Ferme uitspraken in persbericht Universiteit Twente over intensieve veehouderij en zoönosen niet te linken aan een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing

Op 8 januari bracht Universiteit Twente een persbericht uit met als titel: Meer risico op zoönose in Nederland dan we denken. In het persbericht luiden wetenschappers van de vakgroep Psychologie van Risico, Conflict en Veiligheid van de universiteit de noodklok; Nederlanders zouden zich niet voldoende bewust zijn van het risico op het ontstaan van zoönosen vanuit de intensieve veehouderij. Bij navraag van STAF bleek het onderliggende onderzoek niet gepubliceerd en is er zelfs nog geen artikel geschreven. Dit betekent, dat de aanpak en kwaliteit van het werk niet beoordeeld en goedgekeurd is door onafhankelijke referenten. Bovendien was de universiteit pas na lang doorvragen bereid beschikbare achterliggende informatie vrij te geven.

Professor Toonen, betrokken decaan van de Universiteit Twente, vindt het niet bezwaarlijk, dat het persbericht niet transparant is en de wetenschappelijke onderbouwing niet toegankelijk. Naar zijn idee kan een persbericht van een universiteit prima een mening zijn en gekleurd van karakter. Dit tegen de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit in, die duidelijke richtlijnen geeft voor communicatie aan het algemene publiek.

Onderbouwing volstrekt onvoldoende

In het persbericht stelt de universiteit dat een grote groep Nederlanders is ondervraagd. Uit de na lang aandringen vrijgegeven informatie blijkt dit te gaan om een zeer kleine en ook nog eens niet representatieve groep van 122 mensen, in hoofdzaak vrouwen en jongeren. Het ‘gegeven’ dat zoönosen vooral gerelateerd moeten worden aan de intensieve veehouderij, ook in Nederland, komt van andere deskundige wetenschappers, aldus de onderzoekers. Een deugdelijke onderbouwing van dit verband wordt niet aangeleverd, er wordt verwezen naar een vogelpestuitbraak in Thailand in 2004. Verder wordt biologische veehouderij zonder nadere onderbouwing als positief naar voren gebracht met betrekking tot zoönosen, terwijl uit de literatuur blijkt dat daar de risico’s juist groter zijn dan in de gangbare veehouderij. STAF is daarmee van mening, dat een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing van de conclusies in het persbericht ontbreekt. Op grond waarvan de onderzoekers de noodklok menen te moeten luiden, is dan ook volstrekt onduidelijk.  

STAF wil dat de Universiteit Twente het algemene publiek alsnog correct informeert

STAF is van mening dat de Universiteit Twente het algemene publiek op het verkeerde been heeft gezet. Omdat het een persbericht betreft van een universiteit wordt de suggestie gewekt, dat de conclusies zijn gebaseerd op deugdelijk en gepubliceerd onderzoek. Daarvan is geen sprake. In tegendeel. Het persbericht kent eerder een activistisch karakter. Saillant detail, is dat de in het persbericht genoemde onderzoeker (dr. Marielle Stel) voor de gemeente Hengelo actief lid is van de Partij voor de Dieren en die partij al enige tijd – op weg naar de verkiezingen – actief in de media optreedt over intensieve veehouderij en zoönosen. STAF verzoekt de Universiteit het persbericht aan te passen en het algemene publiek op een correcte wijze te informeren. Mocht de universiteit hier geen gehoor aan geven, dan overweegt STAF een klacht in te dienen bij de VSNU, de handhaver van de integriteitscode voor universiteiten.

Foto bij dit bericht: Shutterstock, Kristof Lauwers.

Deel via:

LNV legt aardappeltelers maatregelen op, waarvan effectiviteit niet is bewezen

Het ministerie van Landbouw legt akkerbouwers drie maatregelen op, waaruit zij een keuze moeten maken, zonder dat de effectiviteit van die maatregelen is bewezen. Het gaat om maatregelen die moeten voorkomen dat meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen van aardappelruggen afspoelen naar het slootwater, door een regenbui.  

Op 29 december 2020 publiceerde het ministerie van Landbouw het wijzigingsbesluit voor het gebruik van meststoffen. Aanleiding is het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn, dat moet voorkómen dat er met een flinke regenbui meststof en gewasbeschermingsmiddel wegspoelt naar het oppervlaktewater. Voor aardappeltelers geldt sinds 2021 de volgende wetgeving:   

“…Indien een perceel bouwland gelegen op klei- of lössgrond dat grenst aan een watergang wordt gebruikt voor een ruggenteelt gaat dit gepaard met één of meer van onderstaande maatregelen:

a. er zijn drempels tussen de ruggen van minimaal 5 centimeter hoog, op gelijke afstand van ten hoogste 2 meter van elkaar over het gehele perceel aangebracht, uitgezonderd de tijdelijke situatie dat de afwezigheid van drempels wordt gerechtvaardigd door dreigende gewasschade vanwege extreme weersomstandigheden;

b. er zijn greppels aangebracht die in niet-extreme weersomstandigheden het water tegenhouden van het gehele perceel en bij deze omstandigheden niet op een watergang afwateren; of

c. langs de watergang grenzend aan het desbetreffende perceel is een onbeteelde en onbemeste zone aangelegd van minimaal 3 meter breed….”

Effectiviteit maatregelen niet bewezen

De maatregelen die het ministerie heeft voorgeschreven, komen van de zogenaamde BOOT-lijst (BOOT staat voor Bestuurlijk Overleg Open Teelten) van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Wageningen Plant Research, Louis Bolk Instituut, Nutriënten Management Instituut, Wageningen Environmental Research en Deltares onderzochten de effectiviteit van de maatregelen op de BOOT-lijst. Daaruit blijkt dat de effectiviteit van het keuzemenu dat de overheid nu bij wet oplegt aan aardappeltelers, niet bewezen is. Het aanleggen van drempels tussen aardappelruggen (optie a) is alleen onderzocht voor hellende, erosiegevoelige gebieden. Voor andere gebieden, zoals klei, is het effect niet bekend. Optie 2, het aanleggen van greppels (natte bufferstroken) is alleen onderzocht op een locatie in Noord-Brabant en een locatie in Overijssel. Het effect is locatie-specifiek, voor de meeste gebieden is niet bekend wat de maatregel kan opleveren. En de effectiviteit van optie c (droge bufferstrook) hangt af van een reeks van omstandigheden en als de gebruiksnormen gelijk blijven, dan is het effect minimaal voor nitraat en voor fosfaat is het effect meestal zeer klein.

Kwestie voorgelegd aan LNV

STAF heeft deze kwestie op 11 januari onder de aandacht gebracht van het ministerie van LNV. Met de vraag waarom het ministerie kiest voor maatregelen waarvan de effectiviteit niet vaststaat. Ondanks herhaald verzoek, is tot nu toe geen antwoord ontvangen van het ministerie van LNV.

(Foto: Shutterstock).

Deel via:

10 tekortkomingen in het Nederlandse stikstofbeleid

1. Het stikstofbeleid stuurt op een middel (rekenmodel Aerius) in plaats van op het doel: goede staat van instandhouding van de natuur.

2. De overheid heeft niet onderzocht of de investering van 5 miljard euro voor stikstofmaatregelen leidt tot een verbetering van de natuurkwaliteit. Het is goed denkbaar dat deze investering niet leidt tot een betere natuurkwaliteit.

3. De natuurwetgeving in Nederland is zodanig complex gemaakt, dat de overheid al jaren niet in staat blijkt te zorgen voor een deugdelijk juridisch kader. Bedrijven worden daar keer op keer de dupe van, doordat wetgeving en vergunningen juridisch niet houdbaar blijken. 

4. Stikstofmodel Aerius is nooit gevalideerd met metingen in de praktijk over de neerslag (depositie) van stikstof op natuurgebieden. Dit heeft als gevolg dat de onzekerheden groot zijn, en het model voortdurend wordt bijgesteld. Met telkens andere uitkomsten als gevolg.

5. De Commissie Meten en Berekenen Stikstof oordeelde in juni 2020 dat rekenmodel Aerius niet doelgeschikt is voor het stikstofbeleid. Aerius rekent op hexagoon-niveau, dat geeft onzekerheden die zodanig groot zijn, dat de uitkomsten per definitie onbetrouwbaar zijn.

6. Doordat Aerius ongeschikt is voor berekeningen op hexagoon-niveau, zijn de effecten van maatregelen die hier tóch gebruik van maken, onbetrouwbaar. Het gaat dan met name om de vergunningverlening en extern salderen.  

7. Het stikstofbeleid is niet controleerbaar. De natuurkaarten waar het stikstofbeleid mee werkt, zijn niet inzichtelijk. De onderbouwing van de natuurmonitoring (natuurkwaliteit) is niet beschikbaar en derhalve niet controleerbaar. Met name provincies laten hier steken vallen. 

8. De Kritische Depositie Waarden die toegekend zijn aan habitats, staan al decennia ter discussie. Maar worden door de overheid steeds buiten reviews van onderzoekscommissies gehouden.

9. De stikstofdoelen die Nederland stelt aan natuurgebieden, zijn voor een derde van de gebieden per definitie niet haalbaar. Ook bij een leeg Nederland worden deze doelen nog niet gehaald. Een overheid mag geen onhaalbare doelen stellen.

10. Europa onderscheidt 14 factoren die de staat van de natuur kunnen aantasten: landbouw, mensen/toeristen, waterwinning, natuurlijke processen, ziekten en plagen, etc. Nederland kent geen gewicht toe aan de invloed van de individuele factoren op de verschillende gebieden. Daardoor is onbekend hoe groot de rol van stikstof is in het hele palet van factoren.

Foto: Herstellende hoogvenen en actief hoogveen in Korenburgerveen (Gld).

.

Deel via:

STAF start onderzoek naar relatie uitkomsten stikstofrekenmodel en natuurkwaliteit

Het doel van het Europese natuurbeleid is een goede staat van instandhouding. In Nederland voert, zoals we allemaal weten, stikstof de boventoon. De overheid voert haar natuurbeleid in belangrijke mate op de uitkomsten van stikstofmodel Aerius. Maar halen we hiermee wel de instandhoudingsdoelen? En hoe werken vergelijkbare buitenlandse regio’s als Nederland aan de instandhoudingsdoelstellingen? Vragen die STAF de komende tijd geïntegreerd wil beantwoorden. Aan het onderzoek werken interne en externe onderzoekers mee.

Nederland stelde in december nieuwe natuurdoelen vast: In 2025 moet de stikstofdepositie in 40 procent van de natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde liggen. In 2030 moet dat in 50 procent van de natuurgebieden zo zijn. Een opmerkelijke doelstelling, aangezien deze theoretische berekeningen los lijken te staan van de werkelijke natuurkwaliteit. Het onderzoek Stikstof & Natuurkwaliteit behelst drie vragen.

Onderzoeksvragen

  1. Wat is de kritische depositiewaarde voor stikstof voor stikstofgevoelige habitats, onder Nederlandse praktijkomstandigheden? En is die KDW per habitattype voor alle gebieden gelijk, of verschilt die van gebied tot gebied?
  2. In hoeverre geven de uitkomsten van de Aerius-berekeningen een juist beeld van de werkelijke staat van instandhouding van de natuur? M.a.w. is Aerius een geschikt instrument om mee te sturen op de Europese instandhoudingsdoelstellingen?
  3. Welke maatschappelijke kosten moeten worden gemaakt, voor welke baten t.a.v. de instandhoudingsdoelstellingen?

De eerste bevindingen zijn te lezen in de nieuwsbrief Onderzoek Stikstof & Natuurkwaliteit, december 2020.

Foto: Natura 2000 gebied Korenburgerveen (hoogveen) in Gelderland.

Deel via:

Albert Heijn gaat foute namen vega-producten aanpassen

Albert Heijn zegt toe de benamingen ‘plantaardige kaas’ en ‘havermelk’ uit haar communicatie te verwijderen. Het is namelijk wettelijk niet toegestaan om vega-producten waarin geen zuivel is verwerkt, te duiden als ‘kaas’ of ‘melk’. STAF attendeerde de grootgrutter hierop.

Fabrikanten van vega-producten geven hun product nogal eens de naam van een dierlijke tegenhanger. STAF zocht uit welke namen wel en niet mogen voor vega-producten. Het gebruik van zuivelnamen voor vega-producten is verboden. De benamingen room, kaas, yoghurt en boter zijn exclusief voor producten waarin zuivel is verwerkt. Vleesnamen mogen doorgaans wel gegeven worden aan vega-producten, het is echter mogelijk om dit via nationale wetgeving te verbieden. Dat is bijvoorbeeld in Frankrijk het geval.

Albert Heijn laat in antwoord op de brief van STAF het volgende weten: “Wij hebben de noemer ‘plantaardige kaas’ inmiddels aangepast. Ook het gebruik van ‘havermelk’ in plaats van haverdrink is uiteraard niet de bedoeling. Ook deze term op de betreffende Allerhande pagina zal worden aangepast naar ‘haverdrink’.”

STAF sprak in de afgelopen weken meer fabrikanten van vega-producten aan op het gebruik van zuivelnamen voor hun product.

Bronnen

De regelgeving voor productnamen is te vinden in het Warenwetbesluit Zuivel BWBR0006982 (wetten.overheid.nl/BWBR0006982/2016-12-22). De uitspraak van het Europese Hof van Justitie over de naamgeving (2017) is hier na te lezen: eurowet.nl/nieuws/zuivelbenamingen-mogen-niet-op-plantaardige-producten-staan.html

Deel via:

Boeren verbijsterd: ‘ons land blijkt ingetekend als stikstofgevoelige natuur’

Deze week bracht STAF naar buiten dat sinds 1 september 2017 in totaal zo’n 80.000 ha stikstofgevoelige natuur werd toegevoegd in Aerius. Dit gebeurde buiten het zicht van belanghebbenden. Verschillende boeren checkten voor de zekerheid de habitatkaart in Aerius en zagen soms tot hun verbijstering dat het eigen land is ingekleurd als ‘stikstofgevoelige natuur’.

Zowel bij STAF als bij Stikstofclaim komen sinds de publicatie mails en telefoontjes binnen van boeren die zagen dat hun eigen land in Aerius is ingetekend als ‘stikstofgevoelige natuur’. Het gaat om boeren met landerijen in Vogelrichtlijngebieden, zoals in de uiterwaarden en in gebieden met een ‘weidevogelpakket’. Doordat de eigen landerijen zijn ingetekend als stikstofgevoelig, zijn sommige boerderijen opeens piekbelaster geworden voor de stikstofregelgeving. Alle boeren meldden dat het bijtekenen van stikstofgevoelige natuur op hun grond, buiten hun medeweten is gebeurd.

Gevoelige natuur schuift op naar bedrijven

Verder is een aantal berichten binnengekomen van boeren die hebben gezien dat veel stikstofgevoelige hexagonen zijn ingetekend in Aerius, vlakbij hun bedrijf. Omdat de afstand tussen stikstofgevoelige natuur en bedrijf hierdoor kleiner is geworden, neemt de impact van de stikstofregelgeving voor deze bedrijven toe. Ook hier zijn piekbelasters ontstaan. Alle boeren geven aan door niemand op de hoogte te zijn gebracht van het ‘bijplussen’ van stikstofgevoelige natuur nabij hun bedrijf.

Deel via:

IPO en Provincie Gelderland draaien om hete stikstofbrij heen

Vandaag kwam het Interprovinciaal Overleg (IPO) met een reactie op de STAF-analyse ‘Veel stikstofgevoelige natuur bijgetekend in rekenmodel Aerius‘. Volgens IPO wordt er geen stikstofgevoelig habitat ‘bijgeplust’ maar gaat het om ‘aanpassingen’.

Feit is dat tussen 2017 en 2020 in totaal 80.000 hectare stikstofgevoelige natuur is toegevoegd aan de habitatkaart in Aerius. Volgens het IPO is er juist sprake van een afname, het IPO beschouwt dan ook niet de afgelopen vijf jaar, zoals STAF. Maar kiest slechts één jaar. Terwijl ook in dit jaar duizenden hectares stikstofgevoelige natuur werden bijgetekend in de provincie Gelderland.

Het bijtekenen van zoveel stikstofgevoelige natuur heeft direct consequenties voor belanghebbenden. Ook Provincie Gelderland kwam met een reactie. IPO en Provincie Gelderland gaan voorbij aan het punt dat STAF maakt. Nog steeds zijn er geen stukken overlegd aan STAF, waaruit blijkt dat er sprake is van een democratische procedure, met inspraak voor belanghebbenden.

Verder is er wel degelijk sprake van het aanwijzen van nieuwe stikstofgevoelige gebieden. En wel zoveel hectares, waardoor het areaal stikstofgevoelige natuur in vijf jaar tijd bijna verdubbelde. De Provincie Gelderland heeft tot nu toe geen stuk kunnen overleggen waaruit een impactanalyse blijkt voor de omgeving. Ook werd nog geen stuk overlegd waaruit een democratische besluitvorming blijkt, met inspraakmogelijkheid voor belanghebbenden.

Lees hier de reactie van IPO.

Deel via:

Jan Cees Vogelaar legt adviseursrol STAF neer

Jan Cees Vogelaar heeft vanavond zijn adviseursrol bij STAF neergelegd. Dit nadat bekend is geworden dat hij plek 9 heeft gekregen op de kieslijst van Forum voor Democratie, voor de Tweede Kamerverkiezingen 2021. Zijn verklaring kunt u hieronder downloaden.

Voorzitter Jaap Haanstra spreekt van een aderlating. Vogelaar is een van de initiatiefnemers van STAF en zijn bijdrage aan de realisatie van deze organisatie is groot. Namens het voltallige team wenst hij Vogelaar alle succes toe in de aanloop naar de verkiezingen en daarna wellicht in de Tweede Kamer.

Deel via:

Minister Schouten blijft stikstofbeleid ophangen aan één rekenmodel

Gebruik meer modellen naast elkaar, in plaats van één model. Het stikstofbeleid is te complex en de onzekerheden in de individuele modellen zijn te groot, om het beleid op te hangen aan één model.’ Dit is samengevat een belangrijk advies van de Adviescommissie Meten en Berekenen Stikstof (Commissie Hordijk, juni 2020). Deze Adviescommissie toetste in opdracht van minister Schouten het stikstofmodel, waarop Nederland haar stikstofbeleid baseert. Gisteren presenteerde minister Schouten de uitwerking van de stikstofmaatregelen van het kabinet, waarbij alle doorrekeningen wederom plaatsvonden met één model: Aerius (OPS).

Het Europese stikstofbeleid wordt gebaseerd op een combinatie van de modellen Lotos-Euros en Emep. Schouten kreeg van de Commissie Hordijk het advies haar beleid ook met deze modellen door te rekenen. De maatregelen tot 2030 blijken echter uitsluitend te zijn doorgerekend met Aerius/OPS, een model dat alleen in Nederland wordt gebruikt.

Ander model, andere uitkomsten

Alle stikstofmodellen kennen relatief grote onzekerheden. En ieder model heeft zijn eigen sterke, maar ook zwakke punten. Door meerdere modellen naast elkaar te gebruiken, komen de onzekerheden in beeld en kunnen de effecten van stikstofmaatregelen beter worden voorspeld. Ter vergelijking: voor het voorspellen van het weer worden meerdere modellen tegelijkertijd gebruikt. Het ene model is bijvoorbeeld goed in het voorspellen van regen, het andere model in het voorspellen van de temperatuur.

STAF heeft al meermalen aan het ministerie van Landbouw gevraagd of de beleidsmaatregelen ook doorgerekend gaan worden met het Europese beleidsmodel (Lotos-Euros / Emep), zoals de Commissie Hordijk adviseert. Een antwoord blijft tot nu toe uit.

Om te laten zien tot welke verschillen individuele modellen leiden, heeft STAF een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van Aerius/OPS (Nederland) en Lotos-Euros/Emep (Europees beleidsmodel). Met dank aan TNO voor het aanreiken van gegevens. Wanneer LNV enkel het Europese model Lotos-Euros/Emep zou gebruiken, dan is de doelstelling voor 2030 voor de landbouw al behaald.

Deel via:

STAF-organisatie versterkt met vier nieuwe mensen

Mr. Gerard Snijders is afgelopen zomer toegetreden tot de Wetenschappelijke Raad van Advies van STAF. Snijders is oud-advocaat in Utrecht en oud-hoogleraar Agrarisch recht aan Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij vormt nu samen met dr. Aalt Dijkhuizen de Wetenschappelijke Raad van Advies van STAF.

Het bestuur van STAF werd afgelopen zomer versterkt met Wim Blijdorp, akkerbouwer in Middenmeer; Tom van der Meer, fruitteler en akkerbouwer in Kapelle en Hans Puttenstein, melkveehouder en roodbontfokker in Kamperveen. STAF streeft naar een evenredige vertegenwoordiging over sectoren en over het land. Later dit jaar zal nog een nieuw bestuurslid toetreden.

Mr. Gerard Snijders, Wetenschappelijke Raad van Advies.
Het bestuur van STAF, met v.l.n.r. Wim Blijdorp, Hans Puttenstein, Leonie Bosch-Chapel, Tom van der Meer en Jaap Haanstra.

Studies door externe onderzoekers

Dit jaar heeft STAF budget beschikbaar gesteld voor meerdere externe studies van onafhankelijke onderzoeksjournalisten en wetenschappers. Onderzoek vindt momenteel plaats op de volgende thema’s: omvang en herkomst groene geldstromen; wetenschappelijke onderbouwing van de kritische depositiewaarden onder het stikstofbeleid; herkomst vervuiling in grond- en oppervlaktewater; green deal.

Onderzoeker dr. Piet van der Aar en onderzoeksjournalist Geesje Rotgers vormen het vaste onderzoeksteam van STAF.

Deel via: