer de hondenbezitters wil laten geloven. De wijze waarop het bos wordt beheerd – ‘forest replanting’ – is een grotere zorg. Wat er precies wordt bedoeld met ‘forest replanting’ – gebrek aan aanplant of verkeerde aanplant – vermeldt de Brusselse rapportage niet.

Ook de waterwinningen zijn een ‘medium’ drukfactor. Er liggen drie drinkwaterwinningen in de buurt van het Ulvenhoutse Bos: Ginneken, Prinsenbosch en Dorst. Deze zorgen voor een daling van de waterstanden van 10 tot ruim 25 cm.

Reactie Staatsbosbeheer

Waarom is stikstof volgens Staatsbosbeheer een groot probleem, terwijl Wageningse onderzoekers aan Brussel rapporteerden dat stikstof weinig rol van betekenis speelt? En wat gaat er mis met het bosbeheer?

Volgens de woordvoerder van Staatsbosbeheer is de stikstofneerslag volgens Aerius Monitor veel hoger dan wat het bos aankan. “Daardoor hebben de planten in het bos het moeilijk. In het gebiedsproces zijn daarom alle stikstofbronnen in beeld gebracht om te onderzoeken in welke mate lokale maatregelen kunnen helpen om de belasting terug te dringen.” (Het Aerius-rekenmodel is ongeschikt voor gebruik op lokale schaal. De onzekerheden zijn te groot, red.)

De bosbeheerder is ook aan de slag gegaan met de verdroging van het bos. “We namen de afgelopen jaren al veel maatregelen om de waterhuishouding te herstellen. Die is nu grotendeels op orde. Gelukkig zien we voorzichtige vooruitgang door de beheermaatregelen die we treffen.”

Over wat er mis gaat met het beheer kan Staatsbosbeheer niks zeggen. De natuurbeheerder kent de rapportage aan de Europese Commissie niet en raadt aan contact op te nemen met de opsteller.

Extra grond voor extra bos

Staatsbosbeheer en Provincie Noord-Brabant hebben plannen met het Ulvenhoutse bos. “Onze ambitie is dat er een groot losloopgebied terugkomt, buiten het beschermde Natura2000-gebied. Een belangrijk onderdeel van het gebiedsplan is namelijk de aanleg van nieuwe groene gebieden aan de randen van het bos. Deze gebieden dienen als buffer voor de kwetsbare natuur in het bos. Daarmee ontstaat ruimte voor een nieuw hondenlosloopgebied.”

Ook in het N2000-gebied blijven honden welkom. “Je kunt straks nog steeds met je hond een mooie grote ronde wandelen. Alleen dan wel aangelijnd en de poep moet je opruimen. Tevens blijft er een klein deel van het bos beschikbaar als losloopgebied.”

Deel via:

UPLG-avond in Wilnis: focus op water en memorandum Bakker

De avond van LTO Noord over het UPLG in Wilnis op 28 januari 2026 was druk bezocht. Tijdens deze avond was er veel aandacht voor de waterkwaliteit en het zojuist verschenen memorandum van de Utrechtse gedeputeerde Bakker over dit onderwerp. Staf is gevraagd een presentatie te verzorgen. Deze is hieronder te downloaden.

Goed nieuws

Het UPLG heeft een forse wateropgave neergelegd in Noordwest-Utrecht. Vooral de fosfornormen worden niet gehaald. Omdat er gebruik is gemaakt van de gegevens in 2024, ligt hier de oude bronnenanalyse onder. In een bronnenanalyse staat welke bron welk aandeel heeft in de vervuiling. Volgens de oude analyse heeft de landbouw een flink aandeel. Medio 2025 verscheen een nieuwe bronnenanalyse, waaruit blijkt dat de achtergrondconcentratie (waar de landbouw niks aan kan doen) hoger is dan gedacht. En het aandeel nutriënten dat uit de landbouw komt, lager. Er zijn complimenten voor waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor het laten uitvoeren van de bronnenanalyse. Een bestuurder van dit schap bevestigt dat onder het UPLG de oude gegevens liggen. Provincie Utrecht heeft inmiddels bevestigd dat het aandeel van de landbouw in dit gebied klein is.

Wanneer de achtergrondconcentratie hoger is dan verwacht, zouden de normen echter opnieuw afgeleid moeten worden. Mogelijk leidt een hoge achtergrondconcentratie ertoe dat normen onhaalbaar zijn. Het waterschap in provincie Flevoland – waar hetzelfde aan de hand is – is momenteel druk doende de normen opnieuw vast te stellen. Gebeurt dat ook bij Amstel, Gooi en Vecht? De bestuurder van dit schap antwoordt dat het ook hier op de agenda staat.

Memorandum gedeputeerde Has Bakker

De Utrechtse gedeputeerde Has Bakker kwam op 26 januari 2026 met een memorandum. Daarin gaat hij in op kritiek op het UPLG. Ook op 15 januari kwam de provincie al met een memorandum, waarin ingegaan werd op kritiek. Deze tussentijdse reacties op kritiek zijn merkwaardig aangezien er momenteel een zienswijzeprocedure loopt waarin de provincie de kritieken verzameld. Bakker stelt in zijn memorandum dat het halen van de KRW-doelen vraagt om extra inzet op meerdere terreinen. Hij gaat daarmee voorbij aan de nieuwe bronnenanalyse en de daaraan gekoppelde mogelijkheid om normen te herijken. Ook geeft hij hiermee blijk van het niet willen afwachten van de zienswijzen. De bestuurder van Amstel, Gooi en Vecht wil weinig kwijt over de inhoud van de zienswijze die het waterschap voornemens is in te dienen.

Bakker stelt in zijn memorandum vervolgens dat een oppervlaktewater volgens de Nitraatrichtlijn op ‘groen’ kan staan en volgens de Kaderrichtlijn Water op ‘rood’. Dat klopt, maar daarmee gaat Bakker voorbij aan de kritiek op het UPLG. De kritiek is dat de nutriëntenbeoordelingen (stikstof en fosfor) voor beken aan de oostzijde van Utrecht in Brussel op ‘groen’ staan terwijl deze beken ‘rood’ scoren op nutriënten in het UPLG. Het gaat enkel om de beoordeling van nutriënten; dat is relevant voor de landbouw.

Natuurkwaliteit en stikstof

Nederland levert periodiek gegevens aan in Brussel over de individuele natuurgebieden. Het gaat ook om gegevens over de mate van instandhouding. Wat opvalt is dat deze rapportages een gunstigere trend laten zien van de Utrechtse natuurgebieden, dan het veelgehoorde ‘de natuur staat op omvallen’. Aan de Europese Commissie is gevraagd of de trend (verbetering, stabiel, verslechtering) kan worden afgeleid uit deze rapportages. Volgens de woordvoerder van de Commissie kan dat. Wel moet gecheckt worden of er mogelijk andere oorzaken zijn van veranderingen, zoals: een betere telling of verandering van onderzoeksmethode.

De EU-trends in Utrechtse natuurgebieden werden eerder getoond tijdens een bijeenkomst in Vianen. Provincie Utrecht heeft daarop laten weten niet blij te zijn met de rapportages aan Brussel. “Het is kwalijk dat het Rijk verouderde gegevens heeft aangeleverd.” De provinciale natuurdoelanalyses zijn er niet in meegenomen.

Download de presentatie

Deel via: