De kwaliteit van water staat hoog op de politieke agenda. De stichting Agrifacts belegt op 5 september een studiedag voor (wetenschaps)journalisten, bestuurders met water in hun portefeuille en iedereen die geïnteresseerd is in het onderwerp.
In deze bijeenkomst zullen deskundigen van de waterschappen Zuiderzeeland en Vallei en Veluwe vertellen hoe zij omgaan met gestelde normen en gebiedspecifieke aspecten. Een toxicoloog van Waternet vertelt over aangetroffen residuen en combinaties daarvan, en over hun effect op het milieu. Een onderzoeker van Staf bespreekt de verschillende waterkwaliteitsmeetnetten, de rapportages naar Brussel en hoe je de waterkwaliteitsmetingen ‘boven water’ kunt krijgen.
Datum: Dinsdagmiddag 5 september 2023 Locatie: De Landgoederij, Camminghalaan 30, Bunnik (U). Inloop: 13.30 uur. Aanvang programma: 13.45 uur. Sluiting: 17.00 uur met soep en een broodje. Aanmelden: Stuur een email naar info@stichtingagrifacts.nl. Vermeld dat het gaat om de ‘Expertmeeting Waterkwaliteit’. Deelname is gratis.
PROGRAMMA
13.45 uur: Opening door Frans van de Lindeloof (directeur Agrifacts) 13.50 uur: Welkom door dagvoorzitter Piet van der Aar (redactieteam Agrifacts) 14.00 uur: Michiel Oudendijk (domeinspecialist meten en monitoren) en Harry Bouwhuis (senior policy advisor water quality). Beiden werkzaam bij Waterschap Zuiderzeeland. Onderwerp: Kaderrichtlijn Water, normen en monitoring. 14.30 uur: Richard van Hoorn (beleidsadviseur Schoon Water, DAW-coördinator, Agrarisch Waterbeheer bij Waterschap Vallei en Veluwe). Onderwerp: Waterkwaliteit begint buiten het bakje (over gedeeld inzicht).
15.00 uur: Ron van der Oost (toxicoloog bij Waternet). Onderwerp: SIMONI, slimme integrale monitoring. 15.30 uur: Pauze 16.00 uur: Geesje Rotgers (redactieteam Agrifacts): rapportages van en naar Brussel en verschillen in normstelling. 16.30 uur: Vragen en discussie. 17.00 uur: Afsluiting met soep en een broodje.
STAF krijgt veel verzoeken voor het toetsen van natuurdoelanalyses. Onlangs is de toetsing van de Natuurdoelanalyses van Provincie Drenthe afgerond. Op maandagavond 21 augustus verzorgt STAF een lezing over de bevindingen. Waar heeft de Provincie ‘Drentse koppen’ op het natuurbeleid geplakt? Bij welke natuurgebieden zijn er natuurdoelen bijgeplust en wie heeft daartoe beslist? Het komt allemaal aan bod. De avond is speciaal bedoeld voor bestuurders in de Drentse politiek en de landbouw, en uiteraard ook voor andere geïnteresseerden.
Datum: Maandagavond 21 augustus 2023 Locatie: Zalencentrum Meursinge, Hoofdstraat 48, Westerbork. Inloop: 19.30 uur (met koffie en thee). Aanvang programma: 19.45 uur Programma: Opening door Jaap Haanstra (voorzitter Stichting Agrifacts). Daarna zal Geesje Rotgers (redactieteam Agrifacts) een lezing verzorgen over de bevindingen. Deelname is gratis. Wel graag aanmelden i.v.m. de catering.
Aanmelden: Stuur een email naar info@stichtingagrifacts.nl. (Vermeld erbij om welke lezing het gaat).
Volgens stikstofminister Christianne van der Wal was er geen sprake van dat natuurorganisaties een lijstje met gewenste landbouwgronden hadden mogen inleveren bij haar ministerie. Dit antwoordde zij vorig jaar op Kamervragen. Na maandenlang trekken en zeuren kreeg Agrifacts de lijst die Staatsbosbeheer had ingeleverd bij LNV, eindelijk in de openbaarheid. Op de lijst blijken wel degelijk landbouwpercelen te staan die Staatsbosbeheer graag ingericht ziet als natuur.
Medio 2022 krijgt STAF een WhatsAppbericht van Staatsbosbeheer (zie afbeelding) uit voorjaar 2022 in handen. Daarin zegt Staatsbosbeheer een vertrouwelijke vraag te hebben gehad van het ministerie van LNV. De natuurorganisatie is gevraagd gronden aan te wijzen voor de realisatie van nieuwe natuur, buiten Natuurnetwerk Nederland en dus ook buiten N2000-gebieden. Staatsbosbeheer meldt in het bericht haar landelijke propositie te hebben ingeleverd bij het ministerie van LNV. STAF wil inzage in de lijst met gewenste gronden die Staatsbosbeheer heeft ingeleverd bij LNV. Immers, het is opvallend dat natuurorganisaties buiten hun gebieden percelen mogen aanwijzen die geschikt zouden zijn voor natuurontwikkeling. Dit buiten medeweten van andere partijen om, die betrokken zijn bij de gebiedsprocessen.
Na maandenlang trekken en zeuren wordt de lijst met de door Staatsbosbeheer gewenste gronden openbaar gemaakt. Op de lijst staan 53 ‘projecten’, oftewel percelen grond waar Staatsbosbeheer graag natuurdoelen zou willen realiseren. Daaronder nogal wat percelen die in eigendom zijn van onder meer boeren.
Verder lezen? Het artikel kunt u hieronder downloaden.
(Foto’s: Shutterstock, Rijksvoorlichtingsdienst.)
Download publicaties
Download hier het artikel ‘Staatsbosbeheer mocht tóch lijst met gewenste gronden inleveren’:
Stikstof (in de vorm van nitraat) in grond- en oppervlaktewater als gevolg van landbouwactiviteiten is een veelbesproken thema. De overheid wil in beekdalen bufferstroken aanhouden van 100 – 250 meter om zo de hoeveelheid stikstof in de waterlopen te reduceren. Immers, zo is de algemeen geaccepteerde simplistische gedachte, landbouw levert de grootste bijdrage aan die stikstof. Ook de stikstof die wordt gemeten in de Springendalse beek wordt vooral toegeschreven aan landbouw. Meetgegevens zouden dit aantonen. Onderzoekers Matt Briggs en Jaap Hanekamp bestudeerden de meetgegevens, en kwamen tot een andere conclusie. Andere nitraatbronnen spelen een grotere rol in de nitraattoevoer dan de landbouw.
De stikstof die gemeten wordt in de Springendalse beek (Overijssel) zou vooral uit de landbouw afkomstig zijn, volgens onderzoek van Deltares. Sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw worden de nitraat-concentraties in de beek regelmatig gemeten, zowel in de boven- als benedenloop. Het idee dat de nitraat vooral uit de landbouw afkomstig zou zijn, wordt echter niet ondersteund door de metingen. Dat blijkt uit analyse van de metingen door onderzoekers Briggs en Hanekamp. De metingen laten juist zien dat andere bronnen dan de landbouw, een grotere rol spelen. Een mogelijk kandidaat is afbraak van organisch materiaal (oxidatie) in de ondergrond door de inlaat van zuurstof.
Download artikelen
Het artikel ‘Stikstof in de Springendalse beek – het narratief van de vervuilende landbouw ontkracht’ is hier te downloaden:
Het Engelstalige artikel ‘Nitrogen and Chlorine Changes Through A Netherlands Catchment: A Reply to Kaandorp et al., 2021’ van William M. Briggs en Jaap C. Hanekamp is hier te downloaden:
Provincies kwamen met een nieuwe systematiek om de natuurkwaliteit in natuurgebieden vast te stellen. De aanwezigheid van gewenste soorten is in belangrijke mate bepalend. Naarmate meer van de soorten op de profiellijst worden gezien, is de natuurkwaliteit beter. Deze nieuwe methode wordt momenteel toegepast bij de natuurdoelanalyses. STAF checkte hoe de nieuwe methode uitpakte in de Brabantse natuurdoelanalyses. Conclusie is dat voor nogal wat N2000-gebieden een onrealistische soortenlijst wordt gehanteerd. Ook zijn voor een goede natuurkwaliteit soms tientallen soorten vereist op minuscule flinters grond, wat fysiek onmogelijk is.
Provincie Noord-Brabant leverde in februari een reeks natuurdoelanalyses op. Een deel van de analyses is opgesteld door bureau Arcadis, het andere deel door Antea Group. Uit de natuurdoelanalyses blijkt dat voor het beoordelen van de natuurkwaliteit, gebruik is gemaakt van een nieuwe beoordelingssystematiek. Daarbij is gekeken naar de aan- en afwezigheid van een reeks ‘typische soorten’ planten, vlinders, mossen, vogels enzovoorts. Typische soorten zijn een indicator voor een gunstige staat van instandhouding.
Veel onrealistische soorten op de lijst Voor alle individuele natuurgebieden is een lijst opgesteld met ’typische soorten’. In de Brabantse natuurdoelanalyses staat in welke mate de soorten op de lijst zijn aangetroffen. Wat opvalt is dat de natuurgebieden die door Arcadis zijn beoordeeld, in het algemeen een stuk gunstiger scoren dan de natuurgebieden die Antea Group beoordeelde. Dit komt doordat de bureaus werken met verschillende soortenlijsten.
Foto: De vuursalamander vinden we als ’typische soort’ op de lijsten van een aantal Brabantse natuurgebieden, hoewel de soort niet voorkomt in de provincie Noord-Brabant. Foto: Shutterstock, Wildmedia.
Boeren op zandgrond laten hun water in het begin van het voorjaar te snel weglopen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wil de sponswerking van de bodem herstellen, als buffer voor droge perioden. Dit door het verhogen van het waterpeil. Het waterbergend vermogen van droge zandgrond aan het eind van de winter is met circa 20 tot 25 mm echter beperkt, stellen hydrologen.
In de Gelderlander van 17 januari 2023 stelt waterschap Rijn en IJssel dat ze (samen met anderen) jaarlijks 100 millimeter extra water wil opvangen, vasthouden en in de grond brengen. Volgens beleidsadviseur Nila Taminiau van het waterschap neemt de noodzaak om meer water vast te houden na de droge zomers van 2018 en 2022 flink toe. Circa 25 overheden en belangenpartijen slaan de handen ineen met Aanpak Droogte Achterhoek. “De neerslagtekorten gaan structureel toenemen. Ook krijgen we te maken met extremere neerslagtekorten. Deze nemen gemiddeld met 45 mm toe, maar voor extremere droge jaren komt daar nog eens circa 100 mm bij. Als we 100 mm water kunnen vasthouden, is er voldoende water in de bodem om een periode van droogte te overbruggen in gemiddelde situaties. En de effecten van extreem droge jaren te verminderen.” Water vasthouden kan door aanpassing van peilen, het verhogen van de drainagebasis en opvang in spaarbekkens of infiltratiegebieden.
Hydrologische mythes Ook de Tweede Kamer heeft aandacht voor het onderwerp, zo blijkt uit het kamerstuk ‘Water en bodem sturend’ van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van november vorig jaar. Dit voor herstel van de sponswerking van de bodem, en onder andere vertraging van de afvoer door hermeanderen en beter infiltreren en vasthouden van water in de capillaire zone. ‘We verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden’, aldus het stuk. Begin deze maand was er opnieuw een commissiedebat. Volgens hydroloog Jan van Bakel staan in het Kamerstuk ‘hydrologische mythes’. De sponswerking in het stuk is er één van. “Hoe voller de bodem is, hoe minder berging en dus minder veerkracht.” Ook bestrijdt hij het idee dat het neerslagoverschot in de winter is vast te houden voor de zomer. Dit is voor maximaal 20 mm mogelijk op landbouwgrond.
De Brabantse stop op stikstof-genererende activiteiten die gedeputeerde Hagar Roijackers per 1 maart afkondigde, wordt niet gedragen door de 15 natuurdoelanalyses (NDA’s) die volgens haar aan dit besluit ten grondslag liggen. Uit de NDA’s valt niet te halen dat de stikstofbelasting in de onderzochte Natura-gebieden trendmatig toeneemt. Het beeld is eerder van een afnemende stikstoflast. Wel is verdroging een probleem, door een veelheid van oorzaken. Er vinden veel grondwateronttrekkingen plaats, door de landbouw, maar vooral ook voor drink- en industriewater, ook over de grens in België.
Het is evenwel ook weer niet te zeggen dat het, mede door de verdroging, alleen maar slechter gaat met de toestand van de natuur. Er zijn bedreigingen, maar er is ook heel wat goed nieuws te melden, met name dat het op heel wat plekken minder slecht gaat.
Geen nulmetingen, resultaat afgemeten aan doel Deze feiten moeten wel ‘uitgemijnd’ worden uit de NDA’s, om het eens in goede ecologentaal te zeggen. Het negatieve wordt sterk benadrukt, het positievere nieuws zit vaak verstopt in de teksten. De wijze waarop de rapportages zijn opgeschreven wekt al snel de suggestie dat het glas op zijn best halfvol is. Natuurresultaten worden namelijk niet afgemeten aan duidelijke nulmetingen met tellingen van soorten en aan de daaropvolgende trend tot nu toe. De nulmeting ontbreekt juist en de stand van zaken wordt afgemeten aan het beoogde doel in 2030. Dit is nogal verwarrend. Ook pakken veel scores negatief uit omdat bijvoorbeeld leefgebieden van soorten volgens de rapportages bijna altijd groter moeten zijn dan wat beschikbaar is en als er eenmaal geschikte habitats voorhanden zijn, of ‘hersteld’ zijn, dan willen de beoogde dier- en plantensoorten niet altijd komen, of soms niet blijven. Dat is dan ook weer een tekortkoming.
Foto: Natuurgebied Kampina (Shutterstock, R. de Bruijn Photography).
De Europese Nitraatrichtlijn geldt voor de landbouw en stuurt op een goede kwaliteit grond- en oppervlaktewater. Er is sprake van een goede waterkwaliteit als de norm wordt gehaald. Maar welke norm? Nederland oordeelt anders dan de Europese Commissie, en anders dan ons omringende landen. Ook is de herkomst van vervuiling in grond- en oppervlaktewater onvoldoende in beeld. STAF stuitte in de afgelopen jaren op een aantal discrepanties in het Nederlandse waterbeleid. Deze zijn in onderstaand document op een rij gezet.
De kritische depositiewaarde (KDW) was aanvankelijk gekoppeld aan de minerale neutralisatiecapaciteit van een bodem. Tegenwoordig is de KDW gekoppeld aan habitattype als een soort absoluut gegeven. Hierdoor wordt voorbijgegaan aan het feit dat bodems met dezelfde habitattypen inherent kunnen verschillen in de draagkracht voor een bepaald habitat, maar ook dat ze in de loop van de afgelopen eeuw met meer te maken hebben gehad dan alleen stikstofdepositie. Zoals met de depositie van zware metalen (lood, zink, cadmium en koper).
Tekst en foto’s: Huig Bergsma (Geochemicus / Mineraloog)
Aan het begin van de discussie over kritische depositiewaarden was een belangrijke rol weggelegd voor de mineralogie van een bodem. Bodems met een grote voorraad aan basische silicaatmineralen (zoals keileem) kunnen sneller zuur neutraliseren, en op die manier verzuring tegengaan, dan zandbodems die vrijwel geheel uit kwarts bestaan. Dit klopt in grote lijnen met de realiteit die we waarnemen en om die reden zijn natuurgebieden op een glaciale stuwwal zoals De Veluwe minder kwetsbaar dan natuurgebieden op een Brabants dekzand. Evengoed wordt de mineralogie van een bodem nu niet meer meegewogen bij vaststelling van de KDW, maar is de KDW gebaseerd op enkele veldproeven, modellen en het oordeel van experts. Zo kan het dat de KDW hetzelfde is voor droge heide op de beide hiervoor genoemde zandgronden, terwijl de kwetsbaarheid niet vergelijkbaar is.
Bodem onomkeerbaar veranderd
De KDW wordt beschouwd als een inherente eigenschap van een ecosysteem. Maar het woord inherent suggereert een bepaalde onveranderlijkheid en onafhankelijkheid die helemaal niet hardgemaakt kan worden. De bodem is een black box die we maar langzaam doorgronden. Om met de mineralen in de bodem te beginnen: door de zware zuurdepositie van de afgelopen decennia (zwaveloxiden, stikstofoxiden en ammonium) is de bodem mineralogisch onomkeerbaar veranderd. Bij zuurneutralisatie door mineralen komen kationen vrij die uitspoelen naar het grondwater. Voor de industriële revolutie was de zuurlast zo laag dat dit proces niet merkbaar verliep, maar de zuurlast van de afgelopen eeuw was zo hoog dat de mineralenvoorraad in de toplaag van de bodem meetbaar afgenomen is. De minerale bodem is versneld kwetsbaarder geworden en kan daardoor minder zuur verwerken. Dit is één van de oorzaken dat het met de tijd lastiger is geworden voor habitattypen om zich te handhaven op plekken waar ze zich voor de Tweede Wereldoorlog nog volop manifesteerden.
Invloed zware metalen
Door de tunnelvisie die er rond stikstofdepositie is ontstaan, is het makkelijk om dingen over het hoofd te zien. Als alle oplossingen worden gezocht in het reduceren van stikstof tot onder de KDW, is er dan nog behoefte aan onderzoek hoe de bodem op dit moment echt functioneert? Maar wat nou als de KDW waarde wordt gehaald en het probleem is niet opgelost? Zijn er andere factoren die het stikstofgehalte in de bodem bepalen?
Bijvoorbeeld, uit een langjarig verweringsonderzoek in Noord-Drenthe kwam naar voren dat binnen het onderzoeksgebied de ammoniumgehaltes consequent verschilden tussen de locaties terwijl er geen aanwijsbare puntbronnen waren die deze verschillen zouden kunnen verklaren. Waar de bodems wel in verschilden, was de gebruikshistorie en zo bleken de hoge ammoniumgehaltes te correleren met het totaal aan zware metalen (lood, zink, cadmium en koper) op die plek (figuur 1). Het moge duidelijk zijn dat Drenthe geen historie heeft qua ertswinning en dat de verhoogde zware metalen meestal het gevolg zijn van luchtdepositie.
Figuur 1. Correlatie tussen gehalten aan uitwisselbaar ammonium (NH4+) en totaal gehalten aan zware metalen (Pb en Zn) op locaties rond Norg in Drenthe.
Eén correlatie op locatieniveau is nog geen overtuigend bewijs dat er een verband bestaat tussen depositie van zware metalen en ophoping van ammonium, maar ook in andere databases en op provinciaal niveau (figuur 2) werd deze correlatie gevonden.
Figuur 2. Correlatie tussen gemiddelde gehalten aan uitwisselbaar ammonium (NH4+) en totaal gehalten aan zware metalen (Pb en Zn) in verschillende natuurgebieden in de provincie Overijssel.
Boetelerveld, Overijssel
Boetelerveld, Overijssel
Zware metalen remmen denitrificatie
Ook de wetenschappelijke literatuur is duidelijk. De stikstofcyclus in de bodem is een complex proces met daarin twee belangrijke stappen: nitrificatie en denitrificatie. Bij nitrificatie wordt ammonium door bacteriën omgezet via nitriet naar nitraat. Bij denitrificatie wordt door andere groepen bacteriën nitraat omgezet naar gasvormige stikstofverbindingen. Waar de grond vervuild is met zware metalen, en dan vooral met zink, worden met name de nitrificerende bacteriën geremd (1). Als gevolg hiervan hoopt op deze plekken ammonium zich op in de bodem. De schadelijkheid van de zware metalen ten opzichte van de nitrificatie wordt gedomineerd door de concentratie van de zware metalen in het bodemvocht en is sterk afhankelijk van de mineralogie, organisch stofgehalte, kleigehalte en pH van de bodem. Dit is terug te zien in de verschillen tussen bodemtypes in natuurgebieden. Waar een jong stuifzand met weinig bindingsplaatsen bij een veel lager zinkgehalte al ammonium begint op te bouwen, doet een organisch stof- en kleirijke bodem dat bij hogere zinkgehalten. Als de data geëxtrapoleerd worden lijkt het er op dat zonder zware metalen in de toplaag geen noemenswaardig ammonium wordt opgebouwd. Kort door de bocht gezegd, als er met de stikstofdepositie geen gelijktijdige zware metalen depositie was geweest, was er geen ammoniumprobleem in de bodem geweest.
Figuur 3. Zink en lood gehalten in boorkernen op de Strabrechtse Heide (NBr).
Zoals in de analyses van een boorkern (figuur 3) te zien is, zijn de zware metalen voornamelijk geconcentreerd in de toplaag van de bodem. Zware metalen zoals zink en lood komen weliswaar van nature in de bodem voor, maar zijn dan structureel gebonden in de mineralen kaliveldspaat, biotiet en amfibool, mineralen waaruit ze door verwering maar zeer langzaam vrijkomen. De atmosferische fijne en ultrafijne zware deeltjes zijn metallisch of metaalzouten en vele malen reactiever. De verhoging van de gehalten aan zware metalen in de bodem kan relatief klein lijken, maar toch een zeer grote invloed hebben op de biologie.
Natuurbodem vraagt brede kijk
Zonder nog verder in te gaan op de effecten van de depositie van PFAS, PAK’s, PCB’s en pesticiden op de fauna en flora van natuurgebieden moge het duidelijk zijn dat de mensen veel meer in de bodem hebben aangericht dan alleen zure en verzurende depositie. Met stoffen die op verschillende niveau’s met elkaar interacteren en het systeem als geheel verzwakt hebben. Het is misschien onterecht om één probleemstof aan te wijzen en dan te hopen dat alles zich kan herstellen terwijl er veel meer ingrepen nodig zijn om de natuur weer terug te brengen tot een staat die hoorde bij een bodem van 100 jaar geleden. Want als je één zwakke schakel in het systeem hebt gerepareerd wordt pas duidelijk wat de volgende zwakke schakel is. Het zou mooi zijn als dit pleidooi voor een meer holistische kijk op de bodem opgepikt wordt. Als dit niet gebeurt en we blijven met een bulldozer mentaliteit papieren milieudoelstellingen najagen, dan wil ik graag de sabeltandtijger terug.
Natuurgebieden op een glaciale stuwwal zoals De Veluwe zijn minder kwetsbaar.
Veluwe
Literatuur
(1) Lu L., Chen C., Tan K., Min W., Matthew S., Shan H.(2022). Long-term Metal Pollution Shifts Microbial Functional Profiles Of Nitrification And Denitrification In Agricultural Soils. Science of The Total Environment. Volume 830, 15 July 2022, 154732
De Europese Commissie heeft in haar rapportage over de agrarische waterkwaliteit in Nederland, ook stedelijke meetpunten meegewogen. STAF vroeg de dataset op, waarop de Europese Commissie zich had gebaseerd in haar waterrapportage. Uit die dataset bleek dat diverse agrarische meetlocaties met een forse normoverschrijding, in stedelijk gebied liggen. Meest in het oog sprong het grondwatermeetpunt middenin een hondentoilet in hartje Nijmegen. STAF publiceerde hierover het artikel Landbouw ook aan de lat voor nitraat uit de stad. Europarlementariër Bert-Jan Ruissen (SGP) stelde hierover vragen aan de Europese Commissie. Die kwam deze week met uitsluitsel (te downloaden onderaan dit artikel): Stedelijke meetpunten horen niet in de landbouwrapportage.
De ministeries van Landbouw en Infrastructuur & Waterstaat deden de kwestie af als weinig relevant. “Het lijkt zo te zijn dat de Europese Commissie geen onderscheid maakt tussen meetpunten in landbouw- en stedelijk gebied.” Volgens LNV en I&W “wijzigen de gemiddelden er niet door”. Aangezien Europa niet zozeer kijkt naar gemiddelden, maar naar normoverschrijdingen, maakt het wel degelijk uit dat er verkeerde meetlocaties in het landbouwmeetnet zitten, volgens STAF. Immers, de maatregelen die boeren moeten nemen voor de waterkwaliteit, zullen niet helpen tegen de forse normoverschrijding in het Nijmeegse hondentoilet.
Europese Commissie
Volgens de Europese Commissie beoogt haar rapport het effect van landbouwactiviteiten op de waterkwaliteit weer te geven. Lidstaten moeten daarom meetpunten kiezen waar de landbouw aanzienlijk bijdraagt aan de gemelde situatie. Er moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen de bijdrage aan verontreiniging uit stedelijke bronnen en die uit agrarische bronnen. In het rapport over Nederland wordt dat onderscheid niet gemaakt.
De Europese Commissie liet STAF vorig jaar weten dat Nederland de gegevens zelf heeft aangeleverd. In die gegevens was dit onderscheid niet gemaakt. In de antwoorden op vragen van Ruissen stelt de Europese Commissie verder dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf is om ervoor te zorgen dat zij een geschikt meetnet opzetten.
Vervolg
De redactie van STAF onderzoekt momenteel hoe de stedelijke meetpunten in de Nederlandse waterrapportage terecht gekomen zijn.
Een van de locaties waar de agrarische grondwaterkwaliteit wordt gemeten ligt in een hondentoilet in hartje Nijmegen.
Download hier de antwoorden van de Europese Commissie:
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.