Ulvenhoutse bos: stikstof amper issue, hondenverbod onnodig

Staatsbosbeheer wil honden weren uit het Ulvenhoutse bos (NBr). Vanwege stikstof. Vanaf komende zomer zijn deze viervoeters niet meer toegestaan in een deel van het bos en op den duur wordt het hele bos gesloten voor honden. Merkwaardig is dat stikstof nauwelijks een rol speelt in dit bos. Dat rapporteerden de Nederlandse autoriteiten aan Brussel. Het bosbeheer is een groter punt van zorg. 

Op een zonnige dag in februari brengt de Staf-redactie een bezoek aan het Ulvenhoutse bos. Dit N2000-gebied ligt tussen Breda en Ulvenhout. De auto kan midden in het bos worden geparkeerd, in habitattype H9120 (beuken-eikenbossen met hulst). “Maar niet lang meer”, zegt een wandelaar met hond. “Honden worden hier straks geweerd, en auto’s ook.”

Volgens Staatsbosbeheer lijdt de kwetsbare natuur hier aan een teveel aan stikstof. Het gebied wordt door veehouderijen en omliggende snelwegen al zwaar belast. Daar kan geen stikstof uit hondenpoep en urine meer bij. Volgens Staatsbosbeheer, de beheerder van het bos, is de impact van hondenpoep en -plas fors. Het zou jaarlijks gaan om zo’n 14.000 kilo poep (ruim 230 kruiwagens) en 25.000 liter plas.

‘Stikstof lage drukfactor’

De grootste bedreigingen van het bos zijn volgens Staatsbosbeheer, naast stikstof, ook verdroging. Ook recreatie is een belangrijke factor. De rapportage over dit bosgebied die Nederland naar de Europese Commissie stuurde, geeft een wat ander verhaal.

De lidstaten zijn verplicht om periodiek verslag te doen aan de Europese Commissie over de stand van zaken in de individuele Natura 2000 gebieden. Daarbij moet onder meer worden aangegeven wat de grootste bedreigingen en drukfactoren. De Nederlandse rapportages zijn opgesteld door wetenschappers van Wageningen UR en enkel verkrijgbaar bij de Europese Commissie.

De rapportage over het Ulvenhoutse bos vermeldt dat stikstof een ‘lage’ drukfactor vormt. En dus geen ‘grote’, zoals Staatsbosbeheer de hondenbezitters wil laten geloven. De wijze waarop het bos wordt beheerd – ‘forest replanting’ – is een grotere zorg. Wat er precies wordt bedoeld met ‘forest replanting’ – gebrek aan aanplant of verkeerde aanplant – vermeldt de Brusselse rapportage niet.

Ook de waterwinningen zijn een ‘medium’ drukfactor. Er liggen drie drinkwaterwinningen in de buurt van het Ulvenhoutse Bos: Ginneken, Prinsenbosch en Dorst. Deze zorgen voor een daling van de waterstanden van 10 tot ruim 25 cm.

Reactie Staatsbosbeheer

Waarom is stikstof volgens Staatsbosbeheer een groot probleem, terwijl Wageningse onderzoekers aan Brussel rapporteerden dat stikstof weinig rol van betekenis speelt? En wat gaat er mis met het bosbeheer?

Volgens de woordvoerder van Staatsbosbeheer is de stikstofneerslag volgens Aerius Monitor veel hoger dan wat het bos aankan. “Daardoor hebben de planten in het bos het moeilijk. In het gebiedsproces zijn daarom alle stikstofbronnen in beeld gebracht om te onderzoeken in welke mate lokale maatregelen kunnen helpen om de belasting terug te dringen.” (Het Aerius-rekenmodel is ongeschikt voor gebruik op lokale schaal. De onzekerheden zijn te groot, red.)

De bosbeheerder is ook aan de slag gegaan met de verdroging van het bos. “We namen de afgelopen jaren al veel maatregelen om de waterhuishouding te herstellen. Die is nu grotendeels op orde. Gelukkig zien we voorzichtige vooruitgang door de beheermaatregelen die we treffen.”

Over wat er mis gaat met het beheer kan Staatsbosbeheer niks zeggen. De natuurbeheerder kent de rapportage aan de Europese Commissie niet en raadt aan contact op te nemen met de opsteller.

Extra grond voor extra bos

Staatsbosbeheer en Provincie Noord-Brabant hebben plannen met het Ulvenhoutse bos. “Onze ambitie is dat er een groot losloopgebied terugkomt, buiten het beschermde Natura2000-gebied. Een belangrijk onderdeel van het gebiedsplan is namelijk de aanleg van nieuwe groene gebieden aan de randen van het bos. Deze gebieden dienen als buffer voor de kwetsbare natuur in het bos. Daarmee ontstaat ruimte voor een nieuw hondenlosloopgebied.”

Ook in het N2000-gebied blijven honden welkom. “Je kunt straks nog steeds met je hond een mooie grote ronde wandelen. Alleen dan wel aangelijnd en de poep moet je opruimen. Tevens blijft er een klein deel van het bos beschikbaar als losloopgebied.”

Deel via:

UPLG-avond in Wilnis: focus op water en memorandum Bakker

De avond van LTO Noord over het UPLG in Wilnis op 28 januari 2026 was druk bezocht. Tijdens deze avond was er veel aandacht voor de waterkwaliteit en het zojuist verschenen memorandum van de Utrechtse gedeputeerde Bakker over dit onderwerp. Staf is gevraagd een presentatie te verzorgen. Deze is hieronder te downloaden.

Goed nieuws

Het UPLG heeft een forse wateropgave neergelegd in Noordwest-Utrecht. Vooral de fosfornormen worden niet gehaald. Omdat er gebruik is gemaakt van de gegevens in 2024, ligt hier de oude bronnenanalyse onder. In een bronnenanalyse staat welke bron welk aandeel heeft in de vervuiling. Volgens de oude analyse heeft de landbouw een flink aandeel. Medio 2025 verscheen een nieuwe bronnenanalyse, waaruit blijkt dat de achtergrondconcentratie (waar de landbouw niks aan kan doen) hoger is dan gedacht. En het aandeel nutriënten dat uit de landbouw komt, lager. Er zijn complimenten voor waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor het laten uitvoeren van de bronnenanalyse. Een bestuurder van dit schap bevestigt dat onder het UPLG de oude gegevens liggen. Provincie Utrecht heeft inmiddels bevestigd dat het aandeel van de landbouw in dit gebied klein is.

Wanneer de achtergrondconcentratie hoger is dan verwacht, zouden de normen echter opnieuw afgeleid moeten worden. Mogelijk leidt een hoge achtergrondconcentratie ertoe dat normen onhaalbaar zijn. Het waterschap in provincie Flevoland – waar hetzelfde aan de hand is – is momenteel druk doende de normen opnieuw vast te stellen. Gebeurt dat ook bij Amstel, Gooi en Vecht? De bestuurder van dit schap antwoordt dat het ook hier op de agenda staat.

Memorandum gedeputeerde Has Bakker

De Utrechtse gedeputeerde Has Bakker kwam op 26 januari 2026 met een memorandum. Daarin gaat hij in op kritiek op het UPLG. Ook op 15 januari kwam de provincie al met een memorandum, waarin ingegaan werd op kritiek. Deze tussentijdse reacties op kritiek zijn merkwaardig aangezien er momenteel een zienswijzeprocedure loopt waarin de provincie de kritieken verzameld. Bakker stelt in zijn memorandum dat het halen van de KRW-doelen vraagt om extra inzet op meerdere terreinen. Hij gaat daarmee voorbij aan de nieuwe bronnenanalyse en de daaraan gekoppelde mogelijkheid om normen te herijken. Ook geeft hij hiermee blijk van het niet willen afwachten van de zienswijzen. De bestuurder van Amstel, Gooi en Vecht wil weinig kwijt over de inhoud van de zienswijze die het waterschap voornemens is in te dienen.

Bakker stelt in zijn memorandum vervolgens dat een oppervlaktewater volgens de Nitraatrichtlijn op ‘groen’ kan staan en volgens de Kaderrichtlijn Water op ‘rood’. Dat klopt, maar daarmee gaat Bakker voorbij aan de kritiek op het UPLG. De kritiek is dat de nutriëntenbeoordelingen (stikstof en fosfor) voor beken aan de oostzijde van Utrecht in Brussel op ‘groen’ staan terwijl deze beken ‘rood’ scoren op nutriënten in het UPLG. Het gaat enkel om de beoordeling van nutriënten; dat is relevant voor de landbouw.

Natuurkwaliteit en stikstof

Nederland levert periodiek gegevens aan in Brussel over de individuele natuurgebieden. Het gaat ook om gegevens over de mate van instandhouding. Wat opvalt is dat deze rapportages een gunstigere trend laten zien van de Utrechtse natuurgebieden, dan het veelgehoorde ‘de natuur staat op omvallen’. Aan de Europese Commissie is gevraagd of de trend (verbetering, stabiel, verslechtering) kan worden afgeleid uit deze rapportages. Volgens de woordvoerder van de Commissie kan dat. Wel moet gecheckt worden of er mogelijk andere oorzaken zijn van veranderingen, zoals: een betere telling of verandering van onderzoeksmethode.

De EU-trends in Utrechtse natuurgebieden werden eerder getoond tijdens een bijeenkomst in Vianen. Provincie Utrecht heeft daarop laten weten niet blij te zijn met de rapportages aan Brussel. “Het is kwalijk dat het Rijk verouderde gegevens heeft aangeleverd.” De provinciale natuurdoelanalyses zijn er niet in meegenomen.

Download de presentatie

Deel via:

Onderzoekers komen met kritische reflectie op UPLG-memorandum Provincie Utrecht

Provincie Utrecht heeft een memorandum opgesteld, met daarin kritiek op rapporten van zelfstandig onderzoeker Wouter de Heij en hoogleraar Ronald Meester. Ook heeft de provincie kritiek op de lezing van Geesje Rotgers, onderzoeksjournalist bij Agrifacts, gehouden tijdens een bijeenkomst van Agractie, NMV en NFO eerder deze maand. Meester, De Heij en Rotgers hebben zich – onafhankelijk van elkaar – beschouwend uitgelaten over onderdelen van het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) of die het UPLG raken. Meester, De Heij, Rotgers en Jaap Hanekamp schreven een kritische reflectie op het UPLG-memorandum van de provincie.

Opvallend is dat Provincie Utrecht middels een memorandum haar kritiek uit op het werk van genoemde personen, maar deze kritiek niet met deze mensen heeft gedeeld. Wel werd het memorandum verstrekt aan derden. Deze deelden het stuk, met instemming van de provincie, alsnog met Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp. Ook de Commissie Hordijk, waar Hanekamp deel vanuit maakte, komt in het memorandum voorbij.

Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp schreven een kritische reflectie op het memorandum, waarin een reeks stellingen van de provincie werden weerlegd. “Het Utrechts Programma Landelijk Gebied is samenvattend niets anders dan wat de auteur Juvenal (c. 60 – 25 c. 140 A.D.) als volgt omschrijft: Hoc volo, sic iubeo, sit pro ratione voluntas – Ik zal dit laten doen, dus ik beveel dat het gedaan wordt; laat mijn wil het weloverwogen oordeel vervangen.”

Provincie Utrecht heeft niet alleen kritiek op het werk van genoemde personen, maar óók op het Rijk. Deze zou verouderde natuurgegevens naar Brussel hebben gestuurd, waardoor er bij de Europese Commissie een gunstiger natuurbeeld bestaat dan uit de provinciale natuurdoelanalyses blijkt. We kunnen dus niet vertrouwen op gegevens die door de Nederlandse autoriteiten worden aangeleverd in Brussel.

Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp adviseren Provincie Utrecht om hun reflectie met bijgeleverde literatuur tot zich te nemen en op inhoud te beoordelen, en kritiek erop in het openbaar te bespreken met de auteurs.

Reflectie en memorandum

Download hier de kritische reflectie op het memorandum van Meester / De Heij / Rotgers / Hanekamp

Download hier het memorandum van Provincie Utrecht:

(Foto: Shutterstock)

Deel via:

Provincie Utrecht legt forse extra wateropgave neer bij landbouw

Provincie Utrecht legt met het UPLG (Utrechts Programma Landelijk Gebied) een forse wateropgave neer bij de landbouw. Eind vorig jaar werd het pakket online gezet. Met alarmerende kaarten wordt getoond waar grote opgaven liggen. In dit artikel worden enkele gebieden met een grote wateropgave onder de loep genomen. Wat opvalt is dat er gebruik wordt gemaakt van verouderde cijfers, strengere normen en een wijze van beoordelen die afwijkt van de Europese.

“Voor het thema water en bodem richten we ons in het Ontwerp-UPLG allereerst op schoon water waarbij we te maken hebben met de Europese Kaderrichtlijn Water waar we in 2027 aan moeten voldoen. We verbeteren de waterkwaliteit door minder gebruik te maken van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en door sloten en oevers meer natuurvriendelijk in te richten en te beheren”, aldus Provincie Utrecht in het UPLG. Een grote wateropgave ligt in Noordwest-Utrecht – zo toont de provincie met enkele kaartjes. Hier wordt de gewenste waterkwaliteit bij lange na niet gehaald. Dat geldt voor beide nutriënten: stikstof en nog meer voor fosfor.

Oude cijfers

De opgave in Noordwest-Utrecht ligt voor een aanzienlijk deel bij de landbouw. Dit is het gevolg van een bronnenanalyse uit 2016 (gebaseerd op gegevens van onder meer 2010-2013). De nieuwe bronnenanalyse liet bijna 10 jaar op zich wachten en kwam medio 2025 naar buiten. Daarin komt Wageningen Universiteit tot de conclusie dat er nutriënten in Noordwest-Utrecht ten onrecht aan de landbouw waren toegeschreven; deze zijn het gevolg van natuurlijke processen, zoals kwel. Inmiddels zijn de landelijke kaarten met stikstof- en fosforopgaven voor de landbouw aangepast[1]. Deze kaarten kleuren nu groen in Noordwest-Utrecht; zie afbeeldingen. Nu natuurlijke processen een groter aandeel hebben als gedacht, had Noordwest-Utrecht niet opgevoerd hoeven te worden als gebied met een grote wateropgave.

Figuur 1. Fosfor in oppervlaktewater: de opgave volgens het UPLG (links) en voor de landbouw (oud, bronnenanalyse 2016) en na herziening (nieuw, bronnenanalyse 2025).

Figuur 2. Stikstof in oppervlaktewater: de opgave volgens het UPLG (links) en voor de landbouw (oud) en na herziening (nieuw).

Provincie Utrecht houdt vast aan normen

De kwestie wordt voorgelegd aan Provincie Utrecht. Deze laat weten vast te houden aan de gestelde normen voor stikstof en fosfor, deze worden nu niet gehaald. De provincie zegt hiermee in feite geen rekening te houden met de onderschatte natuurlijke achtergrondconcentratie. Dit betekent automatisch dat de provincie een grotere wateropgave creëert dan noodzakelijk. En die grotere opgave wordt neergelegd bij het platteland, oftewel de landbouw.

Hoge achtergrondconcentraties kunnen bovendien de reden zijn dat normen onhaalbaar zijn. Normen worden zelfs niet gehaald als alle agrarische activiteiten uit het gebied worden gesaneerd. In Noordwest-Utrecht is dit risico extra aan de orde omdat waterschap en provincie hier voor een groter aantal wateren strengere normen hebben gesteld dan de maatlatwaarden (landelijke advieswaarden). Enkele voorbeelden: voor de Vecht (watertype M7b) zijn de maatlatwaarden ≤ 0.25 mg P/l en ≤ 3.8 mg N/l. Waterschap en provincie scherpten de normen fors aan: ≤ 0.09 mg P/l en ≤ 1.6 mg N/l. Voor de Amstellandboezem (watertype M6b) zijn de maatlatwaarden ≤ 0.25 mg P/l en ≤ 3.8 mg N/l. Waterschap en provincie kiezen voor een strengere norm: ≤ 0.17 mg P/l en ≤ 2.5 mg N/l.

Flevoland: zelfde problematiek, andere aanpak

In provincie Flevoland speelt momenteel hetzelfde, maar hier gaat de overheid er anders mee om. Ook in delen van Flevoland is Wageningen UR recent tot de conclusie gekomen dat er nutriënten onterecht waren toegerekend aan de landbouw. Deze blijken voort te komen uit natuurlijke processen waar de landbouw niks aan kan doen. In Flevoland wordt momenteel gewerkt aan een aanpassing van de waterdoelen; de doelen mogen worden bijgesteld als er sprake is van natuurlijke achtergrondconcentraties.

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht – dat samen met Provincie Utrecht verantwoordelijk is voor de waternormen in Noordwest-Utrecht – bevestigt dat zij een nieuwe bronnenanalyse heeft laten uitvoeren. Ook wordt bevestigd dat de landbouw daarin veel minder aandeel heeft in de belasting van het water met nutriënten dan gedacht en dat de nieuwe gegevens niet zijn gebruikt voor het UPLG. Een bestuurder van dit schap geeft aan hier werk van te willen maken, naar het voorbeeld van Flevoland.

Beken bij EU op groen, in UPLG grote opgave

Provincie Utrecht wil de uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar een reeks beken in het oosten van de provincie verminderen. Het gaat om de volgende beken: Lunterse Beek, Heiligenbergerbeek, Modderbeek, Middenloop- en Benedenloop Barneveldse Beek, Esvelderbeek, Moorsterbeek en Hoevelakense Beek.

Merkwaardig is dat de meeste van deze beken volgens de Europese Commissie al geruime tijd voldoen aan de nutriënteneisen. Dat blijkt onder meer uit het Landenrapport van februari 2025 van de Europese Commissie, over de voortgang van de Kaderrichtlijn Water in Nederland.  Wel is er in enkele beken een normoverschrijding met het bestrijdingsmiddel imidacloprid[2], maar dit middel is sinds 2018 verboden in de land- en tuinbouw. Het mag wel gebruikt worden door particulieren. Waarom een forse opgave neerleggen bij de landbouw vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water, als volgens Europa in deze beken de landbouwdoelen helemaal (of goeddeels) worden gehaald?

Volgens Provincie Utrecht zit er een verschil in de beoordelingsmethode voor de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. De Europese beoordelingen zouden volgens de provincie gaan over de Nitraatrichtlijn. Deze stelling van de provincie blijkt niet te kloppen, de Europese Commissie gaat in beide rapportages eender te werk. Provincie Utrecht zegt voor de Kaderrichtlijn Water de Nederlandse beoordelingswijze toe te passen. Dat de doelen niet worden gehaald in deze beken komt onder meer door ‘specifiek verontreinigende stoffen’.  Dat laatste klopt, maar deze specifieke stoffen komen dan weer niet uit de landbouw.

Hier is sprake van een discrepantie tussen de Europese en Utrechtse beoordelingsmethode van nutriënten. (De methode die Provincie Utrecht toepast, wordt in meer provincies gehanteerd, echter niet in alle). Het UPLG verwijst veelvuldig naar de Europese Kaderrichtlijn Water. Je zou dan mogen verwachten dat de Europese beoordelingsmethode wordt gevolgd.

Conclusie

Europa hanteert het principe dat de vervuiler verantwoordelijk mag worden gesteld voor de eigen bijdrage. We zien in het UPLG dat deze benadering niet wordt gevolgd. Er wordt een hogere wateropgave neergelegd bij de landbouw, dan waarvoor deze verantwoordelijk is.


[1] Notitie implementatie 8e actieprogramma aandachtsgebieden, oktober 2025, ministerie van LVVN.

[2] Bestrijdingsmiddelenatlas 2022-2024

Deel via:

Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat

Als het gaat over pesticiden die schadelijk zijn voor het milieu, wordt al gauw naar de land- en tuinbouw gekeken. Onterecht, zo blijkt uit een rondje shoppen. Maar liefst vier pesticiden uit de Top 25 meest problematische middelen koop je gewoon bij het Kruidvat. En bij speciaalzaken en op internet blijkt nog veel meer te koop.

Hoe gemakkelijk kunnen burgers pesticiden kopen, die riskant zijn voor het milieu? De redactie van Staf neemt de proef op de som. Wij nemen de Top 25 van meest problematische middelen volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas (download artikel met lijst onderaan de pagina). Dit zijn middelen die momenteel de meeste en hoogste normoverschrijdingen laten zien in het oppervlaktewater in Nederland. Wij gaan met dit ‘boodschappenlijstje’ naar de winkel.

Kruidvat

Eerst naar het Kruidvat. Bij het schap met bestrijdingsmiddelen voor huis, tuin en huisdier, kunnen al vier pesticiden van ons boodschappenlijstje worden geshopt. We kopen hier een busje anti-mierenpoeder met het pesticide lambda-cyhalotrin. Deze stof staat op plek 20 in de lijst met grootste probleemstoffen op dit moment. We scoren bij het Kruidvat ook een spuitbus met het pesticide permethrin, tegen kruipende insecten en wespen. Permethrin staat op plek 8 in de lijst. Bij deze drogist halen we tevens een flacon anti-insect waarin het pesticide N,N-diethyl-M-toluamide (DEET) is verwerkt. DEET staat op plek 14. Tot slot nemen we voor de hond nog een spot-on mee tegen vlooien, teken en bijtende luizen. Hier doet het pesticide fipronil het ongedierte dodende werk. Fipronil vinden we op plek 2. Fipronil is nagenoeg het meest problematische pesticide voor het watermilieu op dit ogenblik. Een minieme hoeveelheid fipronil is al voldoende om een normoverschrijding te veroorzaken. Als een dier dat met fipronil is behandeld in een sloot springt, brengt dat de fipronilconcentratie meteen boven de norm.

Het is opvallend dat je dergelijke riskante producten zonder meer bij een drogist kunt kopen. Wanneer je aspirine koopt, dan is de winkel verplicht daar een gebruiksadvies bij te leveren. Standaard krijg je de vraag of je bekend bent met het product. Bij pesticiden die grote impact kunnen hebben op het milieu, krijg je die vraag niet. Het wordt zonder meer verkocht.

Top 25 probleemstoffen

Zeven van de 25 grootste probleemstoffen in ons water blijken gewoon te koop in de winkel. Zes stoffen blijken uit de handel en niet meer te koop. De overige 12 producten zijn alleen verkrijgbaar voor professionele gebruikers.

Het artikel ‘Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat’ verscheen in het STAF-blad van december 2025. Het is hieronder te downloaden.

Deel via:

PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw

Volgens het Compendium voor de Leefomgeving, waar het Planbureau voor de Leefomgeving deel vanuit maakt, is zo’n 60 miljoen kilo stikstof in het oppervlaktewater afkomstig uit de landbouw. Dat komt neer op ruim de helft van de totale stikstofbelasting, zo meldt het Compendium op 18 november 2025. Wat daarbij niet wordt vermeld, is dat een aantal extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, wordt toegerekend aan de landbouw. Dit gebeurde ook al in 2017.

Op 11 mei 2017 gaf het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) uitleg in de Tweede Kamer over het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn[1]. Toenmalig SGP-landbouwwoordvoerder Elbert Dijkgraaf vroeg waarom ervoor gekozen is een aantal extra emissies (zoals natuurlijke kwel) toe te rekenen aan de landbouw, waardoor de opgave van de landbouw groter wordt. Deze keuze werd toen niet in het rapport verantwoord (zie voetnoot 1; minuut 33.05 – 34.18). De woordvoerder van Het PBL bevestigt dat er extra posten zijn toegerekend aan de landbouw en dat dit met reden is gedaan. Het PBL heeft een grotere opgave bij de landbouw neergelegd, omdat zij de waterkwaliteitsnormen niet wilde verruimen vanwege stikstof en fosfor uit natuurlijke bronnen. Het gevolg is een extra opgave voor de waterkwaliteit. Er is voor gekozen die extra opgave bij de landbouw neer te leggen, omdat deze sector meer draagkracht heeft dan bijvoorbeeld de rioolwaterzuivering (minuut  51.45 – 53.06).

De waterdoelen voor stikstof en fosfor mogen worden verruimd wanneer er sprake is van natuurlijke bronnen. Een deel van de waterschappen en provincies past een dergelijke verruiming toe. Andere waterschappen en provincies doen dit niet. Dit is een politieke keuze.

Geschiedenis herhaalt zich

Het Compendium voor de Leefomgeving heeft opnieuw een aantal extra bronnen op rekening van de landbouw gezet[2]. En opnieuw gebeurt dit zonder daarvan melding te maken. Hierdoor ontstaat het beeld bij de politiek, de media en Europese Commissie dat ruim de helft van de stikstof- en fosforlast in het oppervlaktewater toegeschreven moet worden aan de landbouw. Ook wordt het zogenaamde inlaatwater – de stikstof en fosfor die van buitenaf met het water binnenkomt – niet meegeteld.

De woordvoerder van het PBL bevestigt dat de post landbouw is opgebouwd uit een reeks bronnen: uit/afspoeling van mest vanuit de landbouw, erfafspoeling landbouw, glastuinbouw en het mee mesten van sloten. Maar onder landbouw vallen ook de bronnen: natuurlijke kwel vanuit de ondergrond en nog een aantal posten. Deze posten betreffen: uitloging van nutriënten die van nature in de bodem aanwezig zijn, uitspoeling van eerder geïnfiltreerd oppervlaktewater (vooral in de zomer) en uitspoeling van stikstofdepositie. De woordvoerder geeft aan dat deze duiding eventueel een volgende keer kan worden toegevoegd.

Het PBL bevestigt ook dat het inlaatwater niet wordt meegenomen bij het bepalen van het aandeel van de bronnen in de stikstof- en fosforbelasting van het oppervlaktewater. “Inlaatwater is geen emissiebron. De nutriënten in het inlaatwater zijn afkomstig van verschillende bronnen. Verder wordt alleen gekeken naar binnenlandse bronnen.”

Bronnen uitsplitsen

Het Compendium voor de Leefomgeving bevestigt dus extra nutriëntenbronnen toe te rekenen aan de landbouw, ondanks dat die nutriënten niet afkomstig zijn uit de landbouw. Dit heeft als gevolg dat de landbouw voor een grotere wateropgave wordt gesteld, dan waarvoor zij verantwoordelijk is.

Wageningen UR (WUR) splitste in 2025 uit welke bron welk aandeel heeft in de stikstof en fosfor in het regionale oppervlaktewater[3]. Dit onderzoek vond plaats in opdracht van het ministerie van LVVN. WUR werkte daartoe samen met de waterschappen. Dit onderzoek laat zien welk aandeel van de stikstof en fosfor afkomstig is van de landbouw en van de bemesting. En welk aandeel komt uit bodemprocessen die de landbouw niet worden aangerekend. Wageningen UR rekent ook de stikstof- en fosforaanvoer met het inlaatwater mee. Het aandeel dat WUR toerekent aan de landbouw komt daarmee fors lager uit dan het aandeel dat het PBL toerekent aan de landbouw. Zie figuur.

Conclusie

Het Compendium zegt met haar informatie bij te dragen aan de kwaliteit van de politiek/bestuurlijke afwegingen op het gebied van natuur, milieu en ruimte. De informatie is primair bedoeld voor strategische beleidsbeslissingen en de wetenschap. Echter, de ondoorzichtige en oncontroleerbare wijze waarop het Compendium stikstof en fosfor toeschrijft aan de landbouw, zorgt ervoor dat er geen politieke/bestuurlijke discussie plaatsvindt over het toerekenen van extra bronnen aan de landbouw. Die discussie had moeten gaan over de juistheid van het neerleggen van een grotere opgave bij de landbouw dan waarvoor zij verantwoordelijk is.

Herkomst stikstof volgens Compendium en WUR

De herkomst van stikstof in het oppervlaktewater volgens het Compendium voor de Leefomgeving en Wageningen UR. Let op: de grafieken laten de verschillen goed zien, maar zijn niet 100% vergelijkbaar omdat er gerekend is met iets andere uitgangspunten (perioden, indeling bronnen).



[1] https://debatdirect.tweedekamer.nl/2017-05-11/landbouw/thorbeckezaal/planbureau-voor-de-leefomgeving-pbl-over-het-zesde-actieprogramma-nitraatrichtlijn-11-03/onderwerp  Zie minuten 33.05 – 34.18 (vraag SGP) en 51.45 – 53.06 (antwoord PBL).

[2] https://www.clo.nl/indicatoren/nl019226-belasting-van-het-oppervlaktewater-met-vermestende-stoffen-1990-2023

[3] Landelijke bronnenanalyse nutriënten regionale oppervlaktewaterlichamen Kaderrichtlijn Water; Wageningen Environmental Research, juni 2025.

Deel via:

Waarom zijn overheden partner van activistisch natuurplatform?

Overheidsorganisaties en NGO’s trekken samen op in het communicatieplatform NatureToday. Dit communicatiekanaal is bedoeld voor het delen van berichten over de natuur. Echter, we zien dat dit kanaal ook politiek gekleurde boodschappen verspreidt, en soms zelfs scheldpartijen aan het adres van partijen met ‘verkeerde’ inzichten. Past zo’n communicatiekanaal wel bij een overheid die zegt integriteit, objectiviteit en onpartijdigheid hoog in het vaandel te hebben?

Dat overheidsorganisaties en NGO’s samen optrekken bij het verspreiden van natuurberichten is bijzonder. Overheden verliezen daardoor gemakkelijk hun neutrale positie. De nauwe samenwerking zou misschien te billeken zijn, wanneer het om objectieve, inhoudelijke berichtgeving gaat. Echter, het communicatiekanaal verspreidt tegenwoordig ook activistische, politieke boodschappen. Die soms ontaarden in scheldpartijen aan het adres van organisaties en onderzoekers met andere inzichten. Zo wordt bijvoorbeeld vaker stelling genomen tegen BBB-bewindvoerders. Deze worden beschuldigd van het verspreiden van halve waarheden en hele leugens; BBB-bewindslieden zouden desinformatie verspreiden. Het is merkwaardig dat overheden partner zijn van een communicatiekanaal, dat dergelijke ‘natuurberichten’ over de eigen bewindslieden uitzendt.

Ook ‘schopt’ NatureToday tegen boerenorganisatie LTO, die foute lobbyactiviteiten wordt verweten. En een wetenschapper die in opdracht van de Staatssecretaris van Landbouw en Natuur met een kritisch rapport kwam – dat niet past in het straatje van de redactie – wordt zelfs uitgescholden voor charlatan en koekenbakker. Uitingen die niet passend zijn voor overheidsorganisaties.

Reactie overheden

BIJ12 bevestigt dat zij partner is van dit communicatiekanaal. Daarvoor bepaalt deze uitvoeringsorganisatie van provincies jaarlijks 5.000 euro. De organisatie geeft aan zich onvoldoende te hebben verdiept in de activistische berichtgeving die via dit kanaal wordt verspreid en raadt aan hierover contact op te nemen met de redactie.

Provincie Gelderland is ook partner en zegt 3.950 euro per jaar te betalen voor deelname. “Onze afweging om samen te werken met NatureToday heeft een communicatieve achtergrond. Via dat medium kunnen wij een voor ons relevante doelgroep bereiken waarmee wij communiceren over ons natuurbeleid en de uitvoering en resultaten van onze projecten”, aldus de woordvoerder. Provincie Gelderland zegt zich verder niet te bemoeien met de publicaties op dit platform. “Het feit dat wij gebruik maken van een medium of meewerken aan artikelen of content betekent niet dat we deze bijdragen automatisch ondersteunen”.

Provincie Groningen levert een financiële bijdrage aan NatureToday van 3.950 euro per jaar. “Het is voor ons een manier om specifieke doelgroepen te bereiken en transparant te zijn over ons beleid.” De provincie zegt wil zich niet te mengen in de vrijheid van meningsuiting op het platform. “Iedereen is vrij een eigen opinie te hebben en deze in te sturen naar media naar keuze.”

Het lijkt erop dat de overheden nauwelijks weten wat voor berichten er op hun natuurplatform wereldkundig worden gemaakt, of het wel prima vinden. Ook de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, Provincies Noord-Brabant en Overijssel zijn partner van dit natuurplatform.

NatureToday kuist artikel

NatureToday gaat niet in op vragen over een recent stuk, waarin partijen met andere inzichten worden uitgescholden voor charlatans, koekenbakkers en meer wat lelijk is. Maar laat wel weten de tekst van dit natuurbericht qua formulering en stijl te hebben aangepast “zodat de argumentatie en de inhoud beter tot haar recht komen”. De redactie blijkt het stuk te hebben ontdaan van de scheldpartijen. Ironisch genoeg vermeldt NatureToday bij het betreffende artikel nu dat het platform soms te maken heeft met persoonlijke aanvallen.

Deel via:

‘Nieuw’ onderzoek in dossier geitenhouderijen beslaat al gepubliceerd onderzoek uit VGO-III

De Gezondheidsraad heeft op 8 december 2025 het tweede deel van haar advies over de gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen opgeleverd. Het betreft geen nieuw onderzoek, zoals veel media menen. De Gezondheidsraad heeft ervoor gekozen om een enkele publicatie uit 2023 uit te lichten, en de andere reeks publicaties niet mee te wegen. Waarom de Gezondheidsraad hiervoor kiest wordt nagenoeg niet onderbouwd.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

De Gezondheidsraad heeft het tweede deel van haar advies opgeleverd[1], met de titel: “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II Gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen en mogelijkheden voor beperking gezondheidsrisico’s”. Het eerste deel is rond de zomer verschenen[2], en beide delen zijn opgeleverd op aanvraag van demissionair minister van LVVN Femke Wiersema en voormalig minister van VWS Fleur Agema naar aanleiding van een commissiedebat[3].

Een onderzoek naar de relatie tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden (VGO) is een onderzoek dat meer dan een decennium aan werk beslaat[4]. Daar waar in het begin algemeen werd gekeken naar alle soorten veehouderij (koeien, kippen, varkens en geiten), werd de focus na enkele positieve bevindingen verlegd op kippen en geiten. Vooral laatstgenoemde is in het nieuws geweest met de ernstige nasleep van de Q-koorts nog in het achterhoofd.

Het VGO onderzoek kent drie delen (I, II en III), onderzocht vijf provincies en beslaat tezamen 13 publicaties. Deze publicaties heb ik uiteengezet in mijn rapport met als doel om de epidemiologische waarde van elke studie te beoordelen[5]. Uiteindelijk ben ik zelf met de data aan de slag gegaan om te bezien of de relatie tussen wonen nabij een geitenhouderij en de kans op longontsteking consistent is. Naar mijn optiek is dit niet meer het geval vanaf een afstand van 500 meter[6]. Ik citeer uit mijn rapport:

“Zoals we hebben kunnen zien verschilt de kans tussen longontsteking en de nabijheid van geitenboerderijen per studie, per analyse en per afstand. Vaak genoeg wordt er helemaal geen effect gezien én als het effect er is, dan is dat alleen constant voor een afstand van 500 meter waar steeds maar een klein deel van de onderzoekspopulatie verblijft.” (pagina 67 Rapport ‘Geiten en longontsteking’). 

Nu lees ik in Kamerbrief die betrekking heeft op het tweede deel van het advies van de Gezondheidsraad het volgende:

“In het tweede deeladvies heeft de Gezondheidsraad voor zover mogelijk antwoorden gegeven op complexere en meer gedetailleerde vragen omtrent de aard en ernst van de gezondheidseffecten en de mogelijke oorzaken. De Raad komt tot de conclusie dat het risico op longontsteking is verhoogd voor omwonenden binnen 500 meter (73%) en 1 kilometer (19%) van een geitenhouderij. De Raad komt op lagere schattingen van het aantal extra longontstekingen, ziekenhuisopnamen en sterfgevallen dan op landelijke schaal is toe te schrijven aan de aanwezigheid van geitenhouderijen dan eerder gecommuniceerd”

Deze cijfers zijn uitgebreid in het nieuws gecommuniceerd, maar hebben geen betrekking op nieuw onderzoek. Sterker nog, het gaat hier om cijfers die zijn gepubliceerd in Lotterman et al., 2023[7]. Het lijkt er dus sterk op dat de Gezonheidsraad er nu voor heeft gekozen om één enkel onderzoek uit te lichten, maar doet dit niet met een gedegen onderbouwing. Hoewel het onderzoek van Lotterman deel uitmaakt van VGO-III en de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel beslaat, is het nog steeds maar één van de publicaties in een dossier vol publicaties. Over het gehele dossier heb ik het volgende gezegd:

“De waarde van 11 jaar aan gegevens is wisselend. Zo lijken er wel degelijk verschillen te zijn in de incidentie van longontsteking tussen gebieden met veel veehouderijen én controlegebieden, maar de manier waarop die gebieden zijn geselecteerd is niet transparant gecommuniceerd. Ook is onduidelijk waarom een huisartsenpraktijk (of patiënt) wel besloot om mee te doen en waarom niet. Verder vinden we in de meeste analyses alleen correcties voor leeftijd en geslacht. Daarbovenop worden er soms wel meer dan 100 statistische vergelijkingen gedaan in één enkele studie. Een correctiemethode voor vals-positieven ontbreekt of is ontoereikend. Dit maakt dat het gros van de bevindingen waarschijnlijk veel meer onzeker is dan men graag wil laten zien” (pagina 4 Rapport ‘Geiten en longontsteking’).

Verder is het zo dat de relaties die Lotterman beschrijft afhankelijk zijn van tijd én plaats (Tabel 1 uit de publicatie), en van de gehanteerde methode (Tabel S3). Schijnbaar maakt het de Gezondheidsraad ook niet uit dat het 95% betrouwbaarheidsinterval op 1000 meter afstand een niet-significant resultaat laat zien: 1.19 [1.00; 1.41]. Hoe men hier zomaar overheen kan stappen ontgaat mij.

Ten slotte is en blijft het problematisch dat er alleen is gekeken naar omwonenden. De relatie tussen ziekte en omgeving is een onderzoek waar heel veel context bij komt kijken en voor die context moet worden gecorrigeerd. Dat gebeurt zelden: alleen leeftijd en geslacht worden structureel meegewogen. Andere ziektebeelden die eventueel aanwezig zijn bij respondenten worden soms wel en soms niet meegewogen. Maar de echt ontbrekende factor is de geitenhouder en zijn werknemers: deze zien we niet terug in de epidemiologische onderdelen van VGO. Onder het mom dat het hier gaat om omwonenden worden diegenen waarvan hun werk als een soort interventie zou moeten gelden (zoals roken dat ook doet) buitengesloten. Waarbij er nooit of te nimmer sprake kan zijn van een volledige dose-response analyse.

Dat de Gezondheidsraad er nu voor kiest om één enkele studie te belichten om toekomstige voorgedragen maatregelen te ondersteunen is voor mij een onverklaarbare selectiviteit in een dossier waarbij onzekerheid de norm is.

(Foto: Shutterstock)


[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/08/gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-ii

[2] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/07/03/advies-gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-i

[3] https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D06741

[4] https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/onderzoek-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-vgo

[5] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJ_Rapport_Geiten_Longontsteking.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJAdvies_Subrapport_Geiten_Longontsteking_consistentie.pdf

[7] https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0286972

Deel via:

Intrekken glyfosaatstudie breekt speelveld niet open

Een wetenschappelijk artikel over glyfosaat is na 25 jaar ingetrokken. Terecht, volgens onderzoeker Marc Jacobs. Wat niet terecht is, is de gewekte suggestie dat daarmee het speelveld rond glyfosaat weer open zou liggen. Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

Het artikel Safety Evaluation and Risk Assessment of the Herbicide Roundup and Its Active Ingredient, Glyphosate, for Humans is teruggetrokken door (co)Editor-in-Chief, Prof. Martin van den Berg[1]. Het artikel stamt uit het jaar 2000 en twee van de drie originele auteurs leven al niet meer. De laatst levende auteur (Prof. Williams) heeft niet gereageerd op eerdere aantijgingen van ghostwriting[2] waardoor er door het artikel nu een grote rood streep staat met de woorden RETRACTED.

Dat een artikel wordt teruggetrokken omdat het niet geschreven is door de auteurs van het artikel vind ik persoonlijk een goede zaak. Elke lezer moet ervan kunnen uitgaan dat wat geschreven staat in een artikel ook daadwerkelijk door de auteurs is geschreven. Ook moet een lezer ervan kunnen uitgaan dat de gebruikte data en analyses betrouwbaar én verdedigbaar zijn. Los van voortschrijdend inzicht moet wetenschappelijk werk voldoende robuust zijn om de wetenschappelijke gemeenschap te kunnen informeren. Beleid berust zich vaak op wetenschappelijke inzichten om een keuze te rechtvaardigen. Dit laatste kent zo haar eigen uitdagingen, maar is wel vaandeldrager voor transparantie en communicatie.

Het artikel kent volgens Prof. van den Berg echter meer problemen dan alleen de aantijgingen van ghostwriting. Zo werden alleen ongepubliceerde studies afkomstig van Mosanto gebruikt. Vijf additionele studies die toentertijd beschikbaar waren werden niet ingezet (Atkinson 1993; Sugimoto 1997, Takahashi 1999, Enemoto 1997, en Suresh 1996). Deze studies worden wel opgenomen in een review uitgevoerd door Chris Portier[3] en door Zembla aangehaald om te verklaren dat de statistiek rondom glyfosaat niet voldoende is[4]. Zou men de ‘juiste’ statistische toets hanteren dan zouden de resultaten er veel slechter uitzien voor pesticiden zoals glyfosaat.

Om te zien of deze stelling klopt heb ik de review van Portier met de gebruikte data tot mij genomen. Deze review includeert wel de vijf missende studies (en nog een aantal meer). Mijn bevindingen heb ik in dit rapport beschreven[5] waarin ik zowel de data als mijn analyses vrijgeef[6]. Ik hanteer expliciet dezelfde data als Portier en ga mee met zijn selectieprocedure. Het enige wat ik getracht heb te doen is om te vinden wat hij heeft gevonden. Ook heb ik contact met hem gezocht, maar tot op heden (elf maanden verder) heb ik niks vernomen. 

Het lukt mij niet om zijn werk te repliceren. Ook zie ik niet het voordeel van de eenzijdige toets. Ik citeer (uit pagina 5 en 6) van het rapport:

“Ik heb echt moeten zoeken om die relatie te vinden. Door de bocht genomen lukt het mij niet om met behulp van de frequentistische statistiek een relatie aan te tonen tussen dosering en kanker. De bevindingen zijn vaak niet statistisch significant wanneer ik tweezijdig toets. Een uitstap naar een eenzijdige toets voegt daar weinig aan toe én maakt dat we moeten aannemen dat het schatten van de relatie tussen dosering en kans op kanker een harde grens heeft in het schatten van de relatie. Ik voeg dan een assumptie die zich maar moeilijk laat verdedigen. Een eenzijdige toets heeft namelijk niet zo veel te maken met de richting van de relatie, maar eerder met het afkappen van de onzekerheid. In een dossier als deze, waarin de onzekerheid groot is, kan dat geen juiste methodiek zijn voor het bepalen van een relatie”   

Over de relatie tussen glyfosaat en kanker zeg ik het volgende, en ik citeer wederom vanuit pagina 6:

“Uiteindelijk lijkt het erop dat alleen in de Swiss Albino ratten, op basis van één studie en dan met name bij vrouwen, de relatie tussen glyfosaat en de kans op kanker duidelijk is: een toename van 8% vanuit het model. De toename op kanker, vanuit de data, bedraagt dan 4%. Beide getallen kennen een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Daarmee kunnen ze niet doorslaggevend zijn voor het gehele dossier.”

De retractie van de studie uit 2000 lijkt nu te vermoeden dat het gehele speelveld open ligt. Dat is niet zo, want we kunnen gebruik maken van de Portier review uit 2020. Maar deze review kent haar eigen problemen zoals ik in het rapport veelvuldig laat zien. Ik eindig daarom ook als volgt:

“We kunnen denk ik met dit rapport concluderen dat onderzoek naar glyfosaat beter moet en beter kan, maar daarvoor moet de data ook op het niveau van het dier worden gemeten waarbij ook wordt gekeken naar de factor tijd. Dat ontbreekt nu. Verder hebben we het hier over dierproeven en niet over menselijke studies.”

Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.


[1] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0273230099913715

[2] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1462901125001765

[3] https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32050978/

[4] https://www.bnnvara.nl/zembla/artikelen/kankerrisico-door-pesticiden-decennialang-verkeerd-ingeschat

[5] https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2025/02/Rapport-Pesticiden-en-Kanker-door-MSJ-Advies.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Glyfosaat_Statistiek

Foto: Shutterstock/Patrick Herzberg

Deel via:

Goochelen met gebieden en soorten en Aerius-trucs

De omvang van de stikstofgevoelige natuur en de bescherming van kwetsbare soorten is in de voorbije periode van ruim 10 jaar grotendeels vanachter de computer bepaald. Systematische waarnemingen, tellingen van soorten en ‘ecologenboots on the ground’ hebben slechts in beperkte mate bijgedragen.

Dat het zo ging met de serie van Natuurdoelanalyses, die tot stand is gekomen op initiatief van voormalig stikstofminister Christianne van der Wal, was al bekend. De gang van zaken bij een vorige ronde – de uitrol van vele tienduizenden hectares leefgebieden (LG-gebieden) in 2016-2017 – was veel minder goed in beeld. Dankzij een serie Woo-verzoeken bij een aantal provincies is er meer openbaar geworden.
Om de vele tienduizenden hectares extra leefgebied voor onder meer de zeggekorfslak, de kemphaan en de zwarte specht te kunnen claimen, moest op meerdere niveaus een min of meer samenhangend betoog in elkaar worden gezet. De rode lijn was ook toen al die van stikstof, maar de gevoeligheid daarvoor verschilt per habitat en leefgebied. 

Download het artikel hier:

Deel via: