Meten=Weten

Meten=Weten onderzoekt niet, maar claimt

Jaap Hanekamp en Marc Jacobs bestudeerden zes rapporten van Meten=Weten. Deze rapporten worden geregeld aangehaald in rechtszaken tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door boeren en tuinders. Ook beleidsmakers leunen op de rapporten van Meten = Weten. “De onderzoeken zijn ideologisch, er wordt geclaimd vanuit emotie, niet vanuit wetenschap.”

Hanekamp en Jacobs[*] zijn er zeker van. De onderzoeken van Meten=Weten zouden nooit wetenschappelijk gepubliceerd worden. Onmogelijk. Ze kunnen de toetst der kritiek niet doorstaan. Er worden conclusies getrokken, vanuit ideologie, die geen bewijs vinden in de metingen en literatuur.

“Zij noemen zich Meten=Weten. Meten=Claimen zou een betere benaming zijn”, concludeert Jacobs. In de beginjaren rekende Meten=Weten nogal wat stoffen onterecht toe aan de landbouw. Na kritiek van onder meer STAF en het RIVM, werden de lijsten opgeschoond. Het meten gaat steeds professioneler. Daar wil Jacobs dan ook niet te kritisch op zijn. Er wordt gezocht naar pesticiden in de bodem, in vegetaties en in de lucht. Deze monsters worden naar het laboratorium gestuurd, waarna uitslagen volgen. Wie zoekt zal vinden, er wordt dan ook een scala aan pesticiden aangetoond. “Tot zover best prima.” 

Propaganda

Vervolgens begint het misleiden. Waarbij een gevonden pesticide synoniem wordt gesteld aan gevaar. Op zich zijn de gevonden concentraties vaak extreem laag. Deze extreem lage concentraties hadden tien jaar geleden niet eens gemeten kunnen worden, omdat de meetapparatuur daartoe niet in staat was. Met de meest geavanceerde methoden van tegenwoordig lukt het om steeds lagere concentraties te meten. De gevonden concentraties liggen bijna altijd ver onder de risicowaarden. Desondanks presenteert Meten=Weten deze ‘vondsten’ als gevaarlijk. Tezamen met andere gevonden stoffen – eveneens in een bijna onmeetbaar lage concentratie – zouden deze gevaarlijke cocktails kunnen vormen. “Geen wetenschap, maar een ideologisch betoog zonder onderzoek”, aldus Jacobs.  “Water kan gevaarlijk zijn omdat je erin kunt verdrinken. De omgeving is gevaarlijk want er is een waterplas aanwezig. Dit is het argumentatieniveau van Meten=Weten.” 

Metingen

Eurofins staat bekend als een degelijk laboratorium. Daar zijn veel monsters onderzocht op de aanwezigheid van pesticiden. “Dit laboratorium is niet geaccrediteerd voor de stoffen en monsters die hier zijn aangeboden”, stelt Hanekamp. Dat zegt op zich niets over de betrouwbaarheid van de uitslagen. Waar Hanekamp wel kritiek op heeft is het meten van veel kleinere hoeveelheden, dan waartoe de meetmethoden in staat zijn. Dat gebeurt in de rapporten van Meten=Weten. “Als je gevoeliger meet, neemt het aantal vals-positieve uitslagen toe, dat is bekend. Deze problematiek wordt in de rapporten niet onderkend.”

Rechtbanken en chemofobie

Hanekamp en Jacobs constateren dat rechters wel heel gemakkelijk meegaan met rapporten van Meten=Weten. Dit diskwalificeert de rechterlijke macht. Rechters snappen het verschil tussen gevaar en risico niet. Dat een stof gevaarlijk kan zijn, zegt niks over het risico. Je moet weten onder welke omstandigheden (zoals in welke concentratie) een stof gevaarlijk kan zijn. Dat je met de allerbeste meetapparatuur de stof kunt vaststellen, zegt helemaal niks.

Milieuorganisaties creëren graag angstbeelden, waaronder angst voor chemische stoffen. Stoffen, water, zon en verkeer kunnen allemaal gevaarlijk zijn. Simpelweg onderzoeken of stoffen, water, zon en verkeer aanwezig zijn, om vervolgens te claimen dat er sprake is van een gevaarlijke situatie, is bizar. Tóch is dat hoe Meten=Weten tewerk gaat. Om vervolgens met angstaanjagende opinie en selectief shoppen in onderzoeken van anderen, de beeldvorming te beïnvloeden.

De kwaliteit van de rapporten van Meten=Weten houdt op na het meten. Daarna volgt een betoog, in feite propaganda. Dit is geloof zonder bewijs. Dit behoort niet bestempeld te worden als onderzoek. Dit beoordelen als ‘evidence’, zoals rechters doen, is een gebrek aan kennis bij de rechtelijke macht.

Studie Hanekamp en Jacobs

De uitgebreide studie van Hanekamp en Jacobs is hier te downloaden: Meten = Claimen.

Review Wagenings pesticidenrapport

Jaap Hanekamp en Ronald Meester reviewen momenteel het Wageningse rapport ‘Pesticiden in terrestrische Natura 2000-gebieden: Verkennende beoordeling op aanwezigheid, blootstellingsroutes en potentiële ecologische risico’s voor bodemorganismen en niet-doelwit geleedpotigen’. Dit beleidsondersteunende onderzoek werd in 2025 gepubliceerd en bekostigd door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. In dit rapport geven onderzoekers van WUR nadere invulling aan de metingen in natuurgebieden van Meten = Weten. 

[*] Dr. Jaap Hanekamp is gepromoveerd in de chemie en promoveerde in 2015 voor de tweede keer op het voorzorgsbeginsel. Dr. Marc Jacobs promoveerde in de risicocommunicatie en is tegenwoordig datawetenschapper en statistisch consultant.

Deel via:

Marc Jacobs: ‘Modellen mogen niet het landsbestuur vervangen’

Wie bestuurt Nederland? De bestuurders of wiskundige modellen, zoals het stikstofmodel Aerius? Marc Jacobs trekt een heldere lijn: modellen mogen nooit gebruikt worden als beleidsregel. Modellen zijn bedoeld om het beleid te ondersteunen, niet meer dan dat. Jacobs is datawetenschapper en gespecialiseerd in onder meer het gebruik van rekenmodellen voor beleid.

In opdracht van de provincie Zuid-Holland stelde Jacobs, samen met hoogleraar Ronald Meester, een richtlijn op voor het gebruik van modellen voor beleid. Die opdracht dateert van 2024, als uitvloeisel van het toenmalige hoofdlijnenakkoord. Onder meer Pieter Omtzigt (NSC) wilde een standaard voor het modelgebruik binnen het beleid. Omtzigt had zich vastgebeten in het Toeslagenschandaal, waar het faliekant misging vanwege foutief modelgebruik. Modellen wezen uit bij welke ouders er een verhoogd risico was op fraude met de toeslagen. Daar werd hard ingegrepen. De verantwoordelijke bestuurders gaven niet thuis; zij verscholen zich achter die modellen. Het model bepaalde het beleid, niet de bestuurders. “Een model mag nooit het beleid bepalen, maar moet het beleid ondersteunen”, stelt Jacobs resoluut. Iedere modelleur weet dat een wiskundig model geen scheidsrechter kan zijn in beleid; daarvoor is een model ongeschikt.

Richtlijn

De richtlijn van Jacobs en Meester koppelt de toepassing van modellen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is bedoeld om ambtenaren, juristen, bestuurders en modelleurs handvatten te geven voor de inzet van modellen. Voor de richtlijn interviewden beiden ambtenaren van verschillende beleidsafdelingen. “Op veel afdelingen is er realisme als het over modellen gaat”, constateert Jacobs. Bijvoorbeeld bij het verkeer weten ambtenaren goed om te gaan met de modellen. Bij het stikstofmodel is dat echter anders. Daar wordt, net als bij het Toeslagenschandaal, het model ingezet om het beleid te bepalen, ondanks dat het model daarvoor niet geschikt is. Rekenmodel Aerius is bijna de beleidsregel in plaats van een hulpmiddel. Terwijl bestuurders in het algemeen geen kaas hebben gegeten van dit model.

“Het model wordt te veel gezien als de werkelijkheid”, constateert Jacobs. “Iedere modelleur kan je uitleggen dat dit niet zo is.” Ook de dooddoener ‘dit is het beste wat we hebben’ stoort hem. “Dit wordt gemakkelijk aangehaald door bestuurders. Maar als dit model het beste is dat we hebben, en het model is aantoonbaar ongeschikt, waar baseer je als bestuurder dan je besluit op om het model toch te willen gebruiken?”

Bestuur schiet tekort

In 2024 sprak Jacobs in het Benelux-Parlement. Hier bespreken volksvertegenwoordigers van Nederland, België en Luxemburg grensoverschrijdende thema’s als economie, justitie en duurzaamheid. Jacobs legde de politici uit waarvoor modellen geschikt zijn en waarvoor niet. “Een bestuurder vroeg tijdens deze bijeenkomst wat we dán moeten doen als we de modellen loslaten. Bestuurders voelen zich verloren als zij niet kunnen leunen op modellen. Een bestuurder behoort te besturen en zich niet te verschuilen achter modellen. Het beleid moet bepaald worden door bestuurders, niet door modellen.”

Nederland modellenland

Nederland is een echt modellenland, constateert Jacobs. Nederland stuurt graag op algoritmen. Gebeurt dat in het buitenland niet? “Ik heb veel modellen gezien, en in wat ik gezien heb is Nederland uniek. In het buitenland is het model één van de instrumenten die wordt gebruikt voor beleid, niet hét instrument. Dat een model is opgenomen in de regelgeving, zoals in Nederland bij stikstof, zag ik nog nergens.”

“Bij stikstof is het model het beleid geworden. Wanneer het model wordt aangepast, verandert het beleid dus.” Dat laatste is voelbaar in de praktijk. Na een modelaanpassing moeten ondernemers soms nieuwe berekeningen laten maken omdat uitkomsten zijn gewijzigd.

(On)behoorlijk bestuur

Jacobs hekelt de wijze waarop bestuurders omgaan met modellen. “Kijk bijvoorbeeld naar het onderzoek naar de gezondheidseffecten van de geitenhouderij. Met een model is bepaald dat er tot 500 meter risico bestaat voor de volksgezondheid. Waarom 500 meter? Waarom is er bij 499 meter wel risico en bij 501 meter niet meer?”

Jacobs is een groot voorstander van een wetenschappelijke standaard voor het gebruik van modellen binnen het beleid. En is die er gekomen in de provincie Zuid-Holland? De provincie heeft de richtlijn van Jacobs en Meester weliswaar naar buiten gebracht, maar tot nu toe niet ingevoerd. De richtlijn is terechtgekomen in het politieke debat binnen de provincie. Een aantal bestuurders wil geen richtlijnen voor modeltoepassing, maar de modellen naar eigen inzicht kunnen inzetten.

Richtlijn downloaden

Het document ‘Een richtlijn voor het gebruik van modellen voor beleid voor ambtenaren, juristen, bestuurders en modelleurs’ is hieronder te downloaden:

Deel via:

Presentatie terugkijken: Expertavond Bodemgezondheid in Nederlandse natuurgebieden

Op 16 september 2026 vond de Expertavond Bodemgezondheid in Nederlandse natuurgebieden plaats. De avond werd georganiseerd naar aanleiding van bodembemonsteringen in 27 natuurgebieden. Onderzoekers van Eurofins lichtten hun bevindingen toe. De uitkomsten werden vergeleken met andere onderzoeken en verklaard vanuit de literatuur.

De presentatie van de onderzoekers van Eurofins downloaden:

In de winter van 2024/2025 werden bodemmonsters genomen in 27 natuurgebieden. In onderstaande rapporten staan de uitkomsten en de duiding daarvan:

Deel via:

Expertavond 16 september: Bodemgezondheid van Nederlandse Natuurgebieden

In de winter van 2024/2025 is verspreid over Nederland bodemonderzoek uitgevoerd in natuurgebieden. De resultaten laten een aantal opvallende uitkomsten zien. Experts van Eurofins gaan in op de resultaten en plaatsen deze in de context.

Datum: Woensdag 16 september

Aanvang: 19.30 uur (inloop vanaf 19.00 uur met koffie / thee).

Locatie: Postillion Hotel Arnhem (Europaweg 25)

Programma 

19.30 uur: Opening door Geesje Rotgers (redactieteam STAF)

19.40 uur: Bodemgezondheid van Nederlandse Natuurgebieden – Inzichten uit de Bodemgezondheidsindicator.

Door Arjan Reijneveld (onderzoeker en directeur wetenschap en ontwikkeling), mede-auteurs Maurits Voogt en Karst Brolsma (allen verbonden aan Eurofins).

Toelichting: Met behulp van 30 bodemindicatoren is een breed en samenhangend beeld verkregen van de fysische, chemische en biologische toestand van de bodem. Onderwerpen als bodemverzuring, calcium- en fosforbeschikbaarheid, organische stof, CO₂‑opslag, droogtegevoeligheid, bodemleven en de beschikbaarheid van sporenelementen en (zware) metalen komen daarbij aan bod. Samen bepalen deze factoren in belangrijke mate de veerkracht van natuurgebieden en de omstandigheden voor flora en fauna. De onderzoekers delen inzichten uit de Bodemgezondheidsindicator en plaatsen de bevindingen in de context van biodiversiteit, ecosysteemfuncties en toekomstbestendig natuurbeheer.

Daarna: Ruimte voor vragen en discussie met de sprekers.

21.30 uur: Afronding door Frans van de Lindeloof, directeur van STAF.  

Aanmelden        

Geïnteresseerden zijn van harte welkom! Het programma is vrij toegankelijk. Aanmelden wordt op prijs gesteld i.v.m. de catering en de zaalindeling. Dat kan via onderstaande link of een email naar: info@stichtingagrifacts.nl.

Link naar aanmeldformulier

Deel via:

Onderzoek naar bodemgezondheid natuurgebieden eindelijk gepubliceerd

In de winter van 2024 / 2025 werden bodemmonsters genomen in 27 natuurgebieden, overwegend op de zandgronden. De monsters zijn genomen door journalisten van Staf. De monsters zijn onderzocht door Eurofins op vele relevante voedingsstoffen en bodemeigenschappen. Onderzoekers van Eurofins hebben de uitkomsten verwerkt tot een publicatie in Vakblad Bodem, een semi-wetenschappelijk tijdschrift. Deze publicatie liet enige tijd op zich wachten, vanwege de vervaardiging van het artikel, alsmede de review door dit tijdschrift. Begin juni is het artikel gepubliceerd.

Lijden natuurbodems aan tekorten aan voedingsstoffen die noodzakelijk zijn voor de fauna en flora? Dit is één van de vragen die we wilden beantwoorden. De monsters zijn overwegend genomen op de zure, arme zandgronden. Daarnaast is ook een beperkt aantal andere gebieden bemonsterd: zandgronden in duingebieden, en natuur op rijkere gronden. De arme zandgronden worden van nature gekenmerkt door een lage pH en een beperkte nutriëntenvoorraad.
Dit onderzoek betreft een eerste verkenning. Hoewel 92 monsters een waardevolle dataset vormen, is de steekproef niet representatief genoeg om robuuste uitspraken te doen over alle Nederlandse bos- en natuurgebieden.

Veel voedingsstoffen zeer beperkt aanwezig

Opvallend is dat veel natuurbodems zeer lage gehalten aan plantopneembare voedingsstoffen laten zien. Het nitraatgehalte ligt op 60% van de meetlocaties onder de rapportagegrens. Dit betekent dat de concentratie te laag is om deze betrouwbaar te meten. Het is onbekend wat de reden is van het lage nitraatgehalte. Een mogelijkheid is dat de nitrificatie wordt geremd door de lage pH, of de nitraat is opgenomen door de bodem en vegetatie, en/of de nitraat is uitgespoeld.

Ook het fosfaatgehalte is in 74% van de bodems zeer laag (beneden de rapportagegrens). Borium is zelfs in veel Nederlandse bos- en natuurgronden nauwelijks beschikbaar. Borium is echter essentieel voor celwandvorming, wortelontwikkeling en voortplanting bij planten. Datzelfde geldt voor molybdeen. In 92% van de bodems was er zo weinig molybdeen aanwezig, dat dit niet kon worden aangetoond. Molybdeen is een essentiële cofactor voor de vorming van enzymen die betrokken zijn bij de stikstofcyclus; deze helpt de inbouw van stikstof als eiwit in de vegetatie.

In de onderzochte bos- en natuurgronden blijkt de actuele calcium-beschikbaarheid eveneens laag te zijn.

Betekenis resultaten

De onderzoekers constateren dat tot nu toe de groep micronutriënten en bio beschikbare (zware) metalen, vaak buiten de landbouw- en natuurmonitoring vielen. Daardoor is er geen volledig beeld van de kwaliteit van natuurbodems. De onderzoekers adviseren onderbouwde streefwaarden op te stellen voor bodemgezondheidsindicatoren op basis van regionale referenties en ecologische functies. Wanneer ook gewasanalyses worden gedaan, kunnen relaties tussen bodemgezondheid en vegetatieconditie beter worden begrepen. Met bodemgezondheidsmetingen die in lijn liggen met de EU Soil Monitoring Law kunnen trends en herstelprocessen worden gemonitord. Dergelijke bodembemonsteringen kosten 220 euro per stuk, wat een relatief goedkope methode is.

Toelichting op resultaten

De onderzoekers zijn voornemens aan het einde van het zomerreces (eind augustus) een toelichting te geven op de resultaten en vragen te beantwoorden. De datum en locatie worden binnenkort bekend gemaakt.

Rapporten downloaden

Rapport 1: Bodemgezondheid onder de loep. Inzichten in de brede bodemgezondheid van 27 bos- en natuurgebieden in Nederland.

Rapport 2: De bodemgezondheid van 27 natuurgebieden. De resultaten per bemonsterde locatie.

Deel via:

Ook bij glyfosaat en kanker wordt toegewerkt naar een beeld

Onderzoeker Marc Jacobs spitte in 2025 maar liefst 885 wetenschappelijke studies door over de ziekte van Parkinson en pesticiden. Maar vond geen overtuigend verband. In de afgelopen maanden deed hij hetzelfde voor pesticiden en kanker bij mens en dier. Hij wilde alle mogelijke pesticiden meenemen in zijn onderzoek. Echter, alleen voor glyfosaat bleken deze studies beschikbaar. Net als bij Parkinson legden de studies ook bij kanker geen eenduidig verhaal bloot. Wat hij wel constateert is dat er wordt toegewerkt naar een beeld.

Jacobs is data-wetenschapper en gespecialiseerd in epidemiologische studies. Wanneer er een verband is tussen bepaalde pesticiden en een ziekte, dan moet dat blijken uit de wetenschappelijke studies. Tot nu toe vond hij geen overtuigend bewijs.

Journalisten zijn geregeld stellig in hun publicaties: de belangrijkste oorzaak van de ziekte van Parkinson zijn pesticiden uit de landbouw. Jacobs vond hiervoor geen overtuigend bewijs in de talrijke wetenschappelijke studies die hij bestudeerde. In september 2025 nam hij 885 studies over de ziekte van Parkinson onder de loep. Vervolgens keek hij nader naar de rol van glyfosaat. De link die media suggereren, vond hij niet in de studies. Hij publiceerde daarover in september 2025.

Pesticiden en Parkinson

Amper een half jaar later, in januari 2026, kreeg Jacobs bijval van onderzoekers van Universiteit Utrecht en Radboudumc. Ook Parkinsonprofessor Bas Bloem was bij deze studie betrokken. Het onderzoeksteam kwam tot dezelfde conclusie. De link tussen landbouw en de ziekte van Parkinson viel niet te leggen. Parkinson blijkt vaker voor te komen bij personen in een hogere sociaaleconomische positie. Ook komt de ziekte meer voor in de noordelijke provincies van Nederland. De luchtkwaliteit is in deze regio relatief goed.

Glyfosaat en kanker

In de afgelopen maanden heeft Jacobs gekeken naar pesticiden – vooral glyfosaat – en kanker. De aanleiding was het ‘baanbrekende nieuws’ van BNNVARA in juni 2025. Volgens de journalisten hadden onafhankelijke onderzoekers van het Ramazzini-instituut een verband gevonden tussen glyfosaat en kanker bij knaagdieren. Eindelijk zou er hard bewijs zijn dat glyfosaat kankerverwekkend is.

Jacobs bestudeerde ook de Ramazzini-studie. Deze studie blijkt niet te corrigeren voor de grote verscheidenheid aan toegepaste statistische testen. Sterker nog, er lijkt bewust te zijn ingezet op statistiek waarvoor minder informatie nodig is. Dat kan een vertekend beeld geven. Wat verder opvalt is dat het aantal kankergevallen bij de controlegroep niet per se onderdoet voor de glyfosaatgroepen. “Het is onmogelijk om op basis van deze studie een dose-response relatie op te tekenen”, constateert Jacobs. Ook het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) kwam al tot deze conclusie. BNNVARA kreeg veel kritiek vanuit de wetenschapsjournalistiek. Eén welgevallige publicatie uitlichten en honderden onwelgevallige publicaties terzijde schuiven, is geen deugdelijke journalistiek. 

“In mijn optiek laat de afwezigheid van een zuivere verslaglegging zich het best tonen in wat de media schrijven over dierproeven. Zo worden de resultaten uit dierproeven met gemak geëxtrapoleerd naar mogelijke risico’s voor mensen. Niet gehinderd door het gebrek aan kennis en kunde ontstaat zo het idee dat mens en muis hetzelfde zijn, en dat wat we bij muizen (en ratten) vinden ook wel voor mensen moet gelden”, stelt Jacobs in zijn rapport.

Toegewerkt naar een beeld

In de studie naar Parkinson en pesticiden viel het Jacobs al op dat er toegewerkt wordt naar een verhaal. Dat is in veel studies naar glyfosaat en kanker niet anders. De resultaten zijn niet eenduidig, toch zál er iets gevonden moeten worden. De keuze voor de onderzoeksmethode en statistiek worden dan bepalend voor de bevindingen. We hebben hier te maken met een thema waarbij de verbanden vaag zijn. Bij een thema als roken en longkanker is dat anders. Ongeacht welke onderzoeksmethode je gebruikt, er wordt altijd een duidelijk verband gevonden.

Onwetenschappelijk

Het is onmogelijk te bewijzen dat pesticiden te allen tijde 100% veilig zijn. Dit geldt overigens ook voor geneesmiddelen. Steeds vaker blijkt onzekerheid het uitgangspunt te zijn om bepaalde producten als schadelijk te bestempelen. Niet omdat ze bewezen schadelijk zijn, maar omdat ze onbewezen onschadelijk zijn. Dit gedachtegoed zie je het meest duidelijk bij stichtingen die graag zien dat pesticiden, waaronder glyfosaat, verdwijnen. De twee meest uitgesproken aanjagers zijn Pesticide Action Network (PAN) en Meten=Weten. Een klein bezoek aan hun websites onthult de richting van de berichtgeving: pesticiden zijn slecht, schadelijk en dienen te worden verbannen. Elk onderzoek dat ruimte biedt aan die stelling wordt op een standaard gezet. “Maar dit is niet hoe wetenschap werkt. Wetenschappers dienen te beschouwen en niet te betogen. Een betoog is namelijk eenrichtingsverkeer waarin de boodschap, en niet het bewijs, de boventoon voert. In de wetenschap mag je hier geen ruimte voor reserveren.”

Duizenden publicaties

Een zoektocht naar wetenschappelijke studies over pesticiden en kanker leverde maar liefst 9318 publicaties op. Lang niet alle waren bruikbaar voor het beantwoorden van de vraag wat de relatie is tussen pesticiden, specifiek glyfosaat, en kanker. De gevonden relaties waren niet eenduidig, klein en onzeker. Deze lijken eerder het resultaat van de keuze voor een hoog sensitieve statistische onderzoeksmethode. Daarnaast is er een serieus gebrek aan beschikbare data en gestandaardiseerde onderzoeksmethoden. Dat maakt het onmogelijk om onderzoeken te vergelijken en uitkomsten na te rekenen.

Hierop kun je geen beleid maken. Ondanks de veelheid aan studies, kan geen zinvolle dose-response relatie worden opgetekend. De invloed van glyfosaat op kanker is niet eenduidig evident.

Naar het onderzoeksrapport

Het onderzoeksrapport ‘Van Muis naar Mens: De relatie tussen glyfosaat en kanker. Onderzoeksresultaten (bij dieren) laten zich maar moeilijk vertalen (naar mensen)’ is hieronder te downloaden. Alle gegevens die Jacobs gebruikte voor deze studie zijn controleerbaar via Github.

Afbeelding: Shutterstock/AI

Deel via:

Volop verboden pesticiden op importvoedsel

In 2024 werden op geïmporteerde agrarische producten uit het buitenland 145 verschillende pesticiden aangetroffen. Daarvan zijn er zo’n 40 niet (meer) toegestaan voor gebruik in de Nederlandse land- en tuinbouw. De meeste van die middelen zijn op Europees niveau aan banden gelegd.

De Europese Unie staat toe dat er levensmiddelen worden geïmporteerd waarop residuen van bestrijdingsmiddelen zitten die in Europa verboden zijn. Dat mag, mits de hoeveelheid residu de EU-norm niet overschrijdt. Deze gang van zaken is het gevolg van handelsafspraken met landen buiten Europa. Het is dus goed mogelijk dat er levensmiddelen ons land binnenkomen, waarop residuen zitten van middelen die hier verboden zijn. De redactie van Staf wil weten wat de omvang is van verboden middelen op geïmporteerde levensmiddelen.

Controles NVWA

De NVWA controleert via steekproeven of levensmiddelen, waaronder groente en fruit, vervuild zijn met resten van bestrijdingsmiddelen. Binnen de Europese Unie is vastgesteld hoeveel residu van een bestrijdingsmiddel er op een levensmiddel mag zitten. In 2024 nam de NVWA 4.846 monsters van producten van buiten Europa. Bij 4.543 producten werd de limiet niet overschreven. Deze producten mochten geïmporteerd worden.

De NVWA vond op deze producten residuen van in totaal 145 verschillende bestrijdingsmiddelen. Voor deze middelen werd nagegaan of deze gebruikt mogen worden in Nederland. Voor minimaal 40 van deze middelen is dat niet het geval. De verboden middelen worden vooral aangetroffen op tropisch fruit, zoals citrusvruchten. Ook op rijst, thee en specerijen worden dergelijke middelen vaak aangetroffen. In de tabel staan de middelen die het vaakst werden aangetroffen.

Verboden middelen

Residuen van imidacloprid – sinds 2018 verboden voor de land- en tuinbouw – worden volop aangetroffen op geïmporteerde rijst, bonen en tropisch fruit. Op 6 procent van de geïmporteerde levensmiddelen is dit residu aanwezig; deze voedselproducten zijn afkomstig uit een groot aantal verschillende landen. Ook het middel malathion, dat inmiddels zo’n 20 jaar geleden werd verboden, wordt relatief vaak aangetroffen op met name citrusfruit en kruiden. Ook hier zijn de levensmiddelen uit verschillende landen afkomstig. Malathion ging in de ban in Nederland en Europa vanwege de relatief hoge toxiciteit voor mensen, bijen en het milieu.

Fenylfenol-2 werd het vaakst aangetroffen. Dit residu zat op maar liefst 38% van de geïmporteerde levensmiddelen. Dit middel wordt op grote schaal toegepast tegen micro-organismen, als conserveringsmiddel. Voor de land- en tuinbouw in Nederland kwam er rond 1998 een verbod op dit middel. Fenylfenol-2 heeft in ons land al enkele decennia geen landbouwkundige toepassing meer. Dit middel heeft in ons land echter nog wel een toepassing in de industrie als biocide en het wordt gebruikt als ontsmettingsmiddel in bijvoorbeeld ziekenhuizen en bij de voedselverwerking.

Kwart betreft verboden middel

De NVWA nam 4.846 monsters van levensmiddelen uit landen buiten Europa. Daarop werden in totaal 13.866 residuen van pesticiden aangetroffen. Per levensmiddel werden dus gemiddeld bijna 3 pesticiden aangetroffen. Bij ongeveer een kwart van de aangetroffen residuen ging het om een middel dat in Nederland verboden is.  

Tabel. In Nederland verboden pesticiden die het vaakst werden aangetroffen op geïmporteerde levensmiddelen van buiten Europa.

MiddelAantal keer aangetroffen% product waarop residu is aangetroffen
fenylfenol-2187238%
imidacloprid3066%
carbendazim1874%
clothianidin1313%
chloorpyrifos-ethyl1223%
malathion1092%

Foto: Shutterstock / Hakase 420.

Deel via:

Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten

Om kwetsbare soorten flora en fauna voldoende leefgebied te kunnen bieden, is 450.000 – 850.000 hectare extra grond nodig. Dat blijkt uit het concept-Natuurplan, dat in handen kwam van Staf. Ambtenaren leggen momenteel de laatste hand aan het Natuurplan, dat wordt opgesteld om invulling te geven aan de Europese Natuurherstelverordening. Dit Natuurplan gaat verder dan wat Europa vraagt. 

Het concept-Natuurplan dat Staf in handen kreeg, is opgesteld door ambtenaren van de ministeries LVVN (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), VRO (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), IenW (Infrastructuur en Waterstaat), EZK (Economische Zaken en Klimaat) en Defensie. Uit dit document blijkt dat Nederland kiest voor ambitieus natuurherstel boven het Europese minimum.

Onderbouwing niet beschikbaar

Volgens het concept-Natuurplan is de staat van de Nederlandse natuur voor het overgrote deel slecht. Bovendien is er ook nog eens sprake van een verder verslechterende trend. Verwezen wordt naar de recente natuurrapportage (een reeks databestanden), die Nederland naar Brussel zond. Staf wil weten hoe deze dramatische rapportage tot stand is gekomen. De gebruikte natuurdata blijken echter niet beschikbaar, ook de gehanteerde beoordelingsmeetlat niet. Al wordt toegezegd dat deze laatste wel online zal komen. Uit de databestanden blijkt dat Nederland inzet op de aanwezigheid van veel zeldzame soorten in de natuurgebieden. Ondanks dat Brussel dit niet vraagt. (Zie artikel: Nederland meldt forse verslechtering natuur aan Brussel; onderbouwing niet beschikbaar).

Veel meer leefruimte nodig

Wat opvalt, is dat het Natuurplan in hoge mate inzet op de werving van gronden voor het huisvesten van talrijke soorten. “Nederland moet voor alle Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR) voldoende leefgebied realiseren. Deze opgave zal een aanzienlijk oppervlak beslaan. Eerdere inschattingen van de benodigde ruimte om alle soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen, komen uit op zo’n 450.000 – 850.000 hectare.” In de voetnoot wordt verwezen naar de NPLG Quickscan. Deze becijferde enkele jaren geleden dat er zo’n 700.000 hectare aan extra natuur nodig is om de Natura 2000-doelen te halen.

Waar moeten al die hectares vandaan komen? Enerzijds denken de opstellers van het concept-Natuurplan aan bufferzones om N2000-gebieden, anderzijds om pakketten natuurbeheer op landbouwgronden, bijvoorbeeld voor weide- en akkervogels, en vlinders en insecten.

Ook in het stedelijke groen moet worden geïnvesteerd. “Voor de invulling van artikel 8 vraagt de Europese Commissie aan lidstaten stedelijke ecosystemen aan te wijzen.” Gemeenten met minder dan 45% groene ruimte en minder dan 10% boomkroonbedekking krijgen een opgave om de groenvoorziening in / om het stedelijke gebied uit te breiden. Mogelijk wordt ook hiervoor landbouwgrond rond steden ingezet.

Zwaarder juridisch regime op NNN-natuur

Habitattypen liggen niet meer alleen in N2000-gebieden, maar voortaan ook in NNN-gebieden. “Het huidige regime op NNN-gebieden biedt onvoldoende basis voor het voorkomen van significante verslechtering van habitattypen en bescherming van gerealiseerd herstel”, aldus het concept-Natuurplan. “In de Omgevingswet wordt een grondslag opgenomen voor het stellen van regels aan activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor habitattypen en leefgebieden gelegen in de NNN.” Dit betekent dat voor NNN-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen dezelfde regels gaan gelden als voor N2000-gebieden.

In de zomer van 2024 nam de Raad van de Europese Unie de Natuurherstelverordening aan. Waar aanvankelijk werd gesproken over een verbod op de achteruitgang van natuurkwaliteit, koos Europa uiteindelijk voor een inspanningsverplichting: lidstaten moeten zich inspannen om verdere achteruitgang te voorkomen en herstel te realiseren. Opvallend is dat het Nederlandse concept-Natuurplan niet spreekt van inspanningsverplichtingen, maar uitgaat van resultaatverplichtingen. Er komen concrete doelen voor allerhande soorten: weide- en akkervogels, wilde bijen en zweefvliegen, dag- en nachtvlinders. Dit kan grote juridische gevolgen krijgen wanneer doelen niet snel genoeg worden gehaald.

Energieprojecten ontzien

Artikel 6 van het Natuurherstelplan biedt lidstaten de mogelijkheid projecten uit te zonderen van allerlei toetsingen. Het concept-Natuurplan wil projecten voor hernieuwbare energie uitsluiten van de toetsing waarbij gekeken wordt of er minder schadelijke alternatieven zijn. Volgens de opstellers van het plan hebben energieprojecten een beperkt effect op de kwetsbare soorten.

Groot beslag op landbouwgrond

Het huidige landbouwareaal, inclusief landschapselementen, bedraagt zo’n 1.845.000 hectare. Voor het halen van de natuurdoelen is daarvan minimaal een kwart nodig voor het huisvesten van soorten. Nederland is daarmee een stuk ambitieuzer dan andere lidstaten. Volgens de internationale afspraak zou 30% van de land- en binnenwateren beschermde natuur moeten worden. (Na realisatie van het NNN in 2027 zit Nederland al op zo’n 26%). Nederland torent met haar ambities in het concept-Natuurplan ver boven die 30% uit en stevent af op naar schatting 40%. Daarbij komt dat lidstaten in hun natuurherstelplannen rekening mogen houden met land- en regiospecifieke elementen, zoals bevolkingsdichtheid. Het concept-Natuurplan doet dit niet.

Het Natuurplan wordt een verplicht programma onder de Omgevingswet. Lidstaten moeten hun Natuurherstelplan uiterlijk 1 september 2027 indienen bij de Europese Commissie. De opstellers van het concept-Natuurplan willen de 20 miljard euro van het Stikstoffonds gebruiken voor de uitvoering.

Deel via:

NDA Haaksbergerveen neemt onderzoeken Staatsbosbeheer niet mee

Ecologisch Onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga deed meerdere keren natuuronderzoek in het Natura 2000-gebied Haaksbergerveen. Vreemd genoeg is dit niet terug te vinden in de Natuurdoelanalyse (NDA) van provincie Overijssel. Deze baseert zich voor een groot deel op onderzoek van Roland Bobbink van B-WARE, met zware nadruk op stikstof. Maar ook volgens de Ecologische Autoriteit mankeert er veel aan de NDA.

Door René Luijmes

Het Haaksbergerveen is een van de best herstellende hoogveenrestanten van Nederland’, zo meldt Staatsbosbeheer op haar website. ‘Dankzij een uitgekiend waterhuishoudingssysteem krijgt het hoogveen de kans om zich net als vroeger te ontwikkelen. Een stabiele waterstand is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van hoogveen. Dit wordt onder meer bereikt door in het natuurgebied meer regenwater vast te houden.’ Nergens is te vinden waarop Staatsbosbeheer zich baseert bij de best herstellende hoogveenrestanten. Een NDA moet besluiten over natuurbeleid van de provincie ondersteunen.
En de keuze van maatregelen voor natuurherstel. De analyse – ook gemaakt door de provincie – gaat uit van de meest recente wetenschappelijke informatie. Daar schort het nogal aan. Volgens de analyse worden de natuurdoelen voor een groot deel van de Natura 2000-gebieden in Overijssel de komende jaren niet gehaald. De opstellers baseren zich op stikstofberekeningen (dus modellen), natuurgegevens en waarnemingen in het veld. Maar: ‘Nieuwe onderzoeken of data-analyses voeren we niet uit voor deze versie van de natuurdoelanalyses.’

Geen analyse en geen conclusie

Uit de NDA van het Buurserzand/Haaksbergerveen (voortaan Haaksbergerveen) blijkt dat de kwaliteit van actief hoogveen (2,5 hectare en herstellende hoogvenen (312,6 hectare) goed is. De trend in areaal en kwaliteit is ‘plus’. De NDA leunt zwaar op onderzoek van Bobbink van B-WARE. Dus heel zwaar op het effect van stikstof. Opvallend is dat het onderzoek van Bobbink (2022) is gemaakt in opdracht van Greenpeace.
De NDA is duidelijk ‘werk in uitvoering’. Er zijn data, maar hiermee zijn geen analyses uitgevoerd. Er zijn geen conclusies te trekken. Of herstelmaatregelen in het Natura 2000-gebied Haakbergerveen effect hebben, wordt pas sinds 2018 bekeken.

Verder lezen?

Download hieronder het artikel (verschenen in het STAF-blad van maart 2026).

Deel via:

Pesticiden Paradijs naïef over wetenschap

In januari verscheen Het Pesticiden Paradijs  – Over de impact van bestrijdingsmiddelen, verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Auteur Dirk de Bekker, journalist bij onder meer de Groene Amsterdammer, doet voorkomen dat die verstrengeling er enkel is bij pesticiden. Hetzelfde boek had geschreven kunnen worden over stikstof, corona, klimaat en geitenhouderij & gezondheid omwonenden.

Boekbespreking door Marc Jacobs.

Het boek van De Bekker is vanaf de titel duidelijk: we leven in een paradijs van pesticiden. Voor De Bekker staat dat gelijk aan een paradijs vol gif en voor dat ‘paradijs’ hebben we zelf gekozen: door middel van verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Met als gevolg dat uiteindelijk niet het gif verdwijnt, maar de onafhankelijkheid van hen wiens taak het is om ons te beschermen tegen de belangen van de industrie. 

De Bekker heeft vijf jaar aan dit dossier gewijd en in die tijd tal van stukken gelezen en mensen gesproken om zo te achterhalen hoe de pesticidenindustrie opereert. Het resultaat is dit boek. In het boek wordt een aantal onderwerpen aangestipt, zoals DDT, bentazon, Parkinson en glyfosaat. Ook wordt er – negatief – gesproken over overheidsinstanties, zoals het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Deze zijn, zoals de ondertitel van het boek al doet vermoeden, eigenlijk te coulant naar de industrie. Daarbovenop wordt de beschuldiging gemaakt dat deze te weinig transparantie bieden aan diegenen die afhankelijk zijn van hun oordeel: wij mensen.

Die houding is begrijpelijk. Wie in Nederland tracht om openheid te verkrijgen over het opereren van aan ministeries gelieerde instituten loopt steevast tegen de muur aan. Zo werden de corona-modellen nooit vrijgegeven, is het nog steeds onduidelijk waarom rekenmodel Aerius nog altijd wordt toegepast voor natuurvergunningen, en krijgen we de VGO-data die de relatie tussen geitenhouderijen en longontsteking moet duiden ook niet te zien. Steeds vaker moet openheid via Woo-verzoeken worden afgedwongen.

Selectief in bronnen

Toch vliegt de auteur een aantal keren uit de bocht. Dat heeft zo te zien te maken met een gebrek aan kennis en het verkeerd leggen van verbanden. In de referentielijst staat een indrukwekkend aantal bronnen, 338 in totaal, maar het is niet compleet. Zo kent het dossier rondom Parkinson al meer dan 800 studies die hebben gekeken naar mogelijke risicofactoren[1]. Te vaak lezen we informatie die afkomstig is van personen werkzaam in een bepaald veld, maar dat kan nooit het totaal zijn. Zo lezen we onder andere over de visie van hoogleraar en neuroloog Bas Bloem. Deze verbaast zich over de verlenging van de toelating van glyfosaat en het uitblijven van een Parkinson-specifieke test. Maar de ironie wil dat er zojuist een studie van onder meer Bas Bloem is gepubliceerd, die indruist tegen eerdere veronderstellingen rondom pesticiden en Parkinson[2]. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat pesticiden, waaronder glyfosaat, geen rol kunnen spelen bij het ontstaan van Parkinson. Maar wie denkt dat alleen pesticiden Parkinson veroorzaken, kijkt met oogkleppen naar een dossier dat tientallen risicofactoren huist[3].

De ophef over pesticiden, zoals glyfosaat, laat zich vaak niet staven door beschikbaar wetenschappelijk onderzoek. Zoals in 2024, toen Zembla/BNNVARA beweerde dat de statistiek rondom het toetsen van glyfosaat haast expres verkeerd wordt gedaan. Zou het Ctgb deze fout herstellen dan zou overduidelijk zichtbaar worden dat glyfosaat kankerverwekkend is, meende Zembla/BNNVARA. Wie echter tracht dit werk te repliceren ziet al snel dat het niet lukt om een dose-response relatie te vinden[4]. De Bekker stipt dit onderwerp echter niet aan. 

Naïeve conclusies

Een groot deel van zijn kritiek heeft betrekking op het gebruik van rekenmodellen die, volgens de Bekker, als representant van de werkelijkheid worden ingezet. Een citaat uit het boek: “Een meting is een specifieke weergave van de situatie op een bepaalde plaats en een bepaald moment, een weergave van de werkelijkheid; een modelberekening is een simulatie van die werkelijkheid. Metingen zijn dus essentieel om een model te staven, zodat het waar nodig aangepast kan worden. Maar dat lijkt onvoldoende te gebeuren.”

Specifiek gaat het hier om metingen van drinkwaterbedrijven over de uitwas van de herbicide Bentazon. Deze laten een ander beeld zien dan wat de rekenmodellen voorspellen, maar het Ctgb wil die metingen niet gebruiken. Daarbij blijken de rekenmodellen ook nog eens door de industrie gebruikt, getest, en met hun input te worden aangepast. Voor De Bekker is het daarmee glashelder dat wat de industrie niet bevalt ook niet wordt opgenomen in de rekenmodellen. Een citaat:

“Tientallen documenten die in de afgelopen drie decennia zijn verschenen rondom de ontwikkeling van pesticiden modellen laten zien hoe problematisch het ontbreken van zo’n controlemechanisme precies is. Ze vertellen het verhaal van een modelleerwereld waarin de scheidslijnen tussen wetenschappers, overheidsregulatoren en de industrie zijn vervaagd. Hierdoor is een risico ontstaan op ongewenste- en door het ontbreken van controle – onopgemerkte invloed van de industrie op de gehanteerde rekenmodellen, het fundament onder het gehele Europese toelatingssysteem.”

Dit is niet uniek voor het pesticidenbeleid. Modellen zijn het begin van een gesprek en niet het einde. Grote dossiers zoals corona, stikstof en het klimaat[5], maar ook het geitendossier, laten keer op keer zien dat er te weinig transparantie is tussen hen die beleid bepalen (of ondersteunen) en hen die met dat beleid te maken krijgen. Vooral het stikstofdossier heeft te leiden onder een gelijkwaardig discours, maar daarover lezen we in dit boek niets als het over rekenmodellen gaat. Dat is jammer, want nu overheerst het beeld dat de landbouwsector maar weinig toevoegt aan onze leefwereld.

Dit artikel verscheen ook in het STAF-blad van maart 2026. Een pdf is hier te downloaden:


[1] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[2] Simões, Mariana, et al. “Incidence and spatial variation of Parkinson’s disease in the Netherlands (2017–2022): a population-based study.” The Lancet Regional Health–Europe (2026).

[3] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[4] https://stichtingagrifacts.nl/zembla-gebruikt-pesticiden-toets-verkeerd/

[5] Marc Jacobs & Ronald Meester. Van aardbeving tot zoönose: Over de inzet van modellen voor beleid. Walburgpers, 2023.

Deel via: