Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten

Om kwetsbare soorten flora en fauna voldoende leefgebied te kunnen bieden, is 450.000 – 850.000 hectare extra grond nodig. Dat blijkt uit het concept-Natuurplan, dat in handen kwam van Staf. Ambtenaren leggen momenteel de laatste hand aan het Natuurplan, dat wordt opgesteld om invulling te geven aan de Europese Natuurherstelverordening. Dit Natuurplan gaat verder dan wat Europa vraagt. 

Het concept-Natuurplan dat Staf in handen kreeg, is opgesteld door ambtenaren van de ministeries LVVN (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), VRO (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), IenW (Infrastructuur en Waterstaat), EZK (Economische Zaken en Klimaat) en Defensie. Uit dit document blijkt dat Nederland kiest voor ambitieus natuurherstel boven het Europese minimum.

Onderbouwing niet beschikbaar

Volgens het concept-Natuurplan is de staat van de Nederlandse natuur voor het overgrote deel slecht. Bovendien is er ook nog eens sprake van een verder verslechterende trend. Verwezen wordt naar de recente natuurrapportage (een reeks databestanden), die Nederland naar Brussel zond. Staf wil weten hoe deze dramatische rapportage tot stand is gekomen. De gebruikte natuurdata blijken echter niet beschikbaar, ook de gehanteerde beoordelingsmeetlat niet. Al wordt toegezegd dat deze laatste wel online zal komen. Uit de databestanden blijkt dat Nederland inzet op de aanwezigheid van veel zeldzame soorten in de natuurgebieden. Ondanks dat Brussel dit niet vraagt. (Zie artikel: Nederland meldt forse verslechtering natuur aan Brussel; onderbouwing niet beschikbaar).

Veel meer leefruimte nodig

Wat opvalt, is dat het Natuurplan in hoge mate inzet op de werving van gronden voor het huisvesten van talrijke soorten. “Nederland moet voor alle Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR) voldoende leefgebied realiseren. Deze opgave zal een aanzienlijk oppervlak beslaan. Eerdere inschattingen van de benodigde ruimte om alle soorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen, komen uit op zo’n 450.000 – 850.000 hectare.” In de voetnoot wordt verwezen naar de NPLG Quickscan. Deze becijferde enkele jaren geleden dat er zo’n 700.000 hectare aan extra natuur nodig is om de Natura 2000-doelen te halen.

Waar moeten al die hectares vandaan komen? Enerzijds denken de opstellers van het concept-Natuurplan aan bufferzones om N2000-gebieden, anderzijds om pakketten natuurbeheer op landbouwgronden, bijvoorbeeld voor weide- en akkervogels, en vlinders en insecten.

Ook in het stedelijke groen moet worden geïnvesteerd. “Voor de invulling van artikel 8 vraagt de Europese Commissie aan lidstaten stedelijke ecosystemen aan te wijzen.” Gemeenten met minder dan 45% groene ruimte en minder dan 10% boomkroonbedekking krijgen een opgave om de groenvoorziening in / om het stedelijke gebied uit te breiden. Mogelijk wordt ook hiervoor landbouwgrond rond steden ingezet.

Zwaarder juridisch regime op NNN-natuur

Habitattypen liggen niet meer alleen in N2000-gebieden, maar voortaan ook in NNN-gebieden. “Het huidige regime op NNN-gebieden biedt onvoldoende basis voor het voorkomen van significante verslechtering van habitattypen en bescherming van gerealiseerd herstel”, aldus het concept-Natuurplan. “In de Omgevingswet wordt een grondslag opgenomen voor het stellen van regels aan activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor habitattypen en leefgebieden gelegen in de NNN.” Dit betekent dat voor NNN-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen dezelfde regels gaan gelden als voor N2000-gebieden.

In de zomer van 2024 nam de Raad van de Europese Unie de Natuurherstelverordening aan. Waar aanvankelijk werd gesproken over een verbod op de achteruitgang van natuurkwaliteit, koos Europa uiteindelijk voor een inspanningsverplichting: lidstaten moeten zich inspannen om verdere achteruitgang te voorkomen en herstel te realiseren. Opvallend is dat het Nederlandse concept-Natuurplan niet spreekt van inspanningsverplichtingen, maar uitgaat van resultaatverplichtingen. Er komen concrete doelen voor allerhande soorten: weide- en akkervogels, wilde bijen en zweefvliegen, dag- en nachtvlinders. Dit kan grote juridische gevolgen krijgen wanneer doelen niet snel genoeg worden gehaald.

Energieprojecten ontzien

Artikel 6 van het Natuurherstelplan biedt lidstaten de mogelijkheid projecten uit te zonderen van allerlei toetsingen. Het concept-Natuurplan wil projecten voor hernieuwbare energie uitsluiten van de toetsing waarbij gekeken wordt of er minder schadelijke alternatieven zijn. Volgens de opstellers van het plan hebben energieprojecten een beperkt effect op de kwetsbare soorten.

Groot beslag op landbouwgrond

Het huidige landbouwareaal, inclusief landschapselementen, bedraagt zo’n 1.845.000 hectare. Voor het halen van de natuurdoelen is daarvan minimaal een kwart nodig voor het huisvesten van soorten. Nederland is daarmee een stuk ambitieuzer dan andere lidstaten. Volgens de internationale afspraak zou 30% van de land- en binnenwateren beschermde natuur moeten worden. (Na realisatie van het NNN in 2027 zit Nederland al op zo’n 26%). Nederland torent met haar ambities in het concept-Natuurplan ver boven die 30% uit en stevent af op naar schatting 40%. Daarbij komt dat lidstaten in hun natuurherstelplannen rekening mogen houden met land- en regiospecifieke elementen, zoals bevolkingsdichtheid. Het concept-Natuurplan doet dit niet.

Het Natuurplan wordt een verplicht programma onder de Omgevingswet. Lidstaten moeten hun Natuurherstelplan uiterlijk 1 september 2027 indienen bij de Europese Commissie. De opstellers van het concept-Natuurplan willen de 20 miljard euro van het Stikstoffonds gebruiken voor de uitvoering.

Deel via:

Nederlandse natuur fors verslechterd; onderbouwing niet beschikbaar

De Nederlandse natuur is in de afgelopen zes jaar fors verslechterd. Dat blijkt uit natuurgegevens die Nederland onlangs naar Brussel heeft gestuurd. De gegevens zouden de feitelijke staat van de natuur laten zien, deze zijn dus niet gebaseerd op rekenmodellen. Hoe komt Nederland tot deze dramatische rapportage? De feiten checken blijkt (nog) niet mogelijk: zowel de gehanteerde meetlat als de onderliggende data zijn niet beschikbaar.

Iedere zes jaar moeten lidstaten aan Europa melden hoe het ervoor staat met de natuur; de werkelijke staat van de natuur. Eind vorig jaar stuurde Nederland de verplichte databestanden voor de Habitat- en Vogelrichtlijnrapportage naar Brussel. Deze laten de ontwikkelingen in de natuur zien over de periode 2019-2024. Uit de gegevens blijkt dat 28 van de 52 habitattypen in Nederland verslechteren. En juist die verslechtering is uit den boze volgens de Europese wetgeving. Tot 2019 stond de Nederlandse natuur er een stuk beter voor. Toen was van verslechtering in mindere mate sprake.

Uit de databestanden blijkt ook dat ons land veranderingen heeft doorgevoerd in de wijze waarop de staat van de natuur wordt beoordeeld. Wordt er strenger gemeten, waardoor de uitkomsten slechter uitpakken? Volgens het ministerie van LVVN is er daadwerkelijk achteruitgang opgetreden. Provincies waren verantwoordelijk voor het aanleveren van de gegevens.  

Beoordelingsmeetlat (nog) niet beschikbaar

Staf wil controleren hoe de forse natuurverslechtering in de afgelopen zes jaar tot stand is gekomen. Dat blijkt niet mogelijk. Het ministerie van LVVN geeft aan dat de beoordelingsmeetlat nog niet beschikbaar is. Die komt in de loop van 2026 online. “De rapporten zijn uitgebreider dan bij vorige rapportages, omdat nu per soort en habitattype wordt toegelicht hoe tot de beoordeling is gekomen. Daardoor duurt het wat langer voor ze gereed zijn.”

In de databestanden die Nederland aanleverde bij Brussel, is wel te zien welke natuurgegevens zijn gebruikt. De trend is bepaald vanuit het Landelijk Meetnet Flora (LMF). Als Staf deze gegevens wil inzien, blijkt dat niet mogelijk. “De LMF-gegevens zijn niet rechtstreeks publiek beschikbaar”, stelt het ministerie van LVVN. Er worden alternatieven aangedragen. “Alle verzamelde gegevens over soorten worden jaarlijks geüpload in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De uitkomsten van trendberekeningen zijn beschikbaar via het Compendium voor de Leefomgeving.” Met deze twee alternatieve bronnen blijkt het echter niet mogelijk om de natuurrapportage aan Brussel te controleren. Nederland baseert haar bevindingen voor een belangrijk deel op zeldzame soorten planten, mossen en paddenstoelen. Juist de informatie over zeldzame soorten wordt (deels) afgeschermd in de NDFF. Dit gebeurt om die soorten extra te beschermen. Ook het Compendium voor de Leefomgeving biedt geen uitkomst. Deze rapporteert niet over soorten, maar over soortenrijkdom.

Enorme uitbreiding vereiste soorten

Tot voor kort baseerde Nederland de natuurkwaliteit voor een belangrijk deel op typische soorten. Landelijk ging het om een kleine 400 stuks, voornamelijk planten, mossen en vlinders. Kwam er ergens een van deze soorten bij, dan was er sprake van verbetering. Viel er een weg, waarvoor niks terug kwam, dan werd dat gerapporteerd als verslechtering. Rond 2020 kozen Provincies ervoor om alle soorten die op papier passend kunnen zijn, ook te eisen in hun individuele N2000-gebieden. Dit betekende dat aan N2000-gebieden soortenlijsten werden gehangen van gemiddeld 100 tot 200 typische soorten. Wanneer minimaal 60% van deze soorten aanwezig is, is de natuurkwaliteit goed. Deze verzwaring is geen eis van Europa, maar van de provincies.

Onlangs gingen de provincies nog een flinke stap verder. De landelijke soortenlijst werd flink uitgebreid. Die lijst telt nu bijna 1.000 soorten. Per natuurgebied staan er thans 250 – 500 soorten op de lijst. Wat nog meer opvalt, is dat het in hoge mate gaat om (zeer) zeldzame soorten. Ook staan er soorten op de lijst die (nog) niet in Nederland voorkomen. Houden provincies vast aan hun eis dat minimaal 60% van die soorten moeten voorkomen voor een goede natuurkwaliteit? BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de provincies, laat weten vragen hierover niet op korte termijn te kunnen beantwoorden.

Nederland oordeelt strenger dan Duitsland

De kwaliteit van een habitattype wordt afgemeten aan de soorten die er voorkomen. Per habitattype is er een lijst met soorten samengesteld. Hoe meer van deze soorten aanwezig zijn, hoe beter de natuurkwaliteit. Nederland legt met de soortenkeuze de lat flink hoger dan Duitsland. Waar Nederland kiest voor meer en zeldzamere soorten, kiest Duitsland voor minder en algemenere soorten.

Voor habitattype droge heide staan er 26 soorten op de Nederlandse lijst: 17 zeldzame en 8 algemene. Hiervan moet 60% aanwezig zijn voor een goede kwaliteitsscore. Voor heidevelden in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen (grenst aan Nederland) staan er 25 soorten op de lijst: 9 zeldzame en 15 algemene. Wanneer 6 of meer van deze soorten aanwezig zijn, is er sprake van een goede kwaliteit.

Wanneer in Nederland de Duitse soortenlijst zou worden toegepast, wordt naar alle waarschijnlijkheid ruim aan de kwaliteitseis voor heide voldaan.

Lees ook:

Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten.

Deel via:

Bufferstroken hebben geen meetbaar effect op waterkwaliteit

Staf krijgt geregeld de vraag of bufferstroken langs watergangen – verplicht sinds 1 maart 2023 – effectief zijn. Hebben die geleid tot een afname van de stikstof en fosfor in het oppervlaktewater? Staf checkte de metingen van waterschappen. Daaruit blijkt (tot nu toe) geen effect meetbaar. In plaats van een afname van de concentraties, is er zelfs sprake van een toename. Met bufferstroken lijkt een “probleem” te worden aangepakt, dat in werkelijkheid geen probleem is.

Sinds 1 maart 2023 zijn in Nederland bufferstroken langs watergangen verplicht. Deze maatregel is onderdeel van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De teeltvrije stroken zijn bedoeld om de afspoeling van meststoffen naar het oppervlaktewater te verminderen. Tienduizenden hectares landbouwgrond mogen sinds genoemde datum niet meer worden beteeld en bemest. Bijkomstig is de afbouw van de derogatie, die ook in 2023 aanving. Daardoor wordt er sindsdien minder dierlijke mest uitgereden. Ook deze maatregel beoogt het uitspoelen van meststoffen naar het water te verminderen. Welk effect wordt er gemeten van deze maatregelen?  

Wageningen Environmental Research berekende in 2022 welk effect van de bufferstroken verwacht mocht worden. Naar schatting zou de stikstofbelasting naar het oppervlaktewater op landelijke schaal met zo’n 5 tot 10 procent verminderen. Voor fosfor werd een afname van zo’n 5 procent berekend.

Niet minder, maar meer N en P

Waterschappen meten sinds jaar en dag de stikstof- en fosforconcentraties in het oppervlaktewater. Dit gebeurt met grote regelmaat, meestal eens per maand. Welk effect hebben zij gemeten van de bufferstroken en de afbouw van de derogatie? Om hierachter te komen worden de stikstof- en fosformetingen van acht waterschappen met relatief veel landbouwgebied verzameld. Het gaat om: Aa & Maas (NBr), Friesland, Hollands Noorderkwartier (NH), Noorderzijlvest (Gr), Scheldestromen (Z), Vallei & Veluwe (Gld/U), Vechtstromen (Ov) en Zuiderzeeland (Fl). De metingen over de jaren 2021 en 2022 worden vergeleken met de metingen over de jaren 2023  en 2024. Hierbij de kanttekening dat meetwaarden jaarlijks kunnen fluctueren, bijvoorbeeld als gevolg van weersomstandigheden. Echter, wanneer bufferstroken en afbouw derogatie substantieel bijdragen aan de waterkwaliteit, zou dit moeten blijken uit de resultaten.

In de meetresultaten is echter geen afname van de stikstof en fosfor in het oppervlaktewater te bespeuren, er is zelfs sprake van een toename van de gemiddelde concentraties. Zie figuren 1 en 2. Deze uitkomsten liggen in lijn met de metingen van het RIVM. Ook binnen het Meetnet Effecten Mestbeleid is (nog) geen effect gemeten van de bufferstroken en de afbouw van de derogatie. In de jaren 2023 en 2024 is er sprake van een toename van de stikstofconcentraties in het slootwater.

Figuur 1. In 2023 werden bufferstroken verplicht en werd gestart met de afbouw van de derogatie. De stikstofconcentraties in het oppervlaktewater daalden niet.
Figuur 2. De fosforconcentraties in het oppervlaktewater dalen (nog) niet, ondanks ingrijpende maatregelen sinds 2023.

Reactie RIVM

Het vraagstuk wordt voorgelegd aan het RIVM. “De stikstofconcentraties in het slootwater zijn in 2023 en begin 2024 inderdaad gestegen. Het is echter niet mogelijk om hieruit te concluderen dat de bufferstroken of derogatie-afbouw geen effect of zelfs een averechts effect hebben. Deze stijging is namelijk grotendeels te verklaren door de natte periode, in combinatie met de vertragingstijd van het bodem- en watersysteem. Daarnaast verwachten we de impact van bufferstroken en de afbouw van derogatie niet meteen te meten. Door complexe processen in het water- en bodemsysteem kost het vaak 1 tot 5 jaar voordat beleidseffecten daadwerkelijk te zien zijn. Op de korte termijn is de invloed van het weer hoogstwaarschijnlijk groter dan het effect van een nieuwe maatregel zoals bufferstroken.”

Oplossen niet bestaand probleem?

Volgens het RIVM helpen bufferstroken vooral oppervlakkige afspoeling voorkomen. De uitspoeling via het grondwater of drains wordt niet tegenhouden met bufferstroken. Een maatregel tegen afspoeling dus, niet tegen uitspoeling. Maar, is er in de landbouw wel sprake van oppervlakkige afspoeling? Hoeveel bedraagt die eigenlijk?

Beleidstukken en beleidsondersteunend onderzoek spreken consequent over ‘uit- en afspoeling landbouwgronden’. De uit- en afspoeling worden bij elkaar geteld. In oudere rapporten (zoals Alterra-rapport 2638; EmissieRegistratie 2013) gebeurt dat nog niet. Daaruit blijkt dat de afspoeling slechts een fractie (2 procent) bedraagt van de ‘uit- en afspoeling’. Dit is heel weinig en bovendien een verouderd cijfer. Afspoeling – waarbij mest van de akkers afregent de sloot in – is nauwelijks een onderwerp. De voormalige teelt- en bemestingsvrije zones bleken goed te werken. Daar komt bij dat er in de Nederlandse landbouw steeds meer gebruik wordt gemaakt van verfijnde technieken voor de mestaanwending. De verplichte bredere bufferstroken voegen hier vrijwel niks aan toe. Het is dan ook niet aannemelijk dat we hiervan een effect gaan meten op de waterkwaliteit.

Deel via:

NDA Haaksbergerveen neemt onderzoeken Staatsbosbeheer niet mee

Ecologisch Onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga deed meerdere keren natuuronderzoek in het Natura 2000-gebied Haaksbergerveen. Vreemd genoeg is dit niet terug te vinden in de Natuurdoelanalyse (NDA) van provincie Overijssel. Deze baseert zich voor een groot deel op onderzoek van Roland Bobbink van B-WARE, met zware nadruk op stikstof. Maar ook volgens de Ecologische Autoriteit mankeert er veel aan de NDA.

Door René Luijmes

Het Haaksbergerveen is een van de best herstellende hoogveenrestanten van Nederland’, zo meldt Staatsbosbeheer op haar website. ‘Dankzij een uitgekiend waterhuishoudingssysteem krijgt het hoogveen de kans om zich net als vroeger te ontwikkelen. Een stabiele waterstand is een belangrijke voorwaarde voor het behoud van hoogveen. Dit wordt onder meer bereikt door in het natuurgebied meer regenwater vast te houden.’ Nergens is te vinden waarop Staatsbosbeheer zich baseert bij de best herstellende hoogveenrestanten. Een NDA moet besluiten over natuurbeleid van de provincie ondersteunen.
En de keuze van maatregelen voor natuurherstel. De analyse – ook gemaakt door de provincie – gaat uit van de meest recente wetenschappelijke informatie. Daar schort het nogal aan. Volgens de analyse worden de natuurdoelen voor een groot deel van de Natura 2000-gebieden in Overijssel de komende jaren niet gehaald. De opstellers baseren zich op stikstofberekeningen (dus modellen), natuurgegevens en waarnemingen in het veld. Maar: ‘Nieuwe onderzoeken of data-analyses voeren we niet uit voor deze versie van de natuurdoelanalyses.’

Geen analyse en geen conclusie

Uit de NDA van het Buurserzand/Haaksbergerveen (voortaan Haaksbergerveen) blijkt dat de kwaliteit van actief hoogveen (2,5 hectare en herstellende hoogvenen (312,6 hectare) goed is. De trend in areaal en kwaliteit is ‘plus’. De NDA leunt zwaar op onderzoek van Bobbink van B-WARE. Dus heel zwaar op het effect van stikstof. Opvallend is dat het onderzoek van Bobbink (2022) is gemaakt in opdracht van Greenpeace.
De NDA is duidelijk ‘werk in uitvoering’. Er zijn data, maar hiermee zijn geen analyses uitgevoerd. Er zijn geen conclusies te trekken. Of herstelmaatregelen in het Natura 2000-gebied Haakbergerveen effect hebben, wordt pas sinds 2018 bekeken.

Verder lezen?

Download hieronder het artikel (verschenen in het STAF-blad van maart 2026).

Deel via:

Ook Brussel kreeg verwarrende watercijfers over Nederlandse landbouw

De Staf-publicatie van december 2025 leidde tot veel vragen bij waterschappen, provincies en de Tweede Kamer. Het Planbureau voor de Leefomgeving had watervervuiling uit andere bronnen – de achtergrondconcentraties – toegerekend aan de landbouw. Minister Vincent Karremans, waterschappen en provincies stellen dat zij de PBL-cijfers niet gebruiken voor hun beleid. Echter, in de rapportage aan de Europese Commissie vinden we de misleidende watercijfers wel terug.

Het Staf-artikel over het toerekenen van stikstof en fosfor uit onder meer natuurlijke bronnen aan de landbouw, leverde veel vragen op. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bevestigde desgevraagd extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, toe te rekenen aan de landbouw. Doch zonder dit te vermelden. Daardoor ontstond het beeld dat wat aan de landbouw wordt toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

PBL-cijfers niet gebruikt in Nederland

Inmiddels zijn veel vragen over de verwarrende PBL-watercijfers beantwoord. Zonder uitzondering stellen Nederlandse overheden dat de watercijfers van het PBL niet worden gebruikt voor het beleid. Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Vincent Karremans, zegt in zijn Kamerbrief van 12 maart 2026: “Alle waterbeheerders in Nederland (Ministerie IenW, provincies en waterschappen) houden rekening met natuurlijke achtergrondconcentraties. De achtergrondconcentraties worden zowel betrokken bij de afleiding van de doelen, als bij de beoordeling of aan de doelen is voldaan. Hierbij betrekken de waterbeheerders de gebied-specifieke omstandigheden in hun beheergebied.”

Wetterskip Fryslân stelt dat het PBL een andere indeling van bronnen hanteert dan bijvoorbeeld Wageningen UR. Het PBL neemt zowel natuurlijke bronnen (zoals kwel) als antropogene bronnen (zoals bemesting) mee bij ‘landbouw’. Volgens het Wetterskip zou er geen beleid gebaseerd zijn op de watercijfers van het PBL. Het landelijke beleid wordt gebaseerd op de bronnenanalyses van Wageningen UR. Ook het Wetterskip baseert zich op die gegevens. Een vergelijkbare uitleg zien we bij Provincie Groningen en Provincie Limburg, in antwoord op vragen.

Verwarrende watercijfers wel naar Brussel

Volgens toenmalig minister Wiersma zou de landbouw een aandeel hebben van 31 procent in de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied. Dit antwoordde zij in december 2025 op Kamervragen. Het PBL komt echter uit op ruim 50 procent, door de achtergrondconcentratie ook toe te rekenen aan de landbouw. Deze toerekening bleef aanvankelijk onvermeld. Inmiddels heeft het PBL de website aangevuld met een toelichting.

Waterbeheerders beantwoorden de kritiek met sussende woorden: de PBL-cijfers worden niet gebruikt voor het Nederlandse mestbeleid. Echter, de PBL-cijfers zijn wel naar de Europese Commissie gestuurd middels de Nitraatrapportage. Deze rapportage is bepalend voor onder meer het verkrijgen van derogatie. Europa staat het gebruik van meer dierlijke mest alleen toe, als dat niet ten koste gaat van verbetering van de waterkwaliteit. De Europese Commissie kreeg de volgende toelichting bij de cijfers: ‘De grootste bron voor stikstof en fosfor is de uit- en afspoeling (diffuse belasting) vanuit de bodem in de landbouwgronden (50 procent)’. Dat ook de achtergrondconcentraties waren toegerekend aan de landbouwgronden, werd niet bij de grafiek vermeld. Eurocommissaris Jessica Roswell sloeg toenmalig minister Wiersma met deze toelichting om de oren. Volgens Roswell was 50 procent van de stikstof in de Nederlandse wateren afkomstig uit de landbouw. Van het verlenen van derogatie kon geen sprake zijn. Ook hier was het beeld dat wat aan de landbouw is toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

Figuren. De PBL-watercijfers (links) vinden we terug in de Nitraatrapportage voor de Europese Commissie (rechts). In beide grafieken zijn de achtergrondconcentraties toegerekend aan de landbouw.

Deel via:

Pesticiden Paradijs naïef over wetenschap

In januari verscheen Het Pesticiden Paradijs  – Over de impact van bestrijdingsmiddelen, verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Auteur Dirk de Bekker, journalist bij onder meer de Groene Amsterdammer, doet voorkomen dat die verstrengeling er enkel is bij pesticiden. Hetzelfde boek had geschreven kunnen worden over stikstof, corona, klimaat en geitenhouderij & gezondheid omwonenden.

Boekbespreking door Marc Jacobs.

Het boek van De Bekker is vanaf de titel duidelijk: we leven in een paradijs van pesticiden. Voor De Bekker staat dat gelijk aan een paradijs vol gif en voor dat ‘paradijs’ hebben we zelf gekozen: door middel van verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Met als gevolg dat uiteindelijk niet het gif verdwijnt, maar de onafhankelijkheid van hen wiens taak het is om ons te beschermen tegen de belangen van de industrie. 

De Bekker heeft vijf jaar aan dit dossier gewijd en in die tijd tal van stukken gelezen en mensen gesproken om zo te achterhalen hoe de pesticidenindustrie opereert. Het resultaat is dit boek. In het boek wordt een aantal onderwerpen aangestipt, zoals DDT, bentazon, Parkinson en glyfosaat. Ook wordt er – negatief – gesproken over overheidsinstanties, zoals het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Deze zijn, zoals de ondertitel van het boek al doet vermoeden, eigenlijk te coulant naar de industrie. Daarbovenop wordt de beschuldiging gemaakt dat deze te weinig transparantie bieden aan diegenen die afhankelijk zijn van hun oordeel: wij mensen.

Die houding is begrijpelijk. Wie in Nederland tracht om openheid te verkrijgen over het opereren van aan ministeries gelieerde instituten loopt steevast tegen de muur aan. Zo werden de corona-modellen nooit vrijgegeven, is het nog steeds onduidelijk waarom rekenmodel Aerius nog altijd wordt toegepast voor natuurvergunningen, en krijgen we de VGO-data die de relatie tussen geitenhouderijen en longontsteking moet duiden ook niet te zien. Steeds vaker moet openheid via Woo-verzoeken worden afgedwongen.

Selectief in bronnen

Toch vliegt de auteur een aantal keren uit de bocht. Dat heeft zo te zien te maken met een gebrek aan kennis en het verkeerd leggen van verbanden. In de referentielijst staat een indrukwekkend aantal bronnen, 338 in totaal, maar het is niet compleet. Zo kent het dossier rondom Parkinson al meer dan 800 studies die hebben gekeken naar mogelijke risicofactoren[1]. Te vaak lezen we informatie die afkomstig is van personen werkzaam in een bepaald veld, maar dat kan nooit het totaal zijn. Zo lezen we onder andere over de visie van hoogleraar en neuroloog Bas Bloem. Deze verbaast zich over de verlenging van de toelating van glyfosaat en het uitblijven van een Parkinson-specifieke test. Maar de ironie wil dat er zojuist een studie van onder meer Bas Bloem is gepubliceerd, die indruist tegen eerdere veronderstellingen rondom pesticiden en Parkinson[2]. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat pesticiden, waaronder glyfosaat, geen rol kunnen spelen bij het ontstaan van Parkinson. Maar wie denkt dat alleen pesticiden Parkinson veroorzaken, kijkt met oogkleppen naar een dossier dat tientallen risicofactoren huist[3].

De ophef over pesticiden, zoals glyfosaat, laat zich vaak niet staven door beschikbaar wetenschappelijk onderzoek. Zoals in 2024, toen Zembla/BNNVARA beweerde dat de statistiek rondom het toetsen van glyfosaat haast expres verkeerd wordt gedaan. Zou het Ctgb deze fout herstellen dan zou overduidelijk zichtbaar worden dat glyfosaat kankerverwekkend is, meende Zembla/BNNVARA. Wie echter tracht dit werk te repliceren ziet al snel dat het niet lukt om een dose-response relatie te vinden[4]. De Bekker stipt dit onderwerp echter niet aan. 

Naïeve conclusies

Een groot deel van zijn kritiek heeft betrekking op het gebruik van rekenmodellen die, volgens de Bekker, als representant van de werkelijkheid worden ingezet. Een citaat uit het boek: “Een meting is een specifieke weergave van de situatie op een bepaalde plaats en een bepaald moment, een weergave van de werkelijkheid; een modelberekening is een simulatie van die werkelijkheid. Metingen zijn dus essentieel om een model te staven, zodat het waar nodig aangepast kan worden. Maar dat lijkt onvoldoende te gebeuren.”

Specifiek gaat het hier om metingen van drinkwaterbedrijven over de uitwas van de herbicide Bentazon. Deze laten een ander beeld zien dan wat de rekenmodellen voorspellen, maar het Ctgb wil die metingen niet gebruiken. Daarbij blijken de rekenmodellen ook nog eens door de industrie gebruikt, getest, en met hun input te worden aangepast. Voor De Bekker is het daarmee glashelder dat wat de industrie niet bevalt ook niet wordt opgenomen in de rekenmodellen. Een citaat:

“Tientallen documenten die in de afgelopen drie decennia zijn verschenen rondom de ontwikkeling van pesticiden modellen laten zien hoe problematisch het ontbreken van zo’n controlemechanisme precies is. Ze vertellen het verhaal van een modelleerwereld waarin de scheidslijnen tussen wetenschappers, overheidsregulatoren en de industrie zijn vervaagd. Hierdoor is een risico ontstaan op ongewenste- en door het ontbreken van controle – onopgemerkte invloed van de industrie op de gehanteerde rekenmodellen, het fundament onder het gehele Europese toelatingssysteem.”

Dit is niet uniek voor het pesticidenbeleid. Modellen zijn het begin van een gesprek en niet het einde. Grote dossiers zoals corona, stikstof en het klimaat[5], maar ook het geitendossier, laten keer op keer zien dat er te weinig transparantie is tussen hen die beleid bepalen (of ondersteunen) en hen die met dat beleid te maken krijgen. Vooral het stikstofdossier heeft te leiden onder een gelijkwaardig discours, maar daarover lezen we in dit boek niets als het over rekenmodellen gaat. Dat is jammer, want nu overheerst het beeld dat de landbouwsector maar weinig toevoegt aan onze leefwereld.

Dit artikel verscheen ook in het STAF-blad van maart 2026. Een pdf is hier te downloaden:


[1] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[2] Simões, Mariana, et al. “Incidence and spatial variation of Parkinson’s disease in the Netherlands (2017–2022): a population-based study.” The Lancet Regional Health–Europe (2026).

[3] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[4] https://stichtingagrifacts.nl/zembla-gebruikt-pesticiden-toets-verkeerd/

[5] Marc Jacobs & Ronald Meester. Van aardbeving tot zoönose: Over de inzet van modellen voor beleid. Walburgpers, 2023.

Deel via:

Waarom natuurorganisatie mest uitrijdt in N2000-gebied

Een wandelaar liep in het bos op de Veluwe en kwam enkele velden tegen die recent waren bemest. Als de overheid roept dat de Veluwe het zo zwaar heeft vanwege stikstof, is het dan niet vreemd dat de natuurorganisatie wel mest mag uitrijden? Deze vraag kwam binnen bij Staf. De redactie zocht het uit.

De wandelaar stuurde enkele foto’s en gaf de coördinaten door van twee percelen waar hij de bemesting had aangetroffen. De redactie bracht daarop een bezoek aan het gebied. De percelen bleken te liggen in Kroondomein Het Loo, een deel van N2000-gebied de Veluwe. Het Kroondomein staat binnen de natuurwereld bekend als een prachtig terrein dat goed wordt beheerd.

De percelen werden dankzij de informatie van de wandelaar gemakkelijk gevonden. Het ging om deels verteerde stalmest, een mengsel van mest en strooisel. De bemeste percelen waren omringd door stikstofgevoelige natuur: heide, eikenbos, bos van arme zandgronden.

Jaarlijkse bemesting wildweides

Om wat voor mest gaat het precies en waarom rijdt de natuurorganisatie deze uit? Deze vraag werd gesteld aan het Kroondomein. “Dat doen we ieder jaar”, vertelt Wout Neutel, rentmeester van het gebied. Het gaat om de mest van de eigen schaapskudde. Deze gescheperde kudde loopt zo’n 8 tot 9 maanden per jaar op de heide en brengt de winter door ‘bij huis’. De schapen worden bijgevoerd. De stalmest wordt in het voorjaar uitgereden op een aantal percelen in het natuurgebied.

“Het gebied is schraal. Daarom hebben wij op het terrein wildweides. Deze worden bemest om aantrekkelijk te blijven voor grote hoefdieren, vooral herten. Anders gaan deze dieren buiten het natuurgebied op zoek naar voedsel, bij boeren in de omgeving. Hiermee houden wij de hoefdieren tevreden en op hun plek.” Niet alleen de hoefdieren, maar ook de insecten, kevers en vogels varen wel bij de bemesting. En de heide? “Ook die reageert er positief op. Hiermee wordt een mat van pijpenstrootje doorbroken.”  

De wandelaar heeft wel een punt. Een extra ‘vogelpoepje’ aan stikstof kan volgens beleidsmakers al teveel zijn voor stikstofgevoelige natuur. Hier gaat het om meer dan dat. De rentmeester weet niet hoe het zit met stikstof. Er wordt een mestboekhouding bijgehouden, maar hoeveel de emissie bedraagt is onbekend. Voor de fauna op het Kroondomein heeft deze bemesting in ieder geval grote waarde.

Het trekkerspoor met verloren restjes stalmest leidt naar een van de wildweides.
Een pas bemeste wildweide in het eiken- en beukenbos.

Deel via:

Nederlandse heide bedroevend, Duitse kerngezond

Aan de Nederlandse kant van de grens ligt de heide er bedroevend bij, aan de Duitse kant is die kerngezond. Dat blijkt uit de natuurdata die Nederland[1] en Duitsland[2] onlangs aanleverden bij de Europese Commissie. Het contrast in natuurkwaliteit kan nauwelijks groter zijn. Stikstof maakt niet het verschil, de berekende stikstofneerslag is aan weerszijden van de grens ongeveer gelijk. Wat doen de Duitsers beter?  

Een jaar of vijf geleden viel het al op: op de kaart van de Europese Commissie kleurt de Nederlandse heide rood en de aangrenzende Duitse heide groen (zie afbeelding). Het gaat in beide gevallen om heide (habitattype 4030) in het Atlantische deel van Europa. Daar valt Nederland onder en ook het aangrenzende noordwesten van Duitsland. Er werden in 2021 Kamervragen over gesteld[3]. Carola Schouten, toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hield het erop dat de Duitse monitoring niet deugde. “Duitsland heeft de lat voor de gunstige referentiewaarden en voor de beoordeling van de kwaliteit lager gelegd dan Nederland en de aanbevelingen van de Europese Commissie.” Volgens Schouten zouden de Duitsers hun rapportage aanpassen, waarna de heidevelden er aan weerzijden van de grens even slecht bij zouden liggen.   

Schouten krijgt nu ongelijk. Onlangs stuurde Duitsland haar nieuwe natuurrapportage naar Brussel. Daaruit blijkt dat de heide in het Atlantische deel van Duitsland wederom de beste natuurscore haalt. Ook Nederland leverde haar zogenaamde artikel 17-databestanden in. In ons land staat de heide er onverminderd slecht op.

Militair beheer Duitsland

Wat verklaart het Duitse succes? Deze keer heeft Duitsland de reden meegestuurd naar Brussel: “Militair gebruik en terreinbeheer hebben overwegend een positieve invloed op de specifieke structuren en functies van dit habitattype.” Duitsland heeft ruim 70 procent van haar militaire oefenterrein – hoofdzakelijk gelegen in heidelandschappen – aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit vanwege de hoge natuurwaarden in deze terreinen. De militaire oefeningen en het bijbehorende terreinbeheer zorgen voor de bodemverstoringen die heide nodig heeft. De open en omgewoelde plekken zijn geliefd bij talrijke dieren en planten. Bedreigde vogelsoorten, zoals de graspieper, de boomleeuwerik, de hop en de nachtzwaluw, evenals insectensoorten zoals de heidesprinkhaan, de zandloopkever en loopkevers, profiteren hier van het speciale beheer. Dat geldt ook voor de zandhagedis en de gladde slang. 

Volgens Duitsland zijn militaire oefenterreinen van grote waarde voor de instandhouding van droge heiden, zandheiden en droge zandgraslanden. Het verdwijnen van militairen uit heideterreinen wordt door onze oosterburen genoemd als een belangrijke risicofactor voor een goede staat van instandhouding.

Defensieterreinen Nederland

Nederland wees vooral terreinen aan van natuurorganisaties als Natura 2000. Er zijn slechts enkele (delen van) defensieterreinen aangewezen, ondanks dat hier ook in ons land hoge natuurwaarden zijn te vinden. De Rijksoverheid schrijft hierover op haar website: “Op Defensieterreinen is veel bijzondere natuur. Bijvoorbeeld kruikmos, valkruid, kleinere broedvogels en de kleine wrattenbijter (een sprinkhaan). Door de bijzondere omstandigheden op oefenterreinen komen deze soorten daar juist voor.”

Verschil in beoordeling kwaliteit

Niet alleen het beheer van de heideterreinen is verschillend, ook de wijze waarop Nederland en Duitsland de heidekwaliteit beoordelen is ongelijk. Nederland kijkt vooral naar het aantal karakteristieke soorten in de heidevelden. Het gaat dan om (bijzondere) soorten planten, insecten, vlinders en vogels. Nederland constateert dat hun aantallen gemiddeld steeds verder afnemen.

Duitsland kijkt op de eerste plaats naar de heide zelf[4]. Alle vier de ontwikkelstadia moeten als een mozaïek te zien zijn in het veld. Een goede kwaliteit toont zich als een lappendeken van de pioniersfase (0-6 jaar: schaarse begroeiing met grote diversiteit aan andere planten), vestigingsfase (7-15 jaar: heide vormt gesloten tapijt, de bloei is op zijn hoogtepunt), volwassenfase (16-25 jaar: heide bereikt maximale hoogte, de veroudering vangt aan), aftakelfase (>25 jaar: de stengels sterven vanuit het midden van de plant af, waardoor ruimte ontstaat voor mossen en korstmossen).

De heide moet volgens de Duitsers voortdurend worden verstoord om >50% van de heideplanten in de eerste drie stadia te behouden. Dat geeft de grootste biodiversiteit. Gebruik door militairen blijkt in de praktijk een goede vorm van beheer te zijn.


[1] https://www.natura2000.nl/rapportage-vogel-en-habitatrichtlijn

[2] Nationaler Bericht nach Art. 17 FFH-Richtlinie (2025), Teil Lebensraumtypen (Teil D). Lrt: 4030: Trockene Heiden, ATL: Atlantische Region.

[3] Eerste Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2020–2021, Wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), Nadere memorie van antwoord, ontvangen 19 februari 2021.

[4] Kriterien für die bewertung des Erhaltungszustandes LRT Trockene europäisische Heiden (4030)

Deel via:

Kans op ziekte van Parkinson afgenomen

In het publieke debat worden gewasbeschermingsmiddelen vaak als dé oorzaak van de ziekte van Parkinson aangewezen. Een recente wetenschappelijke publicatie in The Lancet laat zien dat dit beeld te simplistisch is. Parkinson kent meerdere oorzaken en risicofactoren. Daarbij blijft onderbelicht dat in Nederland de kans om Parkinson te krijgen de afgelopen vijftien jaar juist duidelijk is afgenomen.

Hoewel de Nivel-cijfers geen exact beeld geven van het aantal Parkinsongevallen, bieden zij wel een goede indicatie van trends. Sinds 2011 is het aantal nieuwe diagnoses van parkinsonisme gedaald. Deze afname deed zich vooral voor bij vrouwen; bij mannen bleef het aantal diagnoses vrijwel gelijk. Wanneer wordt gecorrigeerd voor bevolkingsgroei, blijkt dat de kans om door een huisarts te worden gediagnosticeerd met Parkinson of vergelijkbare aandoeningen is gedaald van 1,1 per duizend inwoners in 2011 naar 0,7 per duizend inwoners.
Ook het onderzoek naar regionale verschillen in Parkinsonincidentie laat over de periode 2017–2022 een licht dalende trend zien, gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht. Omdat een deel van deze periode samenvalt met de COVID-19-pandemie, moeten deze cijfers met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Ondanks de dalende incidentie neemt het totale aantal mensen met Parkinson in Nederland nog steeds toe. De belangrijkste verklaring hiervoor is de toegenomen levensverwachting van mensen met de ziekte.

Internationale ontwikkelingen

Vergelijkbare trends zijn zichtbaar in andere landen. Recente onderzoeken in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland laten eveneens een afgenomen kans op een Parkinsondiagnose zien. In Duitsland werd bovendien vastgesteld dat de ziekte gemiddeld op latere leeftijd wordt gediagnosticeerd. Daartegenover staat dat in Noord-Korea en Taiwan de incidentie is toegenomen, evenals in de Verenigde Staten in de periode 1976–2005. In Noorwegen en Frankrijk is de incidentie stabiel gebleven.

Download het uitgebreide artikel hier:

(Foto: Shutterstock)

Deel via:

Ulvenhoutse bos: stikstof amper issue, hondenverbod onnodig

Staatsbosbeheer wil honden weren uit het Ulvenhoutse bos (NBr). Vanwege stikstof. Vanaf komende zomer zijn deze viervoeters niet meer toegestaan in een deel van het bos en op den duur wordt het hele bos gesloten voor honden. Merkwaardig is dat stikstof nauwelijks een rol speelt in dit bos. Dat rapporteerden de Nederlandse autoriteiten aan Brussel. Het bosbeheer is een groter punt van zorg. 

Op een zonnige dag in februari brengt de Staf-redactie een bezoek aan het Ulvenhoutse bos. Dit N2000-gebied ligt tussen Breda en Ulvenhout. De auto kan midden in het bos worden geparkeerd, in habitattype H9120 (beuken-eikenbossen met hulst). “Maar niet lang meer”, zegt een wandelaar met hond. “Honden worden hier straks geweerd, en auto’s ook.”

Volgens Staatsbosbeheer lijdt de kwetsbare natuur hier aan een teveel aan stikstof. Het gebied wordt door veehouderijen en omliggende snelwegen al zwaar belast. Daar kan geen stikstof uit hondenpoep en urine meer bij. Volgens Staatsbosbeheer, de beheerder van het bos, is de impact van hondenpoep en -plas fors. Het zou jaarlijks gaan om zo’n 14.000 kilo poep (ruim 230 kruiwagens) en 25.000 liter plas.

‘Stikstof lage drukfactor’

De grootste bedreigingen van het bos zijn volgens Staatsbosbeheer, naast stikstof, ook verdroging. Ook recreatie is een belangrijke factor. De rapportage over dit bosgebied die Nederland naar de Europese Commissie stuurde, geeft een wat ander verhaal.

De lidstaten zijn verplicht om periodiek verslag te doen aan de Europese Commissie over de stand van zaken in de individuele Natura 2000 gebieden. Daarbij moet onder meer worden aangegeven wat de grootste bedreigingen en drukfactoren. De Nederlandse rapportages zijn opgesteld door wetenschappers van Wageningen UR en enkel verkrijgbaar bij de Europese Commissie.

De rapportage over het Ulvenhoutse bos vermeldt dat stikstof een ‘lage’ drukfactor vormt. En dus geen ‘grote’, zoals Staatsbosbeheer de hondenbezitters wil laten geloven. De wijze waarop het bos wordt beheerd – ‘forest replanting’ – is een grotere zorg. Wat er precies wordt bedoeld met ‘forest replanting’ – gebrek aan aanplant of verkeerde aanplant – vermeldt de Brusselse rapportage niet.

Ook de waterwinningen zijn een ‘medium’ drukfactor. Er liggen drie drinkwaterwinningen in de buurt van het Ulvenhoutse Bos: Ginneken, Prinsenbosch en Dorst. Deze zorgen voor een daling van de waterstanden van 10 tot ruim 25 cm.

Reactie Staatsbosbeheer

Waarom is stikstof volgens Staatsbosbeheer een groot probleem, terwijl Wageningse onderzoekers aan Brussel rapporteerden dat stikstof weinig rol van betekenis speelt? En wat gaat er mis met het bosbeheer?

Volgens de woordvoerder van Staatsbosbeheer is de stikstofneerslag volgens Aerius Monitor veel hoger dan wat het bos aankan. “Daardoor hebben de planten in het bos het moeilijk. In het gebiedsproces zijn daarom alle stikstofbronnen in beeld gebracht om te onderzoeken in welke mate lokale maatregelen kunnen helpen om de belasting terug te dringen.” (Het Aerius-rekenmodel is ongeschikt voor gebruik op lokale schaal. De onzekerheden zijn te groot, red.)

De bosbeheerder is ook aan de slag gegaan met de verdroging van het bos. “We namen de afgelopen jaren al veel maatregelen om de waterhuishouding te herstellen. Die is nu grotendeels op orde. Gelukkig zien we voorzichtige vooruitgang door de beheermaatregelen die we treffen.”

Over wat er mis gaat met het beheer kan Staatsbosbeheer niks zeggen. De natuurbeheerder kent de rapportage aan de Europese Commissie niet en raadt aan contact op te nemen met de opsteller.

Extra grond voor extra bos

Staatsbosbeheer en Provincie Noord-Brabant hebben plannen met het Ulvenhoutse bos. “Onze ambitie is dat er een groot losloopgebied terugkomt, buiten het beschermde Natura2000-gebied. Een belangrijk onderdeel van het gebiedsplan is namelijk de aanleg van nieuwe groene gebieden aan de randen van het bos. Deze gebieden dienen als buffer voor de kwetsbare natuur in het bos. Daarmee ontstaat ruimte voor een nieuw hondenlosloopgebied.”

Ook in het N2000-gebied blijven honden welkom. “Je kunt straks nog steeds met je hond een mooie grote ronde wandelen. Alleen dan wel aangelijnd en de poep moet je opruimen. Tevens blijft er een klein deel van het bos beschikbaar als losloopgebied.”

Deel via: