Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat

Als het gaat over pesticiden die schadelijk zijn voor het milieu, wordt al gauw naar de land- en tuinbouw gekeken. Onterecht, zo blijkt uit een rondje shoppen. Maar liefst vier pesticiden uit de Top 25 meest problematische middelen koop je gewoon bij het Kruidvat. En bij speciaalzaken en op internet blijkt nog veel meer te koop.

Hoe gemakkelijk kunnen burgers pesticiden kopen, die riskant zijn voor het milieu? De redactie van Staf neemt de proef op de som. Wij nemen de Top 25 van meest problematische middelen volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas (download artikel met lijst onderaan de pagina). Dit zijn middelen die momenteel de meeste en hoogste normoverschrijdingen laten zien in het oppervlaktewater in Nederland. Wij gaan met dit ‘boodschappenlijstje’ naar de winkel.

Kruidvat

Eerst naar het Kruidvat. Bij het schap met bestrijdingsmiddelen voor huis, tuin en huisdier, kunnen al vier pesticiden van ons boodschappenlijstje worden geshopt. We kopen hier een busje anti-mierenpoeder met het pesticide lambda-cyhalotrin. Deze stof staat op plek 20 in de lijst met grootste probleemstoffen op dit moment. We scoren bij het Kruidvat ook een spuitbus met het pesticide permethrin, tegen kruipende insecten en wespen. Permethrin staat op plek 8 in de lijst. Bij deze drogist halen we tevens een flacon anti-insect waarin het pesticide N,N-diethyl-M-toluamide (DEET) is verwerkt. DEET staat op plek 14. Tot slot nemen we voor de hond nog een spot-on mee tegen vlooien, teken en bijtende luizen. Hier doet het pesticide fipronil het ongedierte dodende werk. Fipronil vinden we op plek 2. Fipronil is nagenoeg het meest problematische pesticide voor het watermilieu op dit ogenblik. Een minieme hoeveelheid fipronil is al voldoende om een normoverschrijding te veroorzaken. Als een dier dat met fipronil is behandeld in een sloot springt, brengt dat de fipronilconcentratie meteen boven de norm.

Het is opvallend dat je dergelijke riskante producten zonder meer bij een drogist kunt kopen. Wanneer je aspirine koopt, dan is de winkel verplicht daar een gebruiksadvies bij te leveren. Standaard krijg je de vraag of je bekend bent met het product. Bij pesticiden die grote impact kunnen hebben op het milieu, krijg je die vraag niet. Het wordt zonder meer verkocht.

Top 25 probleemstoffen

Zeven van de 25 grootste probleemstoffen in ons water blijken gewoon te koop in de winkel. Zes stoffen blijken uit de handel en niet meer te koop. De overige 12 producten zijn alleen verkrijgbaar voor professionele gebruikers.

Het artikel ‘Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat’ verscheen in het STAF-blad van december 2025. Het is hieronder te downloaden.

Deel via:

PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving, waar het Planbureau voor de Leefomgeving deel vanuit maakt, is zo’n 60 miljoen kilo stikstof in het oppervlaktewater afkomstig uit de landbouw. Dat komt neer op ruim de helft van de totale stikstofbelasting, zo meldt het Compendium op 18 november 2025. Wat daarbij niet wordt vermeld, is dat een aantal extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, wordt toegerekend aan de landbouw. Dit gebeurde ook al in 2017.

Op 11 mei 2017 gaf het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) uitleg in de Tweede Kamer over het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn[1]. Toenmalig SGP-landbouwwoordvoerder Elbert Dijkgraaf vroeg waarom ervoor gekozen is een aantal extra emissies (zoals natuurlijke kwel) toe te rekenen aan de landbouw, waardoor de opgave van de landbouw groter wordt. Deze keuze werd toen niet in het rapport verantwoord (zie voetnoot 1; minuut 33.05 – 34.18). De woordvoerder van Het PBL bevestigt dat er extra posten zijn toegerekend aan de landbouw en dat dit met reden is gedaan. Het PBL heeft een grotere opgave bij de landbouw neergelegd, omdat zij de waterkwaliteitsnormen niet wilde verruimen vanwege stikstof en fosfor uit natuurlijke bronnen. Het gevolg is een extra opgave voor de waterkwaliteit. Er is voor gekozen die extra opgave bij de landbouw neer te leggen, omdat deze sector meer draagkracht heeft dan bijvoorbeeld de rioolwaterzuivering (minuut  51.45 – 53.06).

De waterdoelen voor stikstof en fosfor mogen worden verruimd wanneer er sprake is van natuurlijke bronnen. Een deel van de waterschappen en provincies past een dergelijke verruiming toe. Andere waterschappen en provincies doen dit niet. Dit is een politieke keuze.

Geschiedenis herhaalt zich

Het Compendium voor de Leefomgeving heeft opnieuw een aantal extra bronnen op rekening van de landbouw gezet[2]. En opnieuw gebeurt dit zonder daarvan melding te maken. Hierdoor ontstaat het beeld bij de politiek, de media en Europese Commissie dat ruim de helft van de stikstof- en fosforlast in het oppervlaktewater toegeschreven moet worden aan de landbouw. Ook wordt het zogenaamde inlaatwater – de stikstof en fosfor die van buitenaf met het water binnenkomt – niet meegeteld.

De woordvoerder van het PBL bevestigt dat de post landbouw is opgebouwd uit een reeks bronnen: uit/afspoeling van mest vanuit de landbouw, erfafspoeling landbouw, glastuinbouw en het mee mesten van sloten. Maar onder landbouw vallen ook de bronnen: natuurlijke kwel vanuit de ondergrond en nog een aantal posten. Deze posten betreffen: uitloging van nutriënten die van nature in de bodem aanwezig zijn, uitspoeling van eerder geïnfiltreerd oppervlaktewater (vooral in de zomer) en uitspoeling van stikstofdepositie. De woordvoerder geeft aan dat deze duiding eventueel een volgende keer kan worden toegevoegd.

Het PBL bevestigt ook dat het inlaatwater niet wordt meegenomen bij het bepalen van het aandeel van de bronnen in de stikstof- en fosforbelasting van het oppervlaktewater. “Inlaatwater is geen emissiebron. De nutriënten in het inlaatwater zijn afkomstig van verschillende bronnen. Verder wordt alleen gekeken naar binnenlandse bronnen.”

Bronnen uitsplitsen

Het Compendium voor de Leefomgeving bevestigt dus extra nutriëntenbronnen toe te rekenen aan de landbouw, ondanks dat die nutriënten niet afkomstig zijn uit de landbouw. Dit heeft als gevolg dat de landbouw voor een grotere wateropgave wordt gesteld, dan waarvoor zij verantwoordelijk is.

Wageningen UR (WUR) splitste in 2025 uit welke bron welk aandeel heeft in de stikstof en fosfor in het regionale oppervlaktewater[3]. Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het ministerie van LVVN. WUR werkte daartoe samen met de waterschappen. Dit onderzoek laat zien welk aandeel van de stikstof en fosfor afkomstig is van de landbouw en van de bemesting. En welk aandeel komt uit bodemprocessen die de landbouw niet worden aangerekend. Wageningen UR rekent ook de stikstof- en fosforaanvoer met het inlaatwater mee. Het aandeel dat WUR toerekent aan de landbouw komt daarmee fors lager uit dan het aandeel dat het PBL toerekent aan de landbouw. Zie figuur.

Conclusie

Het Compendium zegt met haar informatie bij te dragen aan de kwaliteit van de politiek/bestuurlijke afwegingen op het gebied van natuur, milieu en ruimte. De informatie is primair bedoeld voor strategische beleidsbeslissingen en de wetenschap. Echter, de ondoorzichtige en oncontroleerbare wijze waarop het Compendium stikstof en fosfor toeschrijft aan de landbouw, zorgt ervoor dat er geen politieke/bestuurlijke discussie plaatsvindt over het toerekenen van extra bronnen aan de landbouw. Die discussie had moeten gaan over de juistheid van het neerleggen van een grotere opgave bij de landbouw dan waarvoor zij verantwoordelijk is.

Herkomst stikstof volgens Compendium en WUR

De herkomst van stikstof in het oppervlaktewater volgens het Compendium voor de Leefomgeving en Wageningen UR. Let op: de grafieken laten de verschillen goed zien, maar zijn niet 100% vergelijkbaar omdat er gerekend is met iets andere uitgangspunten (perioden, indeling bronnen).



[1] https://debatdirect.tweedekamer.nl/2017-05-11/landbouw/thorbeckezaal/planbureau-voor-de-leefomgeving-pbl-over-het-zesde-actieprogramma-nitraatrichtlijn-11-03/onderwerp  Zie minuten 33.05 – 34.18 (vraag SGP) en 51.45 – 53.06 (antwoord PBL).

[2] https://www.clo.nl/indicatoren/nl019226-belasting-van-het-oppervlaktewater-met-vermestende-stoffen-1990-2023

[3] Landelijke bronnenanalyse nutriënten regionale oppervlaktewaterlichamen Kaderrichtlijn Water; Wageningen Environmental Research, juni 2025.

Deel via:

Waarom zijn overheden partner van activistisch natuurplatform?

Overheidsorganisaties en NGO’s trekken samen op in het communicatieplatform NatureToday. Dit communicatiekanaal is bedoeld voor het delen van berichten over de natuur. Echter, we zien dat dit kanaal ook politiek gekleurde boodschappen verspreidt, en soms zelfs scheldpartijen aan het adres van partijen met ‘verkeerde’ inzichten. Past zo’n communicatiekanaal wel bij een overheid die zegt integriteit, objectiviteit en onpartijdigheid hoog in het vaandel te hebben?

Dat overheidsorganisaties en NGO’s samen optrekken bij het verspreiden van natuurberichten is bijzonder. Overheden verliezen daardoor gemakkelijk hun neutrale positie. De nauwe samenwerking zou misschien te billeken zijn, wanneer het om objectieve, inhoudelijke berichtgeving gaat. Echter, het communicatiekanaal verspreidt tegenwoordig ook activistische, politieke boodschappen. Die soms ontaarden in scheldpartijen aan het adres van organisaties en onderzoekers met andere inzichten. Zo wordt bijvoorbeeld vaker stelling genomen tegen BBB-bewindvoerders. Deze worden beschuldigd van het verspreiden van halve waarheden en hele leugens; BBB-bewindslieden zouden desinformatie verspreiden. Het is merkwaardig dat overheden partner zijn van een communicatiekanaal, dat dergelijke ‘natuurberichten’ over de eigen bewindslieden uitzendt.

Ook ‘schopt’ NatureToday tegen boerenorganisatie LTO, die foute lobbyactiviteiten wordt verweten. En een wetenschapper die in opdracht van de Staatssecretaris van Landbouw en Natuur met een kritisch rapport kwam – dat niet past in het straatje van de redactie – wordt zelfs uitgescholden voor charlatan en koekenbakker. Uitingen die niet passend zijn voor overheidsorganisaties.

Reactie overheden

BIJ12 bevestigt dat zij partner is van dit communicatiekanaal. Daarvoor bepaalt deze uitvoeringsorganisatie van provincies jaarlijks 5.000 euro. De organisatie geeft aan zich onvoldoende te hebben verdiept in de activistische berichtgeving die via dit kanaal wordt verspreid en raadt aan hierover contact op te nemen met de redactie.

Provincie Gelderland is ook partner en zegt 3.950 euro per jaar te betalen voor deelname. “Onze afweging om samen te werken met NatureToday heeft een communicatieve achtergrond. Via dat medium kunnen wij een voor ons relevante doelgroep bereiken waarmee wij communiceren over ons natuurbeleid en de uitvoering en resultaten van onze projecten”, aldus de woordvoerder. Provincie Gelderland zegt zich verder niet te bemoeien met de publicaties op dit platform. “Het feit dat wij gebruik maken van een medium of meewerken aan artikelen of content betekent niet dat we deze bijdragen automatisch ondersteunen”.

Provincie Groningen levert een financiële bijdrage aan NatureToday van 3.950 euro per jaar. “Het is voor ons een manier om specifieke doelgroepen te bereiken en transparant te zijn over ons beleid.” De provincie zegt wil zich niet te mengen in de vrijheid van meningsuiting op het platform. “Iedereen is vrij een eigen opinie te hebben en deze in te sturen naar media naar keuze.”

Het lijkt erop dat de overheden nauwelijks weten wat voor berichten er op hun natuurplatform wereldkundig worden gemaakt, of het wel prima vinden. Ook de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, Provincies Noord-Brabant en Overijssel zijn partner van dit natuurplatform.

NatureToday kuist artikel

NatureToday gaat niet in op vragen over een recent stuk, waarin partijen met andere inzichten worden uitgescholden voor charlatans, koekenbakkers en meer wat lelijk is. Maar laat wel weten de tekst van dit natuurbericht qua formulering en stijl te hebben aangepast “zodat de argumentatie en de inhoud beter tot haar recht komen”. De redactie blijkt het stuk te hebben ontdaan van de scheldpartijen. Ironisch genoeg vermeldt NatureToday bij het betreffende artikel nu dat het platform soms te maken heeft met persoonlijke aanvallen.

Deel via:

‘Nieuw’ onderzoek in dossier geitenhouderijen beslaat al gepubliceerd onderzoek uit VGO-III

De Gezondheidsraad heeft op 8 december 2025 het tweede deel van haar advies over de gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen opgeleverd. Het betreft geen nieuw onderzoek, zoals veel media menen. De Gezondheidsraad heeft ervoor gekozen om een enkele publicatie uit 2023 uit te lichten, en de andere reeks publicaties niet mee te wegen. Waarom de Gezondheidsraad hiervoor kiest wordt nagenoeg niet onderbouwd.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

De Gezondheidsraad heeft het tweede deel van haar advies opgeleverd[1], met de titel: “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II Gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen en mogelijkheden voor beperking gezondheidsrisico’s”. Het eerste deel is rond de zomer verschenen[2], en beide delen zijn opgeleverd op aanvraag van demissionair minister van LVVN Femke Wiersema en voormalig minister van VWS Fleur Agema naar aanleiding van een commissiedebat[3].

Een onderzoek naar de relatie tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden (VGO) is een onderzoek dat meer dan een decennium aan werk beslaat[4]. Daar waar in het begin algemeen werd gekeken naar alle soorten veehouderij (koeien, kippen, varkens en geiten), werd de focus na enkele positieve bevindingen verlegd op kippen en geiten. Vooral laatstgenoemde is in het nieuws geweest met de ernstige nasleep van de Q-koorts nog in het achterhoofd.

Het VGO onderzoek kent drie delen (I, II en III), onderzocht vijf provincies en beslaat tezamen 13 publicaties. Deze publicaties heb ik uiteengezet in mijn rapport met als doel om de epidemiologische waarde van elke studie te beoordelen[5]. Uiteindelijk ben ik zelf met de data aan de slag gegaan om te bezien of de relatie tussen wonen nabij een geitenhouderij en de kans op longontsteking consistent is. Naar mijn optiek is dit niet meer het geval vanaf een afstand van 500 meter[6]. Ik citeer uit mijn rapport:

“Zoals we hebben kunnen zien verschilt de kans tussen longontsteking en de nabijheid van geitenboerderijen per studie, per analyse en per afstand. Vaak genoeg wordt er helemaal geen effect gezien én als het effect er is, dan is dat alleen constant voor een afstand van 500 meter waar steeds maar een klein deel van de onderzoekspopulatie verblijft.” (pagina 67 Rapport ‘Geiten en longontsteking’). 

Nu lees ik in Kamerbrief die betrekking heeft op het tweede deel van het advies van de Gezondheidsraad het volgende:

“In het tweede deeladvies heeft de Gezondheidsraad voor zover mogelijk antwoorden gegeven op complexere en meer gedetailleerde vragen omtrent de aard en ernst van de gezondheidseffecten en de mogelijke oorzaken. De Raad komt tot de conclusie dat het risico op longontsteking is verhoogd voor omwonenden binnen 500 meter (73%) en 1 kilometer (19%) van een geitenhouderij. De Raad komt op lagere schattingen van het aantal extra longontstekingen, ziekenhuisopnamen en sterfgevallen dan op landelijke schaal is toe te schrijven aan de aanwezigheid van geitenhouderijen dan eerder gecommuniceerd”

Deze cijfers zijn uitgebreid in het nieuws gecommuniceerd, maar hebben geen betrekking op nieuw onderzoek. Sterker nog, het gaat hier om cijfers die zijn gepubliceerd in Lotterman et al., 2023[7]. Het lijkt er dus sterk op dat de Gezonheidsraad er nu voor heeft gekozen om één enkel onderzoek uit te lichten, maar doet dit niet met een gedegen onderbouwing. Hoewel het onderzoek van Lotterman deel uitmaakt van VGO-III en de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel beslaat, is het nog steeds maar één van de publicaties in een dossier vol publicaties. Over het gehele dossier heb ik het volgende gezegd:

“De waarde van 11 jaar aan gegevens is wisselend. Zo lijken er wel degelijk verschillen te zijn in de incidentie van longontsteking tussen gebieden met veel veehouderijen én controlegebieden, maar de manier waarop die gebieden zijn geselecteerd is niet transparant gecommuniceerd. Ook is onduidelijk waarom een huisartsenpraktijk (of patiënt) wel besloot om mee te doen en waarom niet. Verder vinden we in de meeste analyses alleen correcties voor leeftijd en geslacht. Daarbovenop worden er soms wel meer dan 100 statistische vergelijkingen gedaan in één enkele studie. Een correctiemethode voor vals-positieven ontbreekt of is ontoereikend. Dit maakt dat het gros van de bevindingen waarschijnlijk veel meer onzeker is dan men graag wil laten zien” (pagina 4 Rapport ‘Geiten en longontsteking’).

Verder is het zo dat de relaties die Lotterman beschrijft afhankelijk zijn van tijd én plaats (Tabel 1 uit de publicatie), en van de gehanteerde methode (Tabel S3). Schijnbaar maakt het de Gezondheidsraad ook niet uit dat het 95% betrouwbaarheidsinterval op 1000 meter afstand een niet-significant resultaat laat zien: 1.19 [1.00; 1.41]. Hoe men hier zomaar overheen kan stappen ontgaat mij.

Ten slotte is en blijft het problematisch dat er alleen is gekeken naar omwonenden. De relatie tussen ziekte en omgeving is een onderzoek waar heel veel context bij komt kijken en voor die context moet worden gecorrigeerd. Dat gebeurt zelden: alleen leeftijd en geslacht worden structureel meegewogen. Andere ziektebeelden die eventueel aanwezig zijn bij respondenten worden soms wel en soms niet meegewogen. Maar de echt ontbrekende factor is de geitenhouder en zijn werknemers: deze zien we niet terug in de epidemiologische onderdelen van VGO. Onder het mom dat het hier gaat om omwonenden worden diegenen waarvan hun werk als een soort interventie zou moeten gelden (zoals roken dat ook doet) buitengesloten. Waarbij er nooit of te nimmer sprake kan zijn van een volledige dose-response analyse.

Dat de Gezondheidsraad er nu voor kiest om één enkele studie te belichten om toekomstige voorgedragen maatregelen te ondersteunen is voor mij een onverklaarbare selectiviteit in een dossier waarbij onzekerheid de norm is.

(Foto: Shutterstock)


[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/08/gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-ii

[2] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/07/03/advies-gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-i

[3] https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D06741

[4] https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/onderzoek-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-vgo

[5] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJ_Rapport_Geiten_Longontsteking.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJAdvies_Subrapport_Geiten_Longontsteking_consistentie.pdf

[7] https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0286972

Deel via:

Intrekken glyfosaatstudie breekt speelveld niet open

Een wetenschappelijk artikel over glyfosaat is na 25 jaar ingetrokken. Terecht, volgens onderzoeker Marc Jacobs. Wat niet terecht is, is de gewekte suggestie dat daarmee het speelveld rond glyfosaat weer open zou liggen. Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

Het artikel Safety Evaluation and Risk Assessment of the Herbicide Roundup and Its Active Ingredient, Glyphosate, for Humans is teruggetrokken door (co)Editor-in-Chief, Prof. Martin van den Berg[1]. Het artikel stamt uit het jaar 2000 en twee van de drie originele auteurs leven al niet meer. De laatst levende auteur (Prof. Williams) heeft niet gereageerd op eerdere aantijgingen van ghostwriting[2] waardoor er door het artikel nu een grote rood streep staat met de woorden RETRACTED.

Dat een artikel wordt teruggetrokken omdat het niet geschreven is door de auteurs van het artikel vind ik persoonlijk een goede zaak. Elke lezer moet ervan kunnen uitgaan dat wat geschreven staat in een artikel ook daadwerkelijk door de auteurs is geschreven. Ook moet een lezer ervan kunnen uitgaan dat de gebruikte data en analyses betrouwbaar én verdedigbaar zijn. Los van voortschrijdend inzicht moet wetenschappelijk werk voldoende robuust zijn om de wetenschappelijke gemeenschap te kunnen informeren. Beleid berust zich vaak op wetenschappelijke inzichten om een keuze te rechtvaardigen. Dit laatste kent zo haar eigen uitdagingen, maar is wel vaandeldrager voor transparantie en communicatie.

Het artikel kent volgens Prof. van den Berg echter meer problemen dan alleen de aantijgingen van ghostwriting. Zo werden alleen ongepubliceerde studies afkomstig van Mosanto gebruikt. Vijf additionele studies die toentertijd beschikbaar waren werden niet ingezet (Atkinson 1993; Sugimoto 1997, Takahashi 1999, Enemoto 1997, en Suresh 1996). Deze studies worden wel opgenomen in een review uitgevoerd door Chris Portier[3] en door Zembla aangehaald om te verklaren dat de statistiek rondom glyfosaat niet voldoende is[4]. Zou men de ‘juiste’ statistische toets hanteren dan zouden de resultaten er veel slechter uitzien voor pesticiden zoals glyfosaat.

Om te zien of deze stelling klopt heb ik de review van Portier met de gebruikte data tot mij genomen. Deze review includeert wel de vijf missende studies (en nog een aantal meer). Mijn bevindingen heb ik in dit rapport beschreven[5] waarin ik zowel de data als mijn analyses vrijgeef[6]. Ik hanteer expliciet dezelfde data als Portier en ga mee met zijn selectieprocedure. Het enige wat ik getracht heb te doen is om te vinden wat hij heeft gevonden. Ook heb ik contact met hem gezocht, maar tot op heden (elf maanden verder) heb ik niks vernomen. 

Het lukt mij niet om zijn werk te repliceren. Ook zie ik niet het voordeel van de eenzijdige toets. Ik citeer (uit pagina 5 en 6) van het rapport:

“Ik heb echt moeten zoeken om die relatie te vinden. Door de bocht genomen lukt het mij niet om met behulp van de frequentistische statistiek een relatie aan te tonen tussen dosering en kanker. De bevindingen zijn vaak niet statistisch significant wanneer ik tweezijdig toets. Een uitstap naar een eenzijdige toets voegt daar weinig aan toe én maakt dat we moeten aannemen dat het schatten van de relatie tussen dosering en kans op kanker een harde grens heeft in het schatten van de relatie. Ik voeg dan een assumptie die zich maar moeilijk laat verdedigen. Een eenzijdige toets heeft namelijk niet zo veel te maken met de richting van de relatie, maar eerder met het afkappen van de onzekerheid. In een dossier als deze, waarin de onzekerheid groot is, kan dat geen juiste methodiek zijn voor het bepalen van een relatie”   

Over de relatie tussen glyfosaat en kanker zeg ik het volgende, en ik citeer wederom vanuit pagina 6:

“Uiteindelijk lijkt het erop dat alleen in de Swiss Albino ratten, op basis van één studie en dan met name bij vrouwen, de relatie tussen glyfosaat en de kans op kanker duidelijk is: een toename van 8% vanuit het model. De toename op kanker, vanuit de data, bedraagt dan 4%. Beide getallen kennen een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Daarmee kunnen ze niet doorslaggevend zijn voor het gehele dossier.”

De retractie van de studie uit 2000 lijkt nu te vermoeden dat het gehele speelveld open ligt. Dat is niet zo, want we kunnen gebruik maken van de Portier review uit 2020. Maar deze review kent haar eigen problemen zoals ik in het rapport veelvuldig laat zien. Ik eindig daarom ook als volgt:

“We kunnen denk ik met dit rapport concluderen dat onderzoek naar glyfosaat beter moet en beter kan, maar daarvoor moet de data ook op het niveau van het dier worden gemeten waarbij ook wordt gekeken naar de factor tijd. Dat ontbreekt nu. Verder hebben we het hier over dierproeven en niet over menselijke studies.”

Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.


[1] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0273230099913715

[2] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1462901125001765

[3] https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32050978/

[4] https://www.bnnvara.nl/zembla/artikelen/kankerrisico-door-pesticiden-decennialang-verkeerd-ingeschat

[5] https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2025/02/Rapport-Pesticiden-en-Kanker-door-MSJ-Advies.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Glyfosaat_Statistiek

Foto: Shutterstock/Patrick Herzberg

Deel via:

Goochelen met gebieden en soorten en Aerius-trucs

De omvang van de stikstofgevoelige natuur en de bescherming van kwetsbare soorten is in de voorbije periode van ruim 10 jaar grotendeels vanachter de computer bepaald. Systematische waarnemingen, tellingen van soorten en ‘ecologenboots on the ground’ hebben slechts in beperkte mate bijgedragen.

Dat het zo ging met de serie van Natuurdoelanalyses, die tot stand is gekomen op initiatief van voormalig stikstofminister Christianne van der Wal, was al bekend. De gang van zaken bij een vorige ronde – de uitrol van vele tienduizenden hectares leefgebieden (LG-gebieden) in 2016-2017 – was veel minder goed in beeld. Dankzij een serie Woo-verzoeken bij een aantal provincies is er meer openbaar geworden.
Om de vele tienduizenden hectares extra leefgebied voor onder meer de zeggekorfslak, de kemphaan en de zwarte specht te kunnen claimen, moest op meerdere niveaus een min of meer samenhangend betoog in elkaar worden gezet. De rode lijn was ook toen al die van stikstof, maar de gevoeligheid daarvoor verschilt per habitat en leefgebied. 

Download het artikel hier:

Deel via:

Stikstofaandeel landbouw in water fors lager na herberekening

Jarenlang werd aangenomen dat een kleine 40% van de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied uit de landbouw (bemesting) afkomstig was. Na recente herberekening blijkt het te gaan om de helft daarvan. Water dat het gebied binnenkomt vanuit het buitenland, Rijkswateren en bovenstroomse gebieden blijkt dubbel zoveel stikstof aan te voeren dan aanvankelijk gedacht. Ook waren natuurlijke processen, zoals kwel, bij de landbouw op de rekening gezet. Dat is nu deels gecorrigeerd.

Het ministerie van Landbouw publiceerde eind 2023 een kaart met Nutriënten Vervuilde (NV-gebieden). Deze kaart oogstte veel kritiek. De kaart maakte namelijk gebruik van een bronnenanalyse uit 2016, die weer gebaseerd was op data van 2010-2013. Met een rekenmodel was toen uitgerekend welk aandeel uit welke bron komt. Zo’n 40% van de stikstof werd toegerekend aan bemesting uit de landbouw.
Landbouwminister Wiersma komt per januari 2026 met een nieuwe kaart met aandachtsgebieden. Deze vervangt de NVgebiedenkaart. Voor deze nieuwe kaart is de bronnenanalyse onlangs geactualiseerd. Opvallend is dat het landbouwaandeel in de stikstofbelasting daarin ongeveer is gehalveerd. Zie figuur.

Figuur. Aandeel landbouw (bemesting) in stikstoflast oppervlaktewater in 2016 en 2025, per waterschap. Het aandeel is bijna gehalveerd, door forse aanpassingen in de berekeningen.

Berekeningen aangepast

Tussen 2016 en 2025 is het berekende aandeel stikstof vanuit de landbouw bijna gehalveerd. Deze stikstofwinst is voor een kleiner deel het gevolg van de afname van het mestgebruik (NB. het effect van maatregelen na 2022 – afbouw derogatie, bufferstroken – is nog niet ingerekend). Het zijn vooral forse aanpassingen in de berekeningen die het verschil maken. Zo hadden nogal wat waterschappen oneigenlijke ‘extraatjes’ bij de landbouw op de rekening staan. Het gaat dan om stikstof uit kwel, uitloging van ingepolderde gronden (zeeklei), oxidatie van veengronden, uitspoeling van nutriënten in de winterperiode nadat in de zomerperiode water en nutriënten vanuit het oppervlaktewater in de bodem zijn geïnfiltreerd.

Kwel-correctie

Waterschappen Amstel, Gooi en Vecht (AVG), Rijnland (West-Nederland) en Zuiderzeeland (Flevoland) lieten recent nader onderzoek doen naar de invloed van kwel. Deze waterschappen kwamen erachter dat zij een behoorlijk aandeel stikstof en/of fosfor onterecht hadden toegerekend aan de landbouw. Inmiddels is de kwel-correctie doorgevoerd. Het resultaat is nu dat een aanzienlijk deel van de NV- gebieden kon worden geschrapt. Op de nieuwe aandachtsgebiedenkaart vinden wij die niet terug.
In zeekleigebieden in Noorderzijlvest (Gr), Hollands Noorderkwartier (NH) en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden werd de kwel (nog) niet nader onderzocht. Waarschijnlijk zullen er ook hier gebieden tussen zitten waar nutriënten uit kwel onterecht worden toegerekend aan de landbouw. (Zie ook artikel: ‘Fosforvervuild gebied Noord-Groningen waarschijnlijk onterecht aangewezen‘).

Meer correcties

De herberekening laat meer correcties zien. Deze staan in het artikel dat u hieronder kunt downloaden. Ook laat het artikel zien wat nog niet gecorrigeerd is.

Aanvulling 3 december 2025: Per abuis stond waterschap Scheldestromen niet in de figuur vermeld. Deze is toegevoegd.

Deel via:

Hebben milieu-NGO’s een streepje voor bij de rechter?

In juridische procedures over milieukwesties speelt wetenschappelijk onderzoek vaak een grote rol. Zo ook in een Drentse rechtszaak tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt. Opvallend is dat de rechterlijke macht en landsadvocaat Pels Rijcken onderzoek van actiegroep Meten = Weten duiden als ‘deskundig, onafhankelijk en onpartijdig’. Beiden negeren de forse kritiek van het RIVM en de Agrifacts-redactie op dat onderzoek. Hebben milieu-NGO’s bij de rechterlijke macht een streepje voor? De landsadvocaat licht toe hoe onderzoek in juridische zin wordt beoordeeld.

Op 2 april 2025 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een zaak over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt nabij het Drentse Natura 2000-gebied Holtingerveld. De rechter ging mee met onderzoek van milieugroep Meten = Weten en Milieudefensie en legde het gebruik van middelen nabij Natura 2000-gebieden aan banden. Provincie Drenthe heeft landsadvocaat Pels Rijcken gevraagd juridische duiding te geven aan de uitspraak. Ook Pels Rijcken vaart daarbij op het onderzoek van Meten = Weten.

Meten = Weten trof in haar onderzoek van 2020 een aantal bestrijdingsmiddelen aan in het Holtingerveld. Dit onderzoek rammelt behoorlijk. Meten = Weten relateerde namelijk alle gevonden middelen aan boeren in de omgeving. Ondanks dat veruit de grootste hoeveelheid middel niet afkomstig is uit de landbouw. Agrifacts en daarna RIVM hadden flinke kritiek op het onderzoek van Meten = Weten. RIVM: “Het onderzoek vermeldt niet hoe de monsters zijn behandeld en geanalyseerd en geeft geen prestatiekenmerken van de analysemethode (detectiegrenzen, controlemonsters, etcetera). Op basis van de informatie die aan het RIVM verstrekt is voor deze duiding, kunnen de meetresultaten niet beoordeeld worden op betrouwbaarheid.

Het RIVM stelt verder dat het onderzoek van Meten = Weten geen bewijs levert dat de gevonden residuen uit de Drentse landbouw komen. Er zijn geen aanwijzingen dat de gevonden gehalten met spuitnevels (drift) te maken hebben, en de studie onderzoekt ook niet of bufferzones inderdaad (geen) drift invangen. Desondanks maken Milieudefensie en Meten = Weten het in de rechtszaak van 2025 nog bonter. Alle gevonden middelen in 2020 worden deze keer gerelateerd aan bollentelers in de omgeving. Waarom gaan de rechterlijke macht en landsadvocaat Pels Rijcken zo gemakkelijk mee met onderzoek waarop forse kritiek is? 

Reactie landsadvocaat

Pels Rijcken gaat zeer uitgebreid in op de vragen van Agrifacts (onderaan dit artikel te downloaden) “In een juridische procedure over milieukwesties speelt wetenschappelijk onderzoek vaak een grote rol. Rechters, advocaten en overheden doen daarbij zelf geen wetenschappelijk onderzoek. Zij zijn afhankelijk van het beschikbare wetenschappelijke onderzoek van dat moment. Het is in procedures doorgaans aan procespartijen zelf om wetenschappelijke onderzoeksresultaten in te brengen. De rechter weegt het onderzoek vanuit een aantal juridische beginselen, zoals de mate van deskundigheid van de onderzoekers, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De uitspraak die dan volgt, bevat daarmee geen wetenschappelijke weging door de rechter, maar een juridische weging van de onderzoeksresultaten. Dat gebeurt dan bijvoorbeeld met gebruik van termen zoals ‘aannemelijkheid’ en ‘redelijkerwijze’. In deze kwestie is dat ook gebeurd. Het betreft geen definitief oordeel over de juistheid van dat wetenschappelijk onderzoek. Het wil vooral zeggen dat de rechter het voor dat moment als de laatste stand van de wetenschap beschouwt en daar van uitgaat bij zijn beoordeling.”

Deskundig, onafhankelijk, onpartijdig

Het is opmerkelijk dat de rechterlijke macht en de landsadvocaat het onderzoek van Meten = Weten duiden als “de laatste stand van de wetenschap”. Opvallend is ook dat de rechterlijke macht de onderzoekers van Meten = Weten beoordelen als “deskundig, onafhankelijk en onpartijdig”. De Agrifacts-redactie wil weten welke objectieve standaarden rechters hanteren voor het beoordelen van de deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van organisaties en onderzoekers. Hebben NGO’s hier een streepje voor?

Hoe moeten de deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van onderzoekers van het CTGB (College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) worden beoordeeld? En het redactieteam van Agrifacts? Deze nadere vragen zijn voorgelegd aan landsadvocaat Pels Rijcken. Hierop is nog geen reactie ontvangen.

Download hier de reactie van de landsadvocaat op vragen over het zonder volgen van onderzoek van Meten = Weten:

Foto: Shutterstock

Deel via:

‘Ook natuurdoelanalyses en adviezen Ecologische Autoriteit onwetenschappelijk’

Niet alleen de vergunningverlening, maar ook de natuurdoelanalyses van provincies en de adviezen van de Ecologische Autoriteit zijn “onwetenschappelijk, ondeugdelijk en dus niet verdedigbaar”. Dat concludeert Ronald Meester, hoogleraar Waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarmee valt een deel van de basis weg, van wat het nieuwe natuurbeleid had moeten worden. Op 24 oktober 2025 kwam zijn rapport online.

Het stikstofbeleid zit muurvast. Commissie Hordijk uitte in 2020 al stevige kritiek op het gebruik van stikstofmodel Aerius met daarin kritische depositiewaarden voor de vergunningverlening. Het rekenmodel is ongeschikt voor deze toepassing. Het stikstofmodel kan niet gebruikt worden voor lokaal beleid. Daarvoor zijn de uitkomsten van de berekeningen veel te onzeker. Ook het RIVM raadt sinds enkele jaren af, haar rekenmodel te gebruiken voor lokaal beleid.

Voor de Rijksoverheid en de provincies was dit echter geen belemmering om een nieuwe lokale gebruikstoepassing te introduceren. Het Aerius-model werd voorgeschreven voor de zogenaamde natuurdoelanalyses, die in 2023 moesten worden opgeleverd. Deze analyses laten de huidige natuurkwaliteit zien binnen individuele natuurgebieden. Het stikstofmodel wordt in hogere mate gebruikt voor het berekenen van de natuurkwaliteit van de verschillende habitats binnen een natuurgebied. Ook de Ecologische Autoriteit, in september 2022 opgericht, conformeerde zich aan deze nieuwe politieke wens. (Zie artikel Ecologische Autoriteit op politieke toer).

Het stikstofmodel is niet geschikt voor natuurdoelanalyses en evenmin voor adviezen van de Ecologische Autoriteit. Meester: “We zijn blind modeluitkomsten aan het volgen, zonder de mogelijkheid te hebben om te controleren waar we mee bezig zijn. Er wordt veel beweerd over stikstof, maar er is vrijwel geen enkele kwantitatieve claim die daadwerkelijk controleerbaar is.”

Wetenschap in klem politiek en rechter

Meester meende aanvankelijk dat onvoldoende kennis van de beperkingen van het stikstofmodel de oorzaak was van het onjuiste gebruik in de natuurdoelanalyses en door de Ecologische Autoriteit. Dit was niet het geval, zo bleek uit de interviews die hij had met een aantal betrokken wetenschappers. Er is bijvoorbeeld geen enkele wetenschapper die achter de schermen de unieke kritische depositiewaarden vanuit de wetenschap verdedigt. Wel zag Meester wetenschappers die deze waarden naar buiten toe propageren omdat de politiek en de rechterlijke macht dat eisen. “We hebben dus een situatie waarin geen enkele wetenschapper publiekelijk wil erkennen dat de kritische depositiewaarden niet deugen, terwijl ze in persoonlijke gesprekken wel degelijk grote twijfels uiten. Dat is een bijzondere en ook ongewenste situatie.” Meester noemt hier ook de Ecologische Autoriteit. “Ook deze autoriteit twijfelt aan de waarde van de kritische depositiewaarden, dan dient zij dit publiek te verkondigen. Dat geldt in elke omstandigheid, voor elke wetenschapper.” De wetenschap zou de druk vanuit politieke en rechterlijke macht moeten weerstaan.

Advies voor vervolg natuurbeleid

Meester adviseert beleidsmakers af te stappen van natuurbeleid waarin het stikstofmodel veel bepalend is. Dat geldt niet alleen voor de vergunningverlening, maar ook voor de natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit. “Het beleid moeten we niet langer laten bepalen door een fictieve modellenwerkelijkheid, maar door de empirie – de waarneming dus, in de breedste zin van het woord. De staat van de natuur kan niet worden afgelezen door een model van welke aard dan ook.”

Meester adviseert vervolgens de methodiek voor vergunningverlening en natuurdoelanalyses te herzien, en deze in lijn te brengen met de Europese richtlijnen. In zijn rapport geeft hij een stappenplan om te komen tot nieuw beleid, dat wetenschappelijk wel klopt.

Foto: Shutterstock.

Deel via:

Reclameverbod voor niet-biologische veeproducten inconsequent

In de Nijmeegse gemeenteraad is een motie aangenomen waarin wordt gevraagd te verkennen of een verbod op handelsreclame voor producten uit de niet-biologische veehouderij mogelijk is. Bij consequente toepassing van de aangedragen argumenten zou eerder een verbod op reclame voor biologische veehouderijproducten in beeld komen.

De motie “Verken wat telt: reclame die de toekomst niet smelt” (mei, 2025), ingediend door leden van de Partij voor de Dieren en GroenLinks, stelt dat vlees, melk en eieren uit de niet-biologische veehouderij bijdragen aan een hogere uitstoot van broeikasgassen dan biologische producten. Daarnaast wordt betoogd dat reclame voor deze producten consumenten stimuleert tot aankopen die de klimaatcrisis verergeren.
De uitstoot van broeikasgassen door de veehouderij wordt beïnvloed door een groot aantal factoren, zoals het productiesysteem, het gebruik van kunstmest, de melk- of groeiproductie per dier, de dierdichtheid per hectare en de herkomst van het krachtvoer. Hierdoor komen wetenschappelijke studies tot uiteenlopende conclusies bij milieueffectvergelijkingen tussen biologische en conventionele veehouderij. Voor goed beleid zijn data en berekeningen nodig die specifiek gelden voor de Nederlandse situatie.

Melkproductie

Een LCA-case study van Thomassen et al. (2008), gebaseerd op gegevens uit 2003 van tien conventionele en elf biologische melkveebedrijven, liet zien dat biologische bedrijven beter scoorden op energiegebruik en vermesting per kilogram melk. Tegelijkertijd was de verzuring en de uitstoot van broeikasgassen per kilogram biologische melk juist hoger.
Volgens een modelstudie van Bos et al. (2013) stootten biologische melkveebedrijven per liter melk 5 tot 10% minder broeikasgassen uit dan conventionele bedrijven. Dit verschil was echter gebaseerd op een verondersteld productieverschil van slechts 500 liter per koe per jaar. In werkelijkheid is het verschil ongeveer 2.000 liter (Agrimatie). Als met dit werkelijke verschil was gerekend, zou de uitkomst in het nadeel van biologische melk zijn geweest.
Een recente studie van de Rijksuniversiteit Groningen (Bronts et al., 2023) berekende de carbon footprint per liter vet- en eiwitgecorrigeerde melk. Voor reguliere productie is dat 0,76 kg CO2-eq/liter en voor biologische productie: 0,95 kg CO2-eq/liter. Biologische melk heeft volgens deze onderzoekers een ongeveer 25% hogere uitstoot aan broeikasgassen dan reguliere melk.

Rundvlees

De uitstoot van broeikasgassen bij rundvleesproductie varieert wereldwijd sterk. Er zijn grote verschillen in productiesystemen. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen vlees als bijproduct van de melkveehouderij en vlees van koe-kalfkuddes. Rundvlees uit de melkveehouderij heeft doorgaans een 30 tot 55% lagere uitstoot, afhankelijk van de studie.
Een literatuurstudie uit 2022 in opdracht van de European Roundtable for Beef Sustainability, waarin 21 LCA-studies uit Europa zijn geanalyseerd (zonder Nederlandse data), vond geen duidelijk verschil in carbon footprint tussen biologische en reguliere rundvleesproductie.
De studie van Bronts et al. (2023) concludeerde dat biologisch geproduceerd rundvlees onder Nederlandse omstandigheden circa 25% meer broeikasgassen uitstoot dan conventioneel rundvlees.

Varkensvlees

Een vergelijking van de carbon footprint van varkensvlees in diverse West-Europese landen laat zien dat biologisch varkensvlees consistent een hogere uitstoot per kilo vlees veroorzaakt. Voor Nederland gaat het om een verschil van ongeveer 20%, voornamelijk veroorzaakt door een hoger voerverbruik per kilogram groei.

Pluimveevlees

Het aanbod van pluimveevlees in de supermarkten is de afgelopen jaren veranderd. Onder druk van maatschappelijke organisaties zijn supermarkten overgestapt op trager groeiende kuikens en ruimere leefomstandigheden. Daarnaast heeft de Dierenbescherming het Beter Leven keurmerk (BLK) geïntroduceerd, waarin onder meer strengere eisen aan aantal dieren per vierkante meter en slachtleeftijd zijn opgenomen.
Volgens Mosterd et al. (2022) geldt het volgende voor CO2-uitstoot per kilogram vlees: De concepten die de supermarkten in Nederland voor kip hebben, resulteren gemiddeld in een ca. 14% hogere uitstoot in vergelijking met de conventionele kipproductie.
Volgens de website Kip in Nederland ligt de carbon footprint van biologische kip zelfs 60% hoger dan die van conventionele kip.

Eieren

De eiproductiesystemen in Nederland zijn de laatste jaren sterk veranderd waarbij dierenwelzijn een drijvende factor is geweest. Er zijn in Nederland geen recente resultaten gepubliceerd over de verschillen in broeikasgasemissie tussen de verschillende productiesystemen. Het meest recente onderzoek is een Tsjechisch onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat de in Nederland verboden batterij-systemen de laagste footprint hadden (ca. 2,5 kg CO2 eq/kg ei). Scharrel- en volièresystemen hebben een emissie van 3,2 kg, vrije uitloop een iets hogere emissie van 3,2-3,5 kg. Biologische systemen variëren van 3,4 tot 4,4 kg CO2 eq per kg ei.

Artikel downloaden

Dit artikel verscheen in het Stafblad van september 2025. Het artikel kunt u hieronder downloaden.


Deel via: