Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten

Om kwetsbare soorten flora en fauna voldoende leefgebied te kunnen bieden, is 450.000 – 850.000 hectare extra grond nodig. Dat blijkt uit het concept-Natuurplan, dat in handen kwam van Staf. Ambtenaren leggen momenteel de laatste hand aan het Natuurplan, dat wordt opgesteld om invulling te geven aan de Europese Natuurherstelverordening. Dit Natuurplan gaat verder dan wat Europa vraagt. 

Het concept-Natuurplan dat Staf in handen kreeg, is opgesteld door ambtenaren van de ministeries LVVN (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), VRO (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), IenW (Infrastructuur en Waterstaat), EZK (Economische Zaken en Klimaat) en Defensie. Uit dit document blijkt dat Nederland kiest voor ambitieus natuurherstel boven het Europese minimum.

Onderbouwing niet beschikbaar

Volgens het concept-Natuurplan is de staat van de Nederlandse natuur voor het overgrote deel slecht. Bovendien is er ook nog eens sprake van een verder verslechterende trend. Verwezen wordt naar de recente natuurrapportage (een reeks databestanden), die Nederland naar Brussel zond. Staf wil weten hoe deze dramatische rapportage tot stand is gekomen. De gebruikte natuurdata blijken echter niet beschikbaar, ook de gehanteerde beoordelingsmeetlat niet. Al wordt toegezegd dat deze laatste wel online zal komen. Uit de databestanden blijkt dat Nederland inzet op de aanwezigheid van veel zeldzame soorten in de natuurgebieden. Ondanks dat Brussel dit niet vraagt. (Zie artikel: Nederland meldt forse verslechtering natuur aan Brussel; onderbouwing niet beschikbaar).

Veel meer leefruimte nodig

Wat opvalt, is dat het Natuurplan in hoge mate inzet op de werving van gronden voor het huisvesten van talrijke soorten. “Nederland moet voor alle Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR) voldoende leefgebied realiseren. Deze opgave zal een aanzienlijk oppervlak beslaan. Eerdere inschattingen van de benodigde ruimte om alle soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen, komen uit op zo’n 450.000 – 850.000 hectare.” In de voetnoot wordt verwezen naar de NPLG Quickscan. Deze becijferde enkele jaren geleden dat er zo’n 700.000 hectare aan extra natuur nodig is om de Natura 2000-doelen te halen.

Waar moeten al die hectares vandaan komen? Enerzijds denken de opstellers van het concept-Natuurplan aan bufferzones om N2000-gebieden, anderzijds om pakketten natuurbeheer op landbouwgronden, bijvoorbeeld voor weide- en akkervogels, en vlinders en insecten.

Ook in het stedelijke groen moet worden geïnvesteerd. “Voor de invulling van artikel 8 vraagt de Europese Commissie aan lidstaten stedelijke ecosystemen aan te wijzen.” Gemeenten met minder dan 45% groene ruimte en minder dan 10% boomkroonbedekking krijgen een opgave om de groenvoorziening in / om het stedelijke gebied uit te breiden. Mogelijk wordt ook hiervoor landbouwgrond rond steden ingezet.

Zwaarder juridisch regime op NNN-natuur

Habitattypen liggen niet meer alleen in N2000-gebieden, maar voortaan ook in NNN-gebieden. “Het huidige regime op NNN-gebieden biedt onvoldoende basis voor het voorkomen van significante verslechtering van habitattypen en bescherming van gerealiseerd herstel”, aldus het concept-Natuurplan. “In de Omgevingswet wordt een grondslag opgenomen voor het stellen van regels aan activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor habitattypen en leefgebieden gelegen in de NNN.” Dit betekent dat voor NNN-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen dezelfde regels gaan gelden als voor N2000-gebieden.

In de zomer van 2024 nam de Raad van de Europese Unie de Natuurherstelverordening aan. Waar aanvankelijk werd gesproken over een verbod op de achteruitgang van natuurkwaliteit, koos Europa uiteindelijk voor een inspanningsverplichting: lidstaten moeten zich inspannen om verdere achteruitgang te voorkomen en herstel te realiseren. Opvallend is dat het Nederlandse concept-Natuurplan niet spreekt van inspanningsverplichtingen, maar uitgaat van resultaatverplichtingen. Er komen concrete doelen voor allerhande soorten: weide- en akkervogels, wilde bijen en zweefvliegen, dag- en nachtvlinders. Dit kan grote juridische gevolgen krijgen wanneer doelen niet snel genoeg worden gehaald.

Energieprojecten ontzien

Artikel 6 van het Natuurherstelplan biedt lidstaten de mogelijkheid projecten uit te zonderen van allerlei toetsingen. Het concept-Natuurplan wil projecten voor hernieuwbare energie uitsluiten van de toetsing waarbij gekeken wordt of er minder schadelijke alternatieven zijn. Volgens de opstellers van het plan hebben energieprojecten een beperkt effect op de kwetsbare soorten.

Groot beslag op landbouwgrond

Het huidige landbouwareaal, inclusief landschapselementen, bedraagt zo’n 1.845.000 hectare. Voor het halen van de natuurdoelen is daarvan minimaal een kwart nodig voor het huisvesten van soorten. Nederland is daarmee een stuk ambitieuzer dan andere lidstaten. Volgens de internationale afspraak zou 30% van de land- en binnenwateren beschermde natuur moeten worden. (Na realisatie van het NNN in 2027 zit Nederland al op zo’n 26%). Nederland torent met haar ambities in het concept-Natuurplan ver boven die 30% uit en stevent af op naar schatting 40%. Daarbij komt dat lidstaten in hun natuurherstelplannen rekening mogen houden met land- en regiospecifieke elementen, zoals bevolkingsdichtheid. Het concept-Natuurplan doet dit niet.

Het Natuurplan wordt een verplicht programma onder de Omgevingswet. Lidstaten moeten hun Natuurherstelplan uiterlijk 1 september 2027 indienen bij de Europese Commissie. De opstellers van het concept-Natuurplan willen de 20 miljard euro van het Stikstoffonds gebruiken voor de uitvoering.

Deel via:

NDA Haaksbergerveen neemt onderzoeken Staatsbosbeheer niet mee

Ecologisch Onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga deed meerdere keren natuuronderzoek in het Natura 2000-gebied Haaksbergerveen. Vreemd genoeg is dit niet terug te vinden in de Natuurdoelanalyse (NDA) van provincie Overijssel. Deze baseert zich voor een groot deel op onderzoek van Roland Bobbink van B-WARE, met zware nadruk op stikstof. Maar ook volgens de Ecologische Autoriteit mankeert er veel aan de NDA.

Door René Luijmes

Het Haaksbergerveen is een van de best herstellende hoogveenrestanten van Nederland’, zo meldt Staatsbosbeheer op haar website. ‘Dankzij een uitgekiend waterhuishoudingssysteem krijgt het hoogveen de kans om zich net als vroeger te ontwikkelen. Een stabiele waterstand is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van hoogveen. Dit wordt onder meer bereikt door in het natuurgebied meer regenwater vast te houden.’ Nergens is te vinden waarop Staatsbosbeheer zich baseert bij de best herstellende hoogveenrestanten. Een NDA moet besluiten over natuurbeleid van de provincie ondersteunen.
En de keuze van maatregelen voor natuurherstel. De analyse – ook gemaakt door de provincie – gaat uit van de meest recente wetenschappelijke informatie. Daar schort het nogal aan. Volgens de analyse worden de natuurdoelen voor een groot deel van de Natura 2000-gebieden in Overijssel de komende jaren niet gehaald. De opstellers baseren zich op stikstofberekeningen (dus modellen), natuurgegevens en waarnemingen in het veld. Maar: ‘Nieuwe onderzoeken of data-analyses voeren we niet uit voor deze versie van de natuurdoelanalyses.’

Geen analyse en geen conclusie

Uit de NDA van het Buurserzand/Haaksbergerveen (voortaan Haaksbergerveen) blijkt dat de kwaliteit van actief hoogveen (2,5 hectare en herstellende hoogvenen (312,6 hectare) goed is. De trend in areaal en kwaliteit is ‘plus’. De NDA leunt zwaar op onderzoek van Bobbink van B-WARE. Dus heel zwaar op het effect van stikstof. Opvallend is dat het onderzoek van Bobbink (2022) is gemaakt in opdracht van Greenpeace.
De NDA is duidelijk ‘werk in uitvoering’. Er zijn data, maar hiermee zijn geen analyses uitgevoerd. Er zijn geen conclusies te trekken. Of herstelmaatregelen in het Natura 2000-gebied Haakbergerveen effect hebben, wordt pas sinds 2018 bekeken.

Verder lezen?

Download hieronder het artikel (verschenen in het STAF-blad van maart 2026).

Deel via:

Pesticiden Paradijs naïef over wetenschap

In januari verscheen Het Pesticiden Paradijs  – Over de impact van bestrijdingsmiddelen, verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Auteur Dirk de Bekker, journalist bij onder meer de Groene Amsterdammer, doet voorkomen dat die verstrengeling er enkel is bij pesticiden. Hetzelfde boek had geschreven kunnen worden over stikstof, corona, klimaat en geitenhouderij & gezondheid omwonenden.

Boekbespreking door Marc Jacobs.

Het boek van De Bekker is vanaf de titel duidelijk: we leven in een paradijs van pesticiden. Voor De Bekker staat dat gelijk aan een paradijs vol gif en voor dat ‘paradijs’ hebben we zelf gekozen: door middel van verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Met als gevolg dat uiteindelijk niet het gif verdwijnt, maar de onafhankelijkheid van hen wiens taak het is om ons te beschermen tegen de belangen van de industrie. 

De Bekker heeft vijf jaar aan dit dossier gewijd en in die tijd tal van stukken gelezen en mensen gesproken om zo te achterhalen hoe de pesticidenindustrie opereert. Het resultaat is dit boek. In het boek wordt een aantal onderwerpen aangestipt, zoals DDT, bentazon, Parkinson en glyfosaat. Ook wordt er – negatief – gesproken over overheidsinstanties, zoals het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Deze zijn, zoals de ondertitel van het boek al doet vermoeden, eigenlijk te coulant naar de industrie. Daarbovenop wordt de beschuldiging gemaakt dat deze te weinig transparantie bieden aan diegenen die afhankelijk zijn van hun oordeel: wij mensen.

Die houding is begrijpelijk. Wie in Nederland tracht om openheid te verkrijgen over het opereren van aan ministeries gelieerde instituten loopt steevast tegen de muur aan. Zo werden de corona-modellen nooit vrijgegeven, is het nog steeds onduidelijk waarom rekenmodel Aerius nog altijd wordt toegepast voor natuurvergunningen, en krijgen we de VGO-data die de relatie tussen geitenhouderijen en longontsteking moet duiden ook niet te zien. Steeds vaker moet openheid via Woo-verzoeken worden afgedwongen.

Selectief in bronnen

Toch vliegt de auteur een aantal keren uit de bocht. Dat heeft zo te zien te maken met een gebrek aan kennis en het verkeerd leggen van verbanden. In de referentielijst staat een indrukwekkend aantal bronnen, 338 in totaal, maar het is niet compleet. Zo kent het dossier rondom Parkinson al meer dan 800 studies die hebben gekeken naar mogelijke risicofactoren[1]. Te vaak lezen we informatie die afkomstig is van personen werkzaam in een bepaald veld, maar dat kan nooit het totaal zijn. Zo lezen we onder andere over de visie van hoogleraar en neuroloog Bas Bloem. Deze verbaast zich over de verlenging van de toelating van glyfosaat en het uitblijven van een Parkinson-specifieke test. Maar de ironie wil dat er zojuist een studie van onder meer Bas Bloem is gepubliceerd, die indruist tegen eerdere veronderstellingen rondom pesticiden en Parkinson[2]. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat pesticiden, waaronder glyfosaat, geen rol kunnen spelen bij het ontstaan van Parkinson. Maar wie denkt dat alleen pesticiden Parkinson veroorzaken, kijkt met oogkleppen naar een dossier dat tientallen risicofactoren huist[3].

De ophef over pesticiden, zoals glyfosaat, laat zich vaak niet staven door beschikbaar wetenschappelijk onderzoek. Zoals in 2024, toen Zembla/BNNVARA beweerde dat de statistiek rondom het toetsen van glyfosaat haast expres verkeerd wordt gedaan. Zou het Ctgb deze fout herstellen dan zou overduidelijk zichtbaar worden dat glyfosaat kankerverwekkend is, meende Zembla/BNNVARA. Wie echter tracht dit werk te repliceren ziet al snel dat het niet lukt om een dose-response relatie te vinden[4]. De Bekker stipt dit onderwerp echter niet aan. 

Naïeve conclusies

Een groot deel van zijn kritiek heeft betrekking op het gebruik van rekenmodellen die, volgens de Bekker, als representant van de werkelijkheid worden ingezet. Een citaat uit het boek: “Een meting is een specifieke weergave van de situatie op een bepaalde plaats en een bepaald moment, een weergave van de werkelijkheid; een modelberekening is een simulatie van die werkelijkheid. Metingen zijn dus essentieel om een model te staven, zodat het waar nodig aangepast kan worden. Maar dat lijkt onvoldoende te gebeuren.”

Specifiek gaat het hier om metingen van drinkwaterbedrijven over de uitwas van de herbicide Bentazon. Deze laten een ander beeld zien dan wat de rekenmodellen voorspellen, maar het Ctgb wil die metingen niet gebruiken. Daarbij blijken de rekenmodellen ook nog eens door de industrie gebruikt, getest, en met hun input te worden aangepast. Voor De Bekker is het daarmee glashelder dat wat de industrie niet bevalt ook niet wordt opgenomen in de rekenmodellen. Een citaat:

“Tientallen documenten die in de afgelopen drie decennia zijn verschenen rondom de ontwikkeling van pesticiden modellen laten zien hoe problematisch het ontbreken van zo’n controlemechanisme precies is. Ze vertellen het verhaal van een modelleerwereld waarin de scheidslijnen tussen wetenschappers, overheidsregulatoren en de industrie zijn vervaagd. Hierdoor is een risico ontstaan op ongewenste- en door het ontbreken van controle – onopgemerkte invloed van de industrie op de gehanteerde rekenmodellen, het fundament onder het gehele Europese toelatingssysteem.”

Dit is niet uniek voor het pesticidenbeleid. Modellen zijn het begin van een gesprek en niet het einde. Grote dossiers zoals corona, stikstof en het klimaat[5], maar ook het geitendossier, laten keer op keer zien dat er te weinig transparantie is tussen hen die beleid bepalen (of ondersteunen) en hen die met dat beleid te maken krijgen. Vooral het stikstofdossier heeft te leiden onder een gelijkwaardig discours, maar daarover lezen we in dit boek niets als het over rekenmodellen gaat. Dat is jammer, want nu overheerst het beeld dat de landbouwsector maar weinig toevoegt aan onze leefwereld.

Dit artikel verscheen ook in het STAF-blad van maart 2026. Een pdf is hier te downloaden:


[1] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[2] Simões, Mariana, et al. “Incidence and spatial variation of Parkinson’s disease in the Netherlands (2017–2022): a population-based study.” The Lancet Regional Health–Europe (2026).

[3] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[4] https://stichtingagrifacts.nl/zembla-gebruikt-pesticiden-toets-verkeerd/

[5] Marc Jacobs & Ronald Meester. Van aardbeving tot zoönose: Over de inzet van modellen voor beleid. Walburgpers, 2023.

Deel via:

Waarom natuurorganisatie mest uitrijdt in N2000-gebied

Een wandelaar liep in het bos op de Veluwe en kwam enkele velden tegen die recent waren bemest. Als de overheid roept dat de Veluwe het zo zwaar heeft vanwege stikstof, is het dan niet vreemd dat de natuurorganisatie wel mest mag uitrijden? Deze vraag kwam binnen bij Staf. De redactie zocht het uit.

De wandelaar stuurde enkele foto’s en gaf de coördinaten door van twee percelen waar hij de bemesting had aangetroffen. De redactie bracht daarop een bezoek aan het gebied. De percelen bleken te liggen in Kroondomein Het Loo, een deel van N2000-gebied de Veluwe. Het Kroondomein staat binnen de natuurwereld bekend als een prachtig terrein dat goed wordt beheerd.

De percelen werden dankzij de informatie van de wandelaar gemakkelijk gevonden. Het ging om deels verteerde stalmest, een mengsel van mest en strooisel. De bemeste percelen waren omringd door stikstofgevoelige natuur: heide, eikenbos, bos van arme zandgronden.

Jaarlijkse bemesting wildweides

Om wat voor mest gaat het precies en waarom rijdt de natuurorganisatie deze uit? Deze vraag werd gesteld aan het Kroondomein. “Dat doen we ieder jaar”, vertelt Wout Neutel, rentmeester van het gebied. Het gaat om de mest van de eigen schaapskudde. Deze gescheperde kudde loopt zo’n 8 tot 9 maanden per jaar op de heide en brengt de winter door ‘bij huis’. De schapen worden bijgevoerd. De stalmest wordt in het voorjaar uitgereden op een aantal percelen in het natuurgebied.

“Het gebied is schraal. Daarom hebben wij op het terrein wildweides. Deze worden bemest om aantrekkelijk te blijven voor grote hoefdieren, vooral herten. Anders gaan deze dieren buiten het natuurgebied op zoek naar voedsel, bij boeren in de omgeving. Hiermee houden wij de hoefdieren tevreden en op hun plek.” Niet alleen de hoefdieren, maar ook de insecten, kevers en vogels varen wel bij de bemesting. En de heide? “Ook die reageert er positief op. Hiermee wordt een mat van pijpenstrootje doorbroken.”  

De wandelaar heeft wel een punt. Een extra ‘vogelpoepje’ aan stikstof kan volgens beleidsmakers al teveel zijn voor stikstofgevoelige natuur. Hier gaat het om meer dan dat. De rentmeester weet niet hoe het zit met stikstof. Er wordt een mestboekhouding bijgehouden, maar hoeveel de emissie bedraagt is onbekend. Voor de fauna op het Kroondomein heeft deze bemesting in ieder geval grote waarde.

Het trekkerspoor met verloren restjes stalmest leidt naar een van de wildweides.
Een pas bemeste wildweide in het eiken- en beukenbos.

Deel via:

Onderzoekers komen met kritische reflectie op UPLG-memorandum Provincie Utrecht

Provincie Utrecht heeft een memorandum opgesteld, met daarin kritiek op rapporten van zelfstandig onderzoeker Wouter de Heij en hoogleraar Ronald Meester. Ook heeft de provincie kritiek op de lezing van Geesje Rotgers, onderzoeksjournalist bij Agrifacts, gehouden tijdens een bijeenkomst van Agractie, NMV en NFO eerder deze maand. Meester, De Heij en Rotgers hebben zich – onafhankelijk van elkaar – beschouwend uitgelaten over onderdelen van het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) of die het UPLG raken. Meester, De Heij, Rotgers en Jaap Hanekamp schreven een kritische reflectie op het UPLG-memorandum van de provincie.

Opvallend is dat Provincie Utrecht middels een memorandum haar kritiek uit op het werk van genoemde personen, maar deze kritiek niet met deze mensen heeft gedeeld. Wel werd het memorandum verstrekt aan derden. Deze deelden het stuk, met instemming van de provincie, alsnog met Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp. Ook de Commissie Hordijk, waar Hanekamp deel vanuit maakte, komt in het memorandum voorbij.

Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp schreven een kritische reflectie op het memorandum, waarin een reeks stellingen van de provincie werden weerlegd. “Het Utrechts Programma Landelijk Gebied is samenvattend niets anders dan wat de auteur Juvenal (c. 60 – 25 c. 140 A.D.) als volgt omschrijft: Hoc volo, sic iubeo, sit pro ratione voluntas – Ik zal dit laten doen, dus ik beveel dat het gedaan wordt; laat mijn wil het weloverwogen oordeel vervangen.”

Provincie Utrecht heeft niet alleen kritiek op het werk van genoemde personen, maar óók op het Rijk. Deze zou verouderde natuurgegevens naar Brussel hebben gestuurd, waardoor er bij de Europese Commissie een gunstiger natuurbeeld bestaat dan uit de provinciale natuurdoelanalyses blijkt. We kunnen dus niet vertrouwen op gegevens die door de Nederlandse autoriteiten worden aangeleverd in Brussel.

Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp adviseren Provincie Utrecht om hun reflectie met bijgeleverde literatuur tot zich te nemen en op inhoud te beoordelen, en kritiek erop in het openbaar te bespreken met de auteurs.

Reflectie en memorandum

Download hier de kritische reflectie op het memorandum van Meester / De Heij / Rotgers / Hanekamp

Download hier het memorandum van Provincie Utrecht:

(Foto: Shutterstock)

Deel via:

Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat

Als het gaat over pesticiden die schadelijk zijn voor het milieu, wordt al gauw naar de land- en tuinbouw gekeken. Onterecht, zo blijkt uit een rondje shoppen. Maar liefst vier pesticiden uit de Top 25 meest problematische middelen koop je gewoon bij het Kruidvat. En bij speciaalzaken en op internet blijkt nog veel meer te koop.

Hoe gemakkelijk kunnen burgers pesticiden kopen, die riskant zijn voor het milieu? De redactie van Staf neemt de proef op de som. Wij nemen de Top 25 van meest problematische middelen volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas (download artikel met lijst onderaan de pagina). Dit zijn middelen die momenteel de meeste en hoogste normoverschrijdingen laten zien in het oppervlaktewater in Nederland. Wij gaan met dit ‘boodschappenlijstje’ naar de winkel.

Kruidvat

Eerst naar het Kruidvat. Bij het schap met bestrijdingsmiddelen voor huis, tuin en huisdier, kunnen al vier pesticiden van ons boodschappenlijstje worden geshopt. We kopen hier een busje anti-mierenpoeder met het pesticide lambda-cyhalotrin. Deze stof staat op plek 20 in de lijst met grootste probleemstoffen op dit moment. We scoren bij het Kruidvat ook een spuitbus met het pesticide permethrin, tegen kruipende insecten en wespen. Permethrin staat op plek 8 in de lijst. Bij deze drogist halen we tevens een flacon anti-insect waarin het pesticide N,N-diethyl-M-toluamide (DEET) is verwerkt. DEET staat op plek 14. Tot slot nemen we voor de hond nog een spot-on mee tegen vlooien, teken en bijtende luizen. Hier doet het pesticide fipronil het ongedierte dodende werk. Fipronil vinden we op plek 2. Fipronil is nagenoeg het meest problematische pesticide voor het watermilieu op dit ogenblik. Een minieme hoeveelheid fipronil is al voldoende om een normoverschrijding te veroorzaken. Als een dier dat met fipronil is behandeld in een sloot springt, brengt dat de fipronilconcentratie meteen boven de norm.

Het is opvallend dat je dergelijke riskante producten zonder meer bij een drogist kunt kopen. Wanneer je aspirine koopt, dan is de winkel verplicht daar een gebruiksadvies bij te leveren. Standaard krijg je de vraag of je bekend bent met het product. Bij pesticiden die grote impact kunnen hebben op het milieu, krijg je die vraag niet. Het wordt zonder meer verkocht.

Top 25 probleemstoffen

Zeven van de 25 grootste probleemstoffen in ons water blijken gewoon te koop in de winkel. Zes stoffen blijken uit de handel en niet meer te koop. De overige 12 producten zijn alleen verkrijgbaar voor professionele gebruikers.

Het artikel ‘Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat’ verscheen in het STAF-blad van december 2025. Het is hieronder te downloaden.

Deel via:

‘Nieuw’ onderzoek in dossier geitenhouderijen beslaat al gepubliceerd onderzoek uit VGO-III

De Gezondheidsraad heeft op 8 december 2025 het tweede deel van haar advies over de gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen opgeleverd. Het betreft geen nieuw onderzoek, zoals veel media menen. De Gezondheidsraad heeft ervoor gekozen om een enkele publicatie uit 2023 uit te lichten, en de andere reeks publicaties niet mee te wegen. Waarom de Gezondheidsraad hiervoor kiest wordt nagenoeg niet onderbouwd.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

De Gezondheidsraad heeft het tweede deel van haar advies opgeleverd[1], met de titel: “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II Gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen en mogelijkheden voor beperking gezondheidsrisico’s”. Het eerste deel is rond de zomer verschenen[2], en beide delen zijn opgeleverd op aanvraag van demissionair minister van LVVN Femke Wiersema en voormalig minister van VWS Fleur Agema naar aanleiding van een commissiedebat[3].

Een onderzoek naar de relatie tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden (VGO) is een onderzoek dat meer dan een decennium aan werk beslaat[4]. Daar waar in het begin algemeen werd gekeken naar alle soorten veehouderij (koeien, kippen, varkens en geiten), werd de focus na enkele positieve bevindingen verlegd op kippen en geiten. Vooral laatstgenoemde is in het nieuws geweest met de ernstige nasleep van de Q-koorts nog in het achterhoofd.

Het VGO onderzoek kent drie delen (I, II en III), onderzocht vijf provincies en beslaat tezamen 13 publicaties. Deze publicaties heb ik uiteengezet in mijn rapport met als doel om de epidemiologische waarde van elke studie te beoordelen[5]. Uiteindelijk ben ik zelf met de data aan de slag gegaan om te bezien of de relatie tussen wonen nabij een geitenhouderij en de kans op longontsteking consistent is. Naar mijn optiek is dit niet meer het geval vanaf een afstand van 500 meter[6]. Ik citeer uit mijn rapport:

“Zoals we hebben kunnen zien verschilt de kans tussen longontsteking en de nabijheid van geitenboerderijen per studie, per analyse en per afstand. Vaak genoeg wordt er helemaal geen effect gezien én als het effect er is, dan is dat alleen constant voor een afstand van 500 meter waar steeds maar een klein deel van de onderzoekspopulatie verblijft.” (pagina 67 Rapport ‘Geiten en longontsteking’). 

Nu lees ik in Kamerbrief die betrekking heeft op het tweede deel van het advies van de Gezondheidsraad het volgende:

“In het tweede deeladvies heeft de Gezondheidsraad voor zover mogelijk antwoorden gegeven op complexere en meer gedetailleerde vragen omtrent de aard en ernst van de gezondheidseffecten en de mogelijke oorzaken. De Raad komt tot de conclusie dat het risico op longontsteking is verhoogd voor omwonenden binnen 500 meter (73%) en 1 kilometer (19%) van een geitenhouderij. De Raad komt op lagere schattingen van het aantal extra longontstekingen, ziekenhuisopnamen en sterfgevallen dan op landelijke schaal is toe te schrijven aan de aanwezigheid van geitenhouderijen dan eerder gecommuniceerd”

Deze cijfers zijn uitgebreid in het nieuws gecommuniceerd, maar hebben geen betrekking op nieuw onderzoek. Sterker nog, het gaat hier om cijfers die zijn gepubliceerd in Lotterman et al., 2023[7]. Het lijkt er dus sterk op dat de Gezonheidsraad er nu voor heeft gekozen om één enkel onderzoek uit te lichten, maar doet dit niet met een gedegen onderbouwing. Hoewel het onderzoek van Lotterman deel uitmaakt van VGO-III en de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel beslaat, is het nog steeds maar één van de publicaties in een dossier vol publicaties. Over het gehele dossier heb ik het volgende gezegd:

“De waarde van 11 jaar aan gegevens is wisselend. Zo lijken er wel degelijk verschillen te zijn in de incidentie van longontsteking tussen gebieden met veel veehouderijen én controlegebieden, maar de manier waarop die gebieden zijn geselecteerd is niet transparant gecommuniceerd. Ook is onduidelijk waarom een huisartsenpraktijk (of patiënt) wel besloot om mee te doen en waarom niet. Verder vinden we in de meeste analyses alleen correcties voor leeftijd en geslacht. Daarbovenop worden er soms wel meer dan 100 statistische vergelijkingen gedaan in één enkele studie. Een correctiemethode voor vals-positieven ontbreekt of is ontoereikend. Dit maakt dat het gros van de bevindingen waarschijnlijk veel meer onzeker is dan men graag wil laten zien” (pagina 4 Rapport ‘Geiten en longontsteking’).

Verder is het zo dat de relaties die Lotterman beschrijft afhankelijk zijn van tijd én plaats (Tabel 1 uit de publicatie), en van de gehanteerde methode (Tabel S3). Schijnbaar maakt het de Gezondheidsraad ook niet uit dat het 95% betrouwbaarheidsinterval op 1000 meter afstand een niet-significant resultaat laat zien: 1.19 [1.00; 1.41]. Hoe men hier zomaar overheen kan stappen ontgaat mij.

Ten slotte is en blijft het problematisch dat er alleen is gekeken naar omwonenden. De relatie tussen ziekte en omgeving is een onderzoek waar heel veel context bij komt kijken en voor die context moet worden gecorrigeerd. Dat gebeurt zelden: alleen leeftijd en geslacht worden structureel meegewogen. Andere ziektebeelden die eventueel aanwezig zijn bij respondenten worden soms wel en soms niet meegewogen. Maar de echt ontbrekende factor is de geitenhouder en zijn werknemers: deze zien we niet terug in de epidemiologische onderdelen van VGO. Onder het mom dat het hier gaat om omwonenden worden diegenen waarvan hun werk als een soort interventie zou moeten gelden (zoals roken dat ook doet) buitengesloten. Waarbij er nooit of te nimmer sprake kan zijn van een volledige dose-response analyse.

Dat de Gezondheidsraad er nu voor kiest om één enkele studie te belichten om toekomstige voorgedragen maatregelen te ondersteunen is voor mij een onverklaarbare selectiviteit in een dossier waarbij onzekerheid de norm is.

(Foto: Shutterstock)


[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/08/gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-ii

[2] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/07/03/advies-gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-i

[3] https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D06741

[4] https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/onderzoek-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-vgo

[5] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJ_Rapport_Geiten_Longontsteking.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJAdvies_Subrapport_Geiten_Longontsteking_consistentie.pdf

[7] https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0286972

Deel via:

Intrekken glyfosaatstudie breekt speelveld niet open

Een wetenschappelijk artikel over glyfosaat is na 25 jaar ingetrokken. Terecht, volgens onderzoeker Marc Jacobs. Wat niet terecht is, is de gewekte suggestie dat daarmee het speelveld rond glyfosaat weer open zou liggen. Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

Het artikel Safety Evaluation and Risk Assessment of the Herbicide Roundup and Its Active Ingredient, Glyphosate, for Humans is teruggetrokken door (co)Editor-in-Chief, Prof. Martin van den Berg[1]. Het artikel stamt uit het jaar 2000 en twee van de drie originele auteurs leven al niet meer. De laatst levende auteur (Prof. Williams) heeft niet gereageerd op eerdere aantijgingen van ghostwriting[2] waardoor er door het artikel nu een grote rood streep staat met de woorden RETRACTED.

Dat een artikel wordt teruggetrokken omdat het niet geschreven is door de auteurs van het artikel vind ik persoonlijk een goede zaak. Elke lezer moet ervan kunnen uitgaan dat wat geschreven staat in een artikel ook daadwerkelijk door de auteurs is geschreven. Ook moet een lezer ervan kunnen uitgaan dat de gebruikte data en analyses betrouwbaar én verdedigbaar zijn. Los van voortschrijdend inzicht moet wetenschappelijk werk voldoende robuust zijn om de wetenschappelijke gemeenschap te kunnen informeren. Beleid berust zich vaak op wetenschappelijke inzichten om een keuze te rechtvaardigen. Dit laatste kent zo haar eigen uitdagingen, maar is wel vaandeldrager voor transparantie en communicatie.

Het artikel kent volgens Prof. van den Berg echter meer problemen dan alleen de aantijgingen van ghostwriting. Zo werden alleen ongepubliceerde studies afkomstig van Mosanto gebruikt. Vijf additionele studies die toentertijd beschikbaar waren werden niet ingezet (Atkinson 1993; Sugimoto 1997, Takahashi 1999, Enemoto 1997, en Suresh 1996). Deze studies worden wel opgenomen in een review uitgevoerd door Chris Portier[3] en door Zembla aangehaald om te verklaren dat de statistiek rondom glyfosaat niet voldoende is[4]. Zou men de ‘juiste’ statistische toets hanteren dan zouden de resultaten er veel slechter uitzien voor pesticiden zoals glyfosaat.

Om te zien of deze stelling klopt heb ik de review van Portier met de gebruikte data tot mij genomen. Deze review includeert wel de vijf missende studies (en nog een aantal meer). Mijn bevindingen heb ik in dit rapport beschreven[5] waarin ik zowel de data als mijn analyses vrijgeef[6]. Ik hanteer expliciet dezelfde data als Portier en ga mee met zijn selectieprocedure. Het enige wat ik getracht heb te doen is om te vinden wat hij heeft gevonden. Ook heb ik contact met hem gezocht, maar tot op heden (elf maanden verder) heb ik niks vernomen. 

Het lukt mij niet om zijn werk te repliceren. Ook zie ik niet het voordeel van de eenzijdige toets. Ik citeer (uit pagina 5 en 6) van het rapport:

“Ik heb echt moeten zoeken om die relatie te vinden. Door de bocht genomen lukt het mij niet om met behulp van de frequentistische statistiek een relatie aan te tonen tussen dosering en kanker. De bevindingen zijn vaak niet statistisch significant wanneer ik tweezijdig toets. Een uitstap naar een eenzijdige toets voegt daar weinig aan toe én maakt dat we moeten aannemen dat het schatten van de relatie tussen dosering en kans op kanker een harde grens heeft in het schatten van de relatie. Ik voeg dan een assumptie die zich maar moeilijk laat verdedigen. Een eenzijdige toets heeft namelijk niet zo veel te maken met de richting van de relatie, maar eerder met het afkappen van de onzekerheid. In een dossier als deze, waarin de onzekerheid groot is, kan dat geen juiste methodiek zijn voor het bepalen van een relatie”   

Over de relatie tussen glyfosaat en kanker zeg ik het volgende, en ik citeer wederom vanuit pagina 6:

“Uiteindelijk lijkt het erop dat alleen in de Swiss Albino ratten, op basis van één studie en dan met name bij vrouwen, de relatie tussen glyfosaat en de kans op kanker duidelijk is: een toename van 8% vanuit het model. De toename op kanker, vanuit de data, bedraagt dan 4%. Beide getallen kennen een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Daarmee kunnen ze niet doorslaggevend zijn voor het gehele dossier.”

De retractie van de studie uit 2000 lijkt nu te vermoeden dat het gehele speelveld open ligt. Dat is niet zo, want we kunnen gebruik maken van de Portier review uit 2020. Maar deze review kent haar eigen problemen zoals ik in het rapport veelvuldig laat zien. Ik eindig daarom ook als volgt:

“We kunnen denk ik met dit rapport concluderen dat onderzoek naar glyfosaat beter moet en beter kan, maar daarvoor moet de data ook op het niveau van het dier worden gemeten waarbij ook wordt gekeken naar de factor tijd. Dat ontbreekt nu. Verder hebben we het hier over dierproeven en niet over menselijke studies.”

Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.


[1] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0273230099913715

[2] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1462901125001765

[3] https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32050978/

[4] https://www.bnnvara.nl/zembla/artikelen/kankerrisico-door-pesticiden-decennialang-verkeerd-ingeschat

[5] https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2025/02/Rapport-Pesticiden-en-Kanker-door-MSJ-Advies.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Glyfosaat_Statistiek

Foto: Shutterstock/Patrick Herzberg

Deel via:

Ziekte van Parkinson: veel risicofactoren, geen harde verbanden

Onderzoeker Marc Jacobs spitte afgelopen maanden wetenschappelijke studies door over de ziekte van Parkinson. Heel veel studies, maar liefst 885, wereldwijd en over een periode van 65 jaar. Jacobs ging op zoek naar de veroorzakers van de ziekte. Of eerder de factoren die een verhoogd risico geven op de ziekte. Wat vertellen die studies?

Jacobs is data-wetenschapper en gespecialiseerd in epidemiologische studies. Hij bestudeerde alle studies over de ziekte van Parkinson, die waren gebruikt voor meta-analyses. In een meta-analyse worden resultaten van meerdere losse studies over hetzelfde onderwerp statistisch gecombineerd tot één grote studie. Hij keek specifiek naar de risico’s, de onderzoeksopzet en de uitkomsten. In de 885 studies werden in totaal ruim 100 risicofactoren voor de ziekte van Parkinson belicht, zoals: pesticiden, diabetes, roken, cholesterol, alcohol, maag-en darmproblemen en overgewicht.

Hij schreef zijn bevindingen op in twee rapporten:

  1. Het risico op parkinson vanuit de epidemiologie. Waarom epidemiologisch-onderzoek naar parkinson met gepaste voorzichtigheid dient te worden benaderd.
  2. Het risico op parkinson door glyfosaat: een meta-analyse. Waarom gecombineerd epidemiologisch-onderzoek onvoldoende is om beleid te informeren.

Beide rapporten zijn onderaan dit artikel te downloaden.

Ziekte van Parkinson

“De ziekte van Parkinson is voor wetenschappers een hele lastige ziekte om te onderzoeken. Dat komt omdat het wel 20 tot 30 jaar duurt voordat de ziekte zich manifesteert”, begint Jacobs.

Pesticiden kregen tussen 2010 en tot voor kort veel aandacht in de wereldwijde studies naar de oorzaken van de ziekte van Parkinson. “De laatste tijd zien we dat de aandacht verschuift. Wereldwijd nemen de onderzoeken naar pesticiden als risicofacto relatief gezien af. Steeds vaker wordt er gekeken naar diabetes als risicofactor, of naar sporenelementen zoals ijzer.”

Pesticiden kregen in de jaren 90 de meeste aandacht. De reden is dat een groep jongeren een decennium eerder Parkinsonachtige verschijnselen kreeg nadat zij zichzelf hadden ingespoten met een drug die gelijkenis had met pesticide. Dit incident legde bloot wat er gebeurt in de hersenen bij de ziekte van Parkinson. De focus kwam zo op pesticiden te liggen als risicofactor. Pesticiden waren overigens niet de grootste risicofactor die Jacobs op het spoor kwam. Dat was constipatie. “Deze risicofactor is het grootste. Het is de wetenschappers echter niet gelukt om erachter te komen of constipatie de kans op de ziekte van Parkinson vergroot, of dat dit een eerste symptoom is van de ziekte die al in een erg vroeg stadium optreedt. Ook depressie zag hij keer op keer terugkomen als risicofactor, maar ook hier is het mogelijk dat we te maken hebben met een vroege indicatie voor parkinson. Dit laat zien hoe ingewikkeld het onderzoek naar deze ziekte is.”

Parkinsons geen ‘man made disease’

Volgens professor Bas Bloem is de ziekte van Parkinson voor een groot deel een ‘man-made disease’. Bloem is neuroloog bij het Radboud UMC en is veelvuldig te zien in de media, waar hij alarm slaat over de ziekte. In de grote hoeveelheid studies heeft Jacobs hiervoor geen hard bewijs kunnen vinden. “Veel literatuur wijst naar de epigenetica als oorzaak. Dit betekent dat er een genetische oorzaak is, in combinatie met omgevingsfactoren, die zelf weer kunnen inspelen op de genen van een persoon. Sommige mensen hebben dus meer ‘aanleg’ om door een omgeving geraakt te worden, maar wie dat zijn is hoogst onduidelijk. Deze wisselwerking tussen genen en omgeving zien we in veel ziekten terug.”

Risico’s echt klein

“Als we in wetenschappelijke studies kijken naar de risicofactoren bij longkanker, dan steekt roken er met kop en schouders bovenuit”, vertelt Jacobs. “De studies voor longkanker en roken laten odds ratio’s zien van 50 tot wel 100.” Dit betekent dat roken de kans op longkanker met een factor 50 tot wel 100 verhoogt.

Maar hoe zit dat bij de ziekte van Parkinson? “Er is bij deze ziekte geen enkele risicofactor die er met kop en schouder bovenuit steekt. Ook pesticiden niet. Voor pesticiden vinden we gecombineerde odds ratio’s van 1,0 tot 1,3. Daarbij moet worden vermeld dat de onzekerheden rondom deze odds ratio’s groot zijn. De effecten die we zien van pesticiden bij het ontstaan van de ziekte van Parkinson zijn daarmee echt klein. Als pesticiden echt een belangrijke oorzaak zijn, dan zouden deze er met kop en schouders bovenuit moeten steken bij de risicofactoren. Net als bij roken en longkanker. Maar dat is niet zo. Ironisch genoeg springt roken er wederom relatief sterk uit, maar deze keer als beschermende factor.”

Glyfosaat

Jacobs was verrast dat er zo weinig studies zijn naar het verband tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. “Ik had verwacht in de literatuur een groot effect te vinden van deze stof op de ziekte. Aangezien hiervoor veel aandacht is bij media en politiek. Alle glyfosaatstudies  in relatie tot parkinson zijn gedaan in de Verenigde Staten. Het aantal is beperkt. De studies laten weinig tot geen verband zien tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. “De hoeveelheid aandacht die er is voor glyfosaat en parkinson staat in geen verhouding tot de uitkomsten van de studies. En in geen verhouding tot de roep om een verbod.”

Jacobs vraagt media voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies uit één studie ’die past’. Je moet alle relevante studies in ogenschouw nemen. Als er een duidelijk verband is, dan komt zo’n risicofactor in meer studies boven. Ook moet je goed kijken naar de onderzoeksmethode. Als je pesticide in hoge dosis inspuit, kun je parkinson-symptomen krijgen. Dat wil niet zeggen dat het gebruik van het pesticide in het veld daarmee direct een risico is op de ziekte van Parkinson.

Jacobs vraagt media ook voorzichtig te zijn met het extrapoleren van dierproeven naar mensen. Mensen zijn geen ratten of muizen. Proefdierstudies leggen mechanismen voor het ontstaan van ziekten bloot, niet het risico voor mensen.

Risicofactoren

Jacob zette de risicofactoren die hij vond in de 885 wetenschappelijke studies op een rij, alsmede de grootte van die risico’s. In de tabel de belangrijkste risico’s voor de ziekte van Parkinson, alsmede beschermende factoren. Let op: de grootte van alle risico’s, alsook van de beschermende factoren is klein en niet elke risicofactor bleek uiteindelijk statistisch significant te zijn

 Top 10 risico’s op ziekte van ParkinsonTop 10 beschermende factoren tegen ziekte van Parkinson
1.ConstipatieRoken
2.DepressieKoffie
3.AngststoornissenCafeïne
4.Maaginfectie Heliobacter pyloriMedicijnen tegen hoge bloeddruk (calcium blockers)
5.Trauma aan het hoofdZink
6.PesticidenVet
7.Leven in landelijk gebiedAlcohol
8.Melanoom (huidkanker)Ontstekingremmende pijnstillers (NSAID)
9.Chronische darmontstekingVitamine A
10.InfectiesKoper

Rapporten downloaden

Het risico op parkinson vanuit de epidemiologie. Waarom epidemiologisch-onderzoek naar parkinson met gepaste voorzichtigheid dient te worden benaderd. Door Dr. Marc Jacobs, MSJ Advies B.V.

Het risico op parkinson door glyfosaat: een meta-analyse. Waarom gecombineerd epidemiologisch-onderzoek onvoldoende is om beleid te informeren. Door Dr. Marc Jacobs, MSJ Advies B.V.

Afbeelding: Shutterstock / ahmetmapush

Deel via:

‘Rechters snappen weinig van chemie en voorzorgsbeginsel’

Onderzoeker Jaap Hanekamp constateert dat het gebruik van het voorzorgsbeginsel door rechters maatschappij ontwrichtende vormen begint aan te nemen. Rechters lopen naadloos mee met paniekverhalen over ‘giftige’ stoffen van NGO’s en burgers. Hanekamp is gepromoveerd in de chemie en promoveerde in 2015 voor de tweede keer op het voorzorgsbeginsel.

Met verbazing slaat Jaap Hanekamp de oordelen van rechters over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gade. “Rechters snappen niks van chemie, zij snappen niks van de betekenis van data en statistiek.” Op 22 juli 2025 was er opnieuw een uitspraak. Het gerechtshof in Den Bosch deed uitspraak in een hoger beroep waarbij een verbod werd geëist op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij een woonwijk. Hoewel de rechter vond dat het voorzorgsbeginsel hier niet als grondslag kon dienen, werden de elementen uit dit beginsel toch toepast in het oordeel. Erger nog, de boer in kwestie werd zelfs een onrechtmatige daad verweten die alleen begrepen kan worden vanuit het voorzorgdenken.

Het voorzorgsbeginsel

Het voorzorgsbeginsel werd geïntroduceerd in het bestuursrecht. Dit beginsel geeft de overheid een handvat om te kunnen ingrijpen ook als er nog onvoldoende kennis van gevaren en risico’s van bepaalde producten en processen beschikbaar is.

Het heeft Hanekamp verrast dat het voorzorgsbeginsel nu ook toegepast mag worden in het civiele recht. Rechters hebben met hun uitspraken daarvoor de weg geopend. Burgers kunnen het voorzorgsbeginsel gaan aangrijpen tegen andere burgers. “Als je vermoedt dat je buurman iets doet wat jou schade kan berokkenen, en het lukt je niet om daarvoor bewijs op tafel te leggen, dan kan je een beroep doen op het voorzorgsbeginsel. Het is een nieuw wapen binnen onze samenleving.”

Angsten voor risico’s

“Wanneer rechters meegaan in de angsten van burgers, creëer je een samenleving die elkaar niet meer vertrouwt en elkaar te lijf gaat met het voorzorgsbeginsel. Je creëert een wildwest aan juridische procedures.” Hanekamp constateert dat de rechter steeds verder gaat op dit pad. Op 22 juli 2025 was er een uitspraak in een zaak tegen een lelieteler in Limburg. De boer wordt daarin een onrechtmatige daad verweten omdat de boer iets gedaan heeft (gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) dat mogelijk gevaar kan opleveren voor anderen. Is er hard bewijs voor dat het gevaar oplevert? Nee! Is er angst voor dat het gevaar oplevert? Ja! Hanekamp vindt dat de rechter de boer geen ‘onrechtmatige daad’ had mogen verwijten. Immers, overheden eisen van producenten van gewasbeschermingsmiddelen dat zij de voorgeschreven onderzoeken uitvoeren naar de veiligheid van hun producten. Dat is volkomen terecht! Je kunt niet zomaar alles op de markt ‘smijten’. De boer die de middelen vervolgens gebruikt, moet erop kunnen vertrouwen dat de overheid de middelen voldoende heeft laten onderzoeken. Immers, dat kan de boer zelf niet.”

‘Alle gevaren’ onderzoeken onmogelijk

Elke chemische stof van natuurlijke of synthetische oorsprong kan op veel manieren gevaarlijk zijn. Hoe onderzoek je dat? Hoe onderzoek je het mogelijke risico op bepaalde ziekten, waarbij allerlei factoren een rol spelen? Dat kan helemaal niet. Er bestaat geen onderzoek waarmee je ieder risico uitsluit. Betekent dit dat we het gebruik van iedere stof voortaan gaan verbieden omdat niet ieder mogelijk risico in kaart is? “De rechter weet niet half welke chemische stoffen in producten, met name voedingsmiddelen, zitten. En dan heb ik het over natuurlijke inhoudsstoffen van voedsel, waar voedsel uit bestaat. Waar ligt de grens van wat onderzocht moet worden? Een rechter die dan maar oordeelt dat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden, en daarom het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, oordeelt populistisch.

Het voorzorgsbeginsel aanroepen bij alles wat je niet weet, leidt tot een oneindig universum aan mogelijke gevaren. Echt oneindig. In de praktijk zien we hoe rechters daarmee omgaan: zij springen door het hoepeltje van de angstige burgers, gesteund door NGO’s.

Hoe kom je uit de angstcultuur?

Hanekamp is resoluut: “Rechters zouden een cursus toxicologie en chemie moeten volgen. Zij hebben nu geen idee van stoffen. Daarnaast zouden rechters zich moeten verdiepen in de bewijsvoering. Het is al veel langer bekend dat epidemiologie, dat zo geliefd is bij onderzoekers, geen vorm van bewijs levert. We zien dat rechters onvoldoende kennis hebben van onderzoeksmethodieken en het gebruik van statistiek.

Verder zien we dat overheden heel veel geld uittrekken voor onderzoeken naar risico’s van menselijke activiteiten. Dat zorgt voor een stevige bias in het onderzoek. Rechters denken dan gemakkelijk dat de grote berg aan publicaties over een onderwerp synoniem is aan de omvang van de problematiek. Zij kijken echter niet naar de uitkomsten van die studies, waarin het verband vaak zwak of zelfs helemaal afwezig is. “Rechters hebben de klok horen luiden, maar weten niet waar de klepel hangt. Maar zij zijn ook niet geïnteresseerd in waar de klepel hangt, want zij horen de klok toch luiden?”

De nieuwe rechtbanktroef: ‘cocktail van middelen’

Individuele gewasbeschermingsmiddelen worden op een scala aan eigenschappen onderzocht. Dat geldt echter niet voor combinaties van middelen. In theorie kan dus voor elke combinatie aan middelen een beroep worden gedaan op het voorzorgsbeginsel. En dat is wat we in de praktijk zien gebeuren. Is het terecht om meer angst te hebben voor de zogenaamde cocktails aan middelen? Hanekamp wijst die gedachte resoluut van de hand. “Kijk eens naar de grote hoeveelheid verschillende toxische stoffen die, van nature, in ons eten zitten. Het is niet de stof, maar de dosis die bepaalt of een stof toxisch is. In de voedingswereld geldt het advies: eet niet te veel en eet divers. Divers eten betekent automatisch dat je veel meer verschillende stoffen binnenkrijgt die in hogere dosis toxisch zijn. Maar mensen zijn heel goed in staat een groot aantal verschillende toxische stoffen te nuttigen, mits de concentraties per stof laag blijven.

Beoordelingskader ontbreekt

Hanekamp promoveerde in 2015 op het voorzorgsbeginsel. Hij geeft aan de huidige opstelling van rechters in civiele procedures niet te hebben zien aankomen. “Rechters gaan mee met iedere gril van de burger. Dit is een nieuwe benadering van het voorzorgsbeginsel. Hij snapt goed dat NGO’s deze route hebben gekozen. “NGO’s maken gebruik van het ontbreken van een beoordelingskader bij de rechtelijke macht. Zij krijgen hun zin van de rechter wanneer zij het over deze boeg gooien.” Hanekamp vindt het een zorgelijke ontwikkeling. “Rechters ondermijnen met hun uitspraken het vertrouwen in de medemens, het vertrouwen in ons voedsel, het vertrouwen in boeren en het vertrouwen in onderzoek in beleid. Zij jagen de angstcultuur aan.”

Hanekamp vreest dat het voorzorgsbeginsel een hele zware rol gaat spelen in de toekomst, wanneer rechters de huidige koers blijven varen. Hopelijk zien rechters in dat zij hier een grote verantwoordelijkheid hebben.


Gewasbeschermingsmiddelen en voorzorgmagie in de rechtszaal

Jaap Hanekamp schrijft een tweeluik over het voorzorgsbeginsel. In het eerste deel ligt de focus op gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik (misbruik) van het voorzorgsbeginsel. Dit deel is hieronder te downloaden. In het tweede deel zal het voorzorgsbeginsel in het stikstofvraagstuk aan de orde komen.

(Afbeeldingen: Shutterstock/AI)

Deel via: