‘Nieuw’ onderzoek in dossier geitenhouderijen beslaat al gepubliceerd onderzoek uit VGO-III

De Gezondheidsraad heeft op 8 december 2025 het tweede deel van haar advies over de gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen opgeleverd. Het betreft geen nieuw onderzoek, zoals veel media menen. De Gezondheidsraad heeft ervoor gekozen om een enkele publicatie uit 2023 uit te lichten, en de andere reeks publicaties niet mee te wegen. Waarom de Gezondheidsraad hiervoor kiest wordt nagenoeg niet onderbouwd.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

De Gezondheidsraad heeft het tweede deel van haar advies opgeleverd[1], met de titel: “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II Gezondheidsimpact van wonen nabij geitenhouderijen en mogelijkheden voor beperking gezondheidsrisico’s”. Het eerste deel is rond de zomer verschenen[2], en beide delen zijn opgeleverd op aanvraag van demissionair minister van LVVN Femke Wiersema en voormalig minister van VWS Fleur Agema naar aanleiding van een commissiedebat[3].

Een onderzoek naar de relatie tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden (VGO) is een onderzoek dat meer dan een decennium aan werk beslaat[4]. Daar waar in het begin algemeen werd gekeken naar alle soorten veehouderij (koeien, kippen, varkens en geiten), werd de focus na enkele positieve bevindingen verlegd op kippen en geiten. Vooral laatstgenoemde is in het nieuws geweest met de ernstige nasleep van de Q-koorts nog in het achterhoofd.

Het VGO onderzoek kent drie delen (I, II en III), onderzocht vijf provincies en beslaat tezamen 13 publicaties. Deze publicaties heb ik uiteengezet in mijn rapport met als doel om de epidemiologische waarde van elke studie te beoordelen[5]. Uiteindelijk ben ik zelf met de data aan de slag gegaan om te bezien of de relatie tussen wonen nabij een geitenhouderij en de kans op longontsteking consistent is. Naar mijn optiek is dit niet meer het geval vanaf een afstand van 500 meter[6]. Ik citeer uit mijn rapport:

“Zoals we hebben kunnen zien verschilt de kans tussen longontsteking en de nabijheid van geitenboerderijen per studie, per analyse en per afstand. Vaak genoeg wordt er helemaal geen effect gezien én als het effect er is, dan is dat alleen constant voor een afstand van 500 meter waar steeds maar een klein deel van de onderzoekspopulatie verblijft.” (pagina 67 Rapport ‘Geiten en longontsteking’). 

Nu lees ik in Kamerbrief die betrekking heeft op het tweede deel van het advies van de Gezondheidsraad het volgende:

“In het tweede deeladvies heeft de Gezondheidsraad voor zover mogelijk antwoorden gegeven op complexere en meer gedetailleerde vragen omtrent de aard en ernst van de gezondheidseffecten en de mogelijke oorzaken. De Raad komt tot de conclusie dat het risico op longontsteking is verhoogd voor omwonenden binnen 500 meter (73%) en 1 kilometer (19%) van een geitenhouderij. De Raad komt op lagere schattingen van het aantal extra longontstekingen, ziekenhuisopnamen en sterfgevallen dan op landelijke schaal is toe te schrijven aan de aanwezigheid van geitenhouderijen dan eerder gecommuniceerd”

Deze cijfers zijn uitgebreid in het nieuws gecommuniceerd, maar hebben geen betrekking op nieuw onderzoek. Sterker nog, het gaat hier om cijfers die zijn gepubliceerd in Lotterman et al., 2023[7]. Het lijkt er dus sterk op dat de Gezonheidsraad er nu voor heeft gekozen om één enkel onderzoek uit te lichten, maar doet dit niet met een gedegen onderbouwing. Hoewel het onderzoek van Lotterman deel uitmaakt van VGO-III en de provincies Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel beslaat, is het nog steeds maar één van de publicaties in een dossier vol publicaties. Over het gehele dossier heb ik het volgende gezegd:

“De waarde van 11 jaar aan gegevens is wisselend. Zo lijken er wel degelijk verschillen te zijn in de incidentie van longontsteking tussen gebieden met veel veehouderijen én controlegebieden, maar de manier waarop die gebieden zijn geselecteerd is niet transparant gecommuniceerd. Ook is onduidelijk waarom een huisartsenpraktijk (of patiënt) wel besloot om mee te doen en waarom niet. Verder vinden we in de meeste analyses alleen correcties voor leeftijd en geslacht. Daarbovenop worden er soms wel meer dan 100 statistische vergelijkingen gedaan in één enkele studie. Een correctiemethode voor vals-positieven ontbreekt of is ontoereikend. Dit maakt dat het gros van de bevindingen waarschijnlijk veel meer onzeker is dan men graag wil laten zien” (pagina 4 Rapport ‘Geiten en longontsteking’).

Verder is het zo dat de relaties die Lotterman beschrijft afhankelijk zijn van tijd én plaats (Tabel 1 uit de publicatie), en van de gehanteerde methode (Tabel S3). Schijnbaar maakt het de Gezondheidsraad ook niet uit dat het 95% betrouwbaarheidsinterval op 1000 meter afstand een niet-significant resultaat laat zien: 1.19 [1.00; 1.41]. Hoe men hier zomaar overheen kan stappen ontgaat mij.

Ten slotte is en blijft het problematisch dat er alleen is gekeken naar omwonenden. De relatie tussen ziekte en omgeving is een onderzoek waar heel veel context bij komt kijken en voor die context moet worden gecorrigeerd. Dat gebeurt zelden: alleen leeftijd en geslacht worden structureel meegewogen. Andere ziektebeelden die eventueel aanwezig zijn bij respondenten worden soms wel en soms niet meegewogen. Maar de echt ontbrekende factor is de geitenhouder en zijn werknemers: deze zien we niet terug in de epidemiologische onderdelen van VGO. Onder het mom dat het hier gaat om omwonenden worden diegenen waarvan hun werk als een soort interventie zou moeten gelden (zoals roken dat ook doet) buitengesloten. Waarbij er nooit of te nimmer sprake kan zijn van een volledige dose-response analyse.

Dat de Gezondheidsraad er nu voor kiest om één enkele studie te belichten om toekomstige voorgedragen maatregelen te ondersteunen is voor mij een onverklaarbare selectiviteit in een dossier waarbij onzekerheid de norm is.

(Foto: Shutterstock)


[1] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/08/gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-ii

[2] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/07/03/advies-gezondheidsrisicos-rond-veehouderijen-2025-deel-i

[3] https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D06741

[4] https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/onderzoek-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-vgo

[5] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJ_Rapport_Geiten_Longontsteking.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Geitenhouderijen/blob/main/MSJAdvies_Subrapport_Geiten_Longontsteking_consistentie.pdf

[7] https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0286972

Deel via:

Intrekken glyfosaatstudie breekt speelveld niet open

Een wetenschappelijk artikel over glyfosaat is na 25 jaar ingetrokken. Terecht, volgens onderzoeker Marc Jacobs. Wat niet terecht is, is de gewekte suggestie dat daarmee het speelveld rond glyfosaat weer open zou liggen. Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.

Door Dr. Marc Jacobs, onderzoeker

Het artikel Safety Evaluation and Risk Assessment of the Herbicide Roundup and Its Active Ingredient, Glyphosate, for Humans is teruggetrokken door (co)Editor-in-Chief, Prof. Martin van den Berg[1]. Het artikel stamt uit het jaar 2000 en twee van de drie originele auteurs leven al niet meer. De laatst levende auteur (Prof. Williams) heeft niet gereageerd op eerdere aantijgingen van ghostwriting[2] waardoor er door het artikel nu een grote rood streep staat met de woorden RETRACTED.

Dat een artikel wordt teruggetrokken omdat het niet geschreven is door de auteurs van het artikel vind ik persoonlijk een goede zaak. Elke lezer moet ervan kunnen uitgaan dat wat geschreven staat in een artikel ook daadwerkelijk door de auteurs is geschreven. Ook moet een lezer ervan kunnen uitgaan dat de gebruikte data en analyses betrouwbaar én verdedigbaar zijn. Los van voortschrijdend inzicht moet wetenschappelijk werk voldoende robuust zijn om de wetenschappelijke gemeenschap te kunnen informeren. Beleid berust zich vaak op wetenschappelijke inzichten om een keuze te rechtvaardigen. Dit laatste kent zo haar eigen uitdagingen, maar is wel vaandeldrager voor transparantie en communicatie.

Het artikel kent volgens Prof. van den Berg echter meer problemen dan alleen de aantijgingen van ghostwriting. Zo werden alleen ongepubliceerde studies afkomstig van Mosanto gebruikt. Vijf additionele studies die toentertijd beschikbaar waren werden niet ingezet (Atkinson 1993; Sugimoto 1997, Takahashi 1999, Enemoto 1997, en Suresh 1996). Deze studies worden wel opgenomen in een review uitgevoerd door Chris Portier[3] en door Zembla aangehaald om te verklaren dat de statistiek rondom glyfosaat niet voldoende is[4]. Zou men de ‘juiste’ statistische toets hanteren dan zouden de resultaten er veel slechter uitzien voor pesticiden zoals glyfosaat.

Om te zien of deze stelling klopt heb ik de review van Portier met de gebruikte data tot mij genomen. Deze review includeert wel de vijf missende studies (en nog een aantal meer). Mijn bevindingen heb ik in dit rapport beschreven[5] waarin ik zowel de data als mijn analyses vrijgeef[6]. Ik hanteer expliciet dezelfde data als Portier en ga mee met zijn selectieprocedure. Het enige wat ik getracht heb te doen is om te vinden wat hij heeft gevonden. Ook heb ik contact met hem gezocht, maar tot op heden (elf maanden verder) heb ik niks vernomen. 

Het lukt mij niet om zijn werk te repliceren. Ook zie ik niet het voordeel van de eenzijdige toets. Ik citeer (uit pagina 5 en 6) van het rapport:

“Ik heb echt moeten zoeken om die relatie te vinden. Door de bocht genomen lukt het mij niet om met behulp van de frequentistische statistiek een relatie aan te tonen tussen dosering en kanker. De bevindingen zijn vaak niet statistisch significant wanneer ik tweezijdig toets. Een uitstap naar een eenzijdige toets voegt daar weinig aan toe én maakt dat we moeten aannemen dat het schatten van de relatie tussen dosering en kans op kanker een harde grens heeft in het schatten van de relatie. Ik voeg dan een assumptie die zich maar moeilijk laat verdedigen. Een eenzijdige toets heeft namelijk niet zo veel te maken met de richting van de relatie, maar eerder met het afkappen van de onzekerheid. In een dossier als deze, waarin de onzekerheid groot is, kan dat geen juiste methodiek zijn voor het bepalen van een relatie”   

Over de relatie tussen glyfosaat en kanker zeg ik het volgende, en ik citeer wederom vanuit pagina 6:

“Uiteindelijk lijkt het erop dat alleen in de Swiss Albino ratten, op basis van één studie en dan met name bij vrouwen, de relatie tussen glyfosaat en de kans op kanker duidelijk is: een toename van 8% vanuit het model. De toename op kanker, vanuit de data, bedraagt dan 4%. Beide getallen kennen een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Daarmee kunnen ze niet doorslaggevend zijn voor het gehele dossier.”

De retractie van de studie uit 2000 lijkt nu te vermoeden dat het gehele speelveld open ligt. Dat is niet zo, want we kunnen gebruik maken van de Portier review uit 2020. Maar deze review kent haar eigen problemen zoals ik in het rapport veelvuldig laat zien. Ik eindig daarom ook als volgt:

“We kunnen denk ik met dit rapport concluderen dat onderzoek naar glyfosaat beter moet en beter kan, maar daarvoor moet de data ook op het niveau van het dier worden gemeten waarbij ook wordt gekeken naar de factor tijd. Dat ontbreekt nu. Verder hebben we het hier over dierproeven en niet over menselijke studies.”

Wetenschappelijk debat hoort in de wetenschap te worden uitgevochten. Niet in de journalistieke kamer van BNNVARA/Zembla.


[1] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0273230099913715

[2] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1462901125001765

[3] https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32050978/

[4] https://www.bnnvara.nl/zembla/artikelen/kankerrisico-door-pesticiden-decennialang-verkeerd-ingeschat

[5] https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2025/02/Rapport-Pesticiden-en-Kanker-door-MSJ-Advies.pdf

[6] https://github.com/MJacobs1985/Glyfosaat_Statistiek

Foto: Shutterstock/Patrick Herzberg

Deel via:

Goochelen met gebieden en soorten en Aerius-trucs

De omvang van de stikstofgevoelige natuur en de bescherming van kwetsbare soorten is in de voorbije periode van ruim 10 jaar grotendeels vanachter de computer bepaald. Systematische waarnemingen, tellingen van soorten en ‘ecologenboots on the ground’ hebben slechts in beperkte mate bijgedragen.

Dat het zo ging met de serie van Natuurdoelanalyses, die tot stand is gekomen op initiatief van voormalig stikstofminister Christianne van der Wal, was al bekend. De gang van zaken bij een vorige ronde – de uitrol van vele tienduizenden hectares leefgebieden (LG-gebieden) in 2016-2017 – was veel minder goed in beeld. Dankzij een serie Woo-verzoeken bij een aantal provincies is er meer openbaar geworden.
Om de vele tienduizenden hectares extra leefgebied voor onder meer de zeggekorfslak, de kemphaan en de zwarte specht te kunnen claimen, moest op meerdere niveaus een min of meer samenhangend betoog in elkaar worden gezet. De rode lijn was ook toen al die van stikstof, maar de gevoeligheid daarvoor verschilt per habitat en leefgebied. 

Download het artikel hier:

Deel via:

Stikstofaandeel landbouw in water fors lager na herberekening

Jarenlang werd aangenomen dat een kleine 40% van de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied uit de landbouw (bemesting) afkomstig was. Na recente herberekening blijkt het te gaan om de helft daarvan. Water dat het gebied binnenkomt vanuit het buitenland, Rijkswateren en bovenstroomse gebieden blijkt dubbel zoveel stikstof aan te voeren dan aanvankelijk gedacht. Ook waren natuurlijke processen, zoals kwel, bij de landbouw op de rekening gezet. Dat is nu deels gecorrigeerd.

Het ministerie van Landbouw publiceerde eind 2023 een kaart met Nutriënten Vervuilde (NV-gebieden). Deze kaart oogstte veel kritiek. De kaart maakte namelijk gebruik van een bronnenanalyse uit 2016, die weer gebaseerd was op data van 2010-2013. Met een rekenmodel was toen uitgerekend welk aandeel uit welke bron komt. Zo’n 40% van de stikstof werd toegerekend aan bemesting uit de landbouw.
Landbouwminister Wiersma komt per januari 2026 met een nieuwe kaart met aandachtsgebieden. Deze vervangt de NVgebiedenkaart. Voor deze nieuwe kaart is de bronnenanalyse onlangs geactualiseerd. Opvallend is dat het landbouwaandeel in de stikstofbelasting daarin ongeveer is gehalveerd. Zie figuur.

Figuur. Aandeel landbouw (bemesting) in stikstoflast oppervlaktewater in 2016 en 2025, per waterschap. Het aandeel is bijna gehalveerd, door forse aanpassingen in de berekeningen.

Berekeningen aangepast

Tussen 2016 en 2025 is het berekende aandeel stikstof vanuit de landbouw bijna gehalveerd. Deze stikstofwinst is voor een kleiner deel het gevolg van de afname van het mestgebruik (NB. het effect van maatregelen na 2022 – afbouw derogatie, bufferstroken – is nog niet ingerekend). Het zijn vooral forse aanpassingen in de berekeningen die het verschil maken. Zo hadden nogal wat waterschappen oneigenlijke ‘extraatjes’ bij de landbouw op de rekening staan. Het gaat dan om stikstof uit kwel, uitloging van ingepolderde gronden (zeeklei), oxidatie van veengronden, uitspoeling van nutriënten in de winterperiode nadat in de zomerperiode water en nutriënten vanuit het oppervlaktewater in de bodem zijn geïnfiltreerd.

Kwel-correctie

Waterschappen Amstel, Gooi en Vecht (AVG), Rijnland (West-Nederland) en Zuiderzeeland (Flevoland) lieten recent nader onderzoek doen naar de invloed van kwel. Deze waterschappen kwamen erachter dat zij een behoorlijk aandeel stikstof en/of fosfor onterecht hadden toegerekend aan de landbouw. Inmiddels is de kwel-correctie doorgevoerd. Het resultaat is nu dat een aanzienlijk deel van de NV- gebieden kon worden geschrapt. Op de nieuwe aandachtsgebiedenkaart vinden wij die niet terug.
In zeekleigebieden in Noorderzijlvest (Gr), Hollands Noorderkwartier (NH) en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden werd de kwel (nog) niet nader onderzocht. Waarschijnlijk zullen er ook hier gebieden tussen zitten waar nutriënten uit kwel onterecht worden toegerekend aan de landbouw. (Zie ook artikel: ‘Fosforvervuild gebied Noord-Groningen waarschijnlijk onterecht aangewezen‘).

Meer correcties

De herberekening laat meer correcties zien. Deze staan in het artikel dat u hieronder kunt downloaden. Ook laat het artikel zien wat nog niet gecorrigeerd is.

Aanvulling 3 december 2025: Per abuis stond waterschap Scheldestromen niet in de figuur vermeld. Deze is toegevoegd.

Deel via:

Hebben milieu-NGO’s een streepje voor bij de rechter?

In juridische procedures over milieukwesties speelt wetenschappelijk onderzoek vaak een grote rol. Zo ook in een Drentse rechtszaak tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt. Opvallend is dat de rechterlijke macht en landsadvocaat Pels Rijcken onderzoek van actiegroep Meten = Weten duiden als ‘deskundig, onafhankelijk en onpartijdig’. Beiden negeren de forse kritiek van het RIVM en de Agrifacts-redactie op dat onderzoek. Hebben milieu-NGO’s bij de rechterlijke macht een streepje voor? De landsadvocaat licht toe hoe onderzoek in juridische zin wordt beoordeeld.

Op 2 april 2025 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een zaak over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt nabij het Drentse Natura 2000-gebied Holtingerveld. De rechter ging mee met onderzoek van milieugroep Meten = Weten en Milieudefensie en legde het gebruik van middelen nabij Natura 2000-gebieden aan banden. Provincie Drenthe heeft landsadvocaat Pels Rijcken gevraagd juridische duiding te geven aan de uitspraak. Ook Pels Rijcken vaart daarbij op het onderzoek van Meten = Weten.

Meten = Weten trof in haar onderzoek van 2020 een aantal bestrijdingsmiddelen aan in het Holtingerveld. Dit onderzoek rammelt behoorlijk. Meten = Weten relateerde namelijk alle gevonden middelen aan boeren in de omgeving. Ondanks dat veruit de grootste hoeveelheid middel niet afkomstig is uit de landbouw. Agrifacts en daarna RIVM hadden flinke kritiek op het onderzoek van Meten = Weten. RIVM: “Het onderzoek vermeldt niet hoe de monsters zijn behandeld en geanalyseerd en geeft geen prestatiekenmerken van de analysemethode (detectiegrenzen, controlemonsters, etcetera). Op basis van de informatie die aan het RIVM verstrekt is voor deze duiding, kunnen de meetresultaten niet beoordeeld worden op betrouwbaarheid.

Het RIVM stelt verder dat het onderzoek van Meten = Weten geen bewijs levert dat de gevonden residuen uit de Drentse landbouw komen. Er zijn geen aanwijzingen dat de gevonden gehalten met spuitnevels (drift) te maken hebben, en de studie onderzoekt ook niet of bufferzones inderdaad (geen) drift invangen. Desondanks maken Milieudefensie en Meten = Weten het in de rechtszaak van 2025 nog bonter. Alle gevonden middelen in 2020 worden deze keer gerelateerd aan bollentelers in de omgeving. Waarom gaan de rechterlijke macht en landsadvocaat Pels Rijcken zo gemakkelijk mee met onderzoek waarop forse kritiek is? 

Reactie landsadvocaat

Pels Rijcken gaat zeer uitgebreid in op de vragen van Agrifacts (onderaan dit artikel te downloaden) “In een juridische procedure over milieukwesties speelt wetenschappelijk onderzoek vaak een grote rol. Rechters, advocaten en overheden doen daarbij zelf geen wetenschappelijk onderzoek. Zij zijn afhankelijk van het beschikbare wetenschappelijke onderzoek van dat moment. Het is in procedures doorgaans aan procespartijen zelf om wetenschappelijke onderzoeksresultaten in te brengen. De rechter weegt het onderzoek vanuit een aantal juridische beginselen, zoals de mate van deskundigheid van de onderzoekers, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De uitspraak die dan volgt, bevat daarmee geen wetenschappelijke weging door de rechter, maar een juridische weging van de onderzoeksresultaten. Dat gebeurt dan bijvoorbeeld met gebruik van termen zoals ‘aannemelijkheid’ en ‘redelijkerwijze’. In deze kwestie is dat ook gebeurd. Het betreft geen definitief oordeel over de juistheid van dat wetenschappelijk onderzoek. Het wil vooral zeggen dat de rechter het voor dat moment als de laatste stand van de wetenschap beschouwt en daar van uitgaat bij zijn beoordeling.”

Deskundig, onafhankelijk, onpartijdig

Het is opmerkelijk dat de rechterlijke macht en de landsadvocaat het onderzoek van Meten = Weten duiden als “de laatste stand van de wetenschap”. Opvallend is ook dat de rechterlijke macht de onderzoekers van Meten = Weten beoordelen als “deskundig, onafhankelijk en onpartijdig”. De Agrifacts-redactie wil weten welke objectieve standaarden rechters hanteren voor het beoordelen van de deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van organisaties en onderzoekers. Hebben NGO’s hier een streepje voor?

Hoe moeten de deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van onderzoekers van het CTGB (College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) worden beoordeeld? En het redactieteam van Agrifacts? Deze nadere vragen zijn voorgelegd aan landsadvocaat Pels Rijcken. Hierop is nog geen reactie ontvangen.

Download hier de reactie van de landsadvocaat op vragen over het zonder volgen van onderzoek van Meten = Weten:

Foto: Shutterstock

Deel via:

‘Ook natuurdoelanalyses en adviezen Ecologische Autoriteit onwetenschappelijk’

Niet alleen de vergunningverlening, maar ook de natuurdoelanalyses van provincies en de adviezen van de Ecologische Autoriteit zijn “onwetenschappelijk, ondeugdelijk en dus niet verdedigbaar”. Dat concludeert Ronald Meester, hoogleraar Waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daarmee valt een deel van de basis weg, van wat het nieuwe natuurbeleid had moeten worden. Op 24 oktober 2025 kwam zijn rapport online.

Het stikstofbeleid zit muurvast. Commissie Hordijk uitte in 2020 al stevige kritiek op het gebruik van stikstofmodel Aerius met daarin kritische depositiewaarden voor de vergunningverlening. Het rekenmodel is ongeschikt voor deze toepassing. Het stikstofmodel kan niet gebruikt worden voor lokaal beleid. Daarvoor zijn de uitkomsten van de berekeningen veel te onzeker. Ook het RIVM raadt sinds enkele jaren af, haar rekenmodel te gebruiken voor lokaal beleid.

Voor de Rijksoverheid en de provincies was dit echter geen belemmering om een nieuwe lokale gebruikstoepassing te introduceren. Het Aerius-model werd voorgeschreven voor de zogenaamde natuurdoelanalyses, die in 2023 moesten worden opgeleverd. Deze analyses laten de huidige natuurkwaliteit zien binnen individuele natuurgebieden. Het stikstofmodel wordt in hogere mate gebruikt voor het berekenen van de natuurkwaliteit van de verschillende habitats binnen een natuurgebied. Ook de Ecologische Autoriteit, in september 2022 opgericht, conformeerde zich aan deze nieuwe politieke wens. (Zie artikel Ecologische Autoriteit op politieke toer).

Het stikstofmodel is niet geschikt voor natuurdoelanalyses en evenmin voor adviezen van de Ecologische Autoriteit. Meester: “We zijn blind modeluitkomsten aan het volgen, zonder de mogelijkheid te hebben om te controleren waar we mee bezig zijn. Er wordt veel beweerd over stikstof, maar er is vrijwel geen enkele kwantitatieve claim die daadwerkelijk controleerbaar is.”

Wetenschap in klem politiek en rechter

Meester meende aanvankelijk dat onvoldoende kennis van de beperkingen van het stikstofmodel de oorzaak was van het onjuiste gebruik in de natuurdoelanalyses en door de Ecologische Autoriteit. Dit was niet het geval, zo bleek uit de interviews die hij had met een aantal betrokken wetenschappers. Er is bijvoorbeeld geen enkele wetenschapper die achter de schermen de unieke kritische depositiewaarden vanuit de wetenschap verdedigt. Wel zag Meester wetenschappers die deze waarden naar buiten toe propageren omdat de politiek en de rechterlijke macht dat eisen. “We hebben dus een situatie waarin geen enkele wetenschapper publiekelijk wil erkennen dat de kritische depositiewaarden niet deugen, terwijl ze in persoonlijke gesprekken wel degelijk grote twijfels uiten. Dat is een bijzondere en ook ongewenste situatie.” Meester noemt hier ook de Ecologische Autoriteit. “Ook deze autoriteit twijfelt aan de waarde van de kritische depositiewaarden, dan dient zij dit publiek te verkondigen. Dat geldt in elke omstandigheid, voor elke wetenschapper.” De wetenschap zou de druk vanuit politieke en rechterlijke macht moeten weerstaan.

Advies voor vervolg natuurbeleid

Meester adviseert beleidsmakers af te stappen van natuurbeleid waarin het stikstofmodel veel bepalend is. Dat geldt niet alleen voor de vergunningverlening, maar ook voor de natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit. “Het beleid moeten we niet langer laten bepalen door een fictieve modellenwerkelijkheid, maar door de empirie – de waarneming dus, in de breedste zin van het woord. De staat van de natuur kan niet worden afgelezen door een model van welke aard dan ook.”

Meester adviseert vervolgens de methodiek voor vergunningverlening en natuurdoelanalyses te herzien, en deze in lijn te brengen met de Europese richtlijnen. In zijn rapport geeft hij een stappenplan om te komen tot nieuw beleid, dat wetenschappelijk wel klopt.

Foto: Shutterstock.

Deel via:

Reclameverbod voor niet-biologische veeproducten inconsequent

In de Nijmeegse gemeenteraad is een motie aangenomen waarin wordt gevraagd te verkennen of een verbod op handelsreclame voor producten uit de niet-biologische veehouderij mogelijk is. Bij consequente toepassing van de aangedragen argumenten zou eerder een verbod op reclame voor biologische veehouderijproducten in beeld komen.

De motie “Verken wat telt: reclame die de toekomst niet smelt” (mei, 2025), ingediend door leden van de Partij voor de Dieren en GroenLinks, stelt dat vlees, melk en eieren uit de niet-biologische veehouderij bijdragen aan een hogere uitstoot van broeikasgassen dan biologische producten. Daarnaast wordt betoogd dat reclame voor deze producten consumenten stimuleert tot aankopen die de klimaatcrisis verergeren.
De uitstoot van broeikasgassen door de veehouderij wordt beïnvloed door een groot aantal factoren, zoals het productiesysteem, het gebruik van kunstmest, de melk- of groeiproductie per dier, de dierdichtheid per hectare en de herkomst van het krachtvoer. Hierdoor komen wetenschappelijke studies tot uiteenlopende conclusies bij milieueffectvergelijkingen tussen biologische en conventionele veehouderij. Voor goed beleid zijn data en berekeningen nodig die specifiek gelden voor de Nederlandse situatie.

Melkproductie

Een LCA-case study van Thomassen et al. (2008), gebaseerd op gegevens uit 2003 van tien conventionele en elf biologische melkveebedrijven, liet zien dat biologische bedrijven beter scoorden op energiegebruik en vermesting per kilogram melk. Tegelijkertijd was de verzuring en de uitstoot van broeikasgassen per kilogram biologische melk juist hoger.
Volgens een modelstudie van Bos et al. (2013) stootten biologische melkveebedrijven per liter melk 5 tot 10% minder broeikasgassen uit dan conventionele bedrijven. Dit verschil was echter gebaseerd op een verondersteld productieverschil van slechts 500 liter per koe per jaar. In werkelijkheid is het verschil ongeveer 2.000 liter (Agrimatie). Als met dit werkelijke verschil was gerekend, zou de uitkomst in het nadeel van biologische melk zijn geweest.
Een recente studie van de Rijksuniversiteit Groningen (Bronts et al., 2023) berekende de carbon footprint per liter vet- en eiwitgecorrigeerde melk. Voor reguliere productie is dat 0,76 kg CO2-eq/liter en voor biologische productie: 0,95 kg CO2-eq/liter. Biologische melk heeft volgens deze onderzoekers een ongeveer 25% hogere uitstoot aan broeikasgassen dan reguliere melk.

Rundvlees

De uitstoot van broeikasgassen bij rundvleesproductie varieert wereldwijd sterk. Er zijn grote verschillen in productiesystemen. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen vlees als bijproduct van de melkveehouderij en vlees van koe-kalfkuddes. Rundvlees uit de melkveehouderij heeft doorgaans een 30 tot 55% lagere uitstoot, afhankelijk van de studie.
Een literatuurstudie uit 2022 in opdracht van de European Roundtable for Beef Sustainability, waarin 21 LCA-studies uit Europa zijn geanalyseerd (zonder Nederlandse data), vond geen duidelijk verschil in carbon footprint tussen biologische en reguliere rundvleesproductie.
De studie van Bronts et al. (2023) concludeerde dat biologisch geproduceerd rundvlees onder Nederlandse omstandigheden circa 25% meer broeikasgassen uitstoot dan conventioneel rundvlees.

Varkensvlees

Een vergelijking van de carbon footprint van varkensvlees in diverse West-Europese landen laat zien dat biologisch varkensvlees consistent een hogere uitstoot per kilo vlees veroorzaakt. Voor Nederland gaat het om een verschil van ongeveer 20%, voornamelijk veroorzaakt door een hoger voerverbruik per kilogram groei.

Pluimveevlees

Het aanbod van pluimveevlees in de supermarkten is de afgelopen jaren veranderd. Onder druk van maatschappelijke organisaties zijn supermarkten overgestapt op trager groeiende kuikens en ruimere leefomstandigheden. Daarnaast heeft de Dierenbescherming het Beter Leven keurmerk (BLK) geïntroduceerd, waarin onder meer strengere eisen aan aantal dieren per vierkante meter en slachtleeftijd zijn opgenomen.
Volgens Mosterd et al. (2022) geldt het volgende voor CO2-uitstoot per kilogram vlees: De concepten die de supermarkten in Nederland voor kip hebben, resulteren gemiddeld in een ca. 14% hogere uitstoot in vergelijking met de conventionele kipproductie.
Volgens de website Kip in Nederland ligt de carbon footprint van biologische kip zelfs 60% hoger dan die van conventionele kip.

Eieren

De eiproductiesystemen in Nederland zijn de laatste jaren sterk veranderd waarbij dierenwelzijn een drijvende factor is geweest. Er zijn in Nederland geen recente resultaten gepubliceerd over de verschillen in broeikasgasemissie tussen de verschillende productiesystemen. Het meest recente onderzoek is een Tsjechisch onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat de in Nederland verboden batterij-systemen de laagste footprint hadden (ca. 2,5 kg CO2 eq/kg ei). Scharrel- en volièresystemen hebben een emissie van 3,2 kg, vrije uitloop een iets hogere emissie van 3,2-3,5 kg. Biologische systemen variëren van 3,4 tot 4,4 kg CO2 eq per kg ei.

Artikel downloaden

Dit artikel verscheen in het Stafblad van september 2025. Het artikel kunt u hieronder downloaden.


Deel via:

Mens grootste ‘kliederaar’ met pesticiden

Als het over pesticiden gaat, wordt al snel gedacht aan gewasbeschermingsmiddelen uit de land- en tuinbouw. De hoeveelheid pesticide die in en om huis wordt aangetroffen, blijkt echter vooral afkomstig van eigen gebruik.

In de afgelopen jaren vonden meerdere onderzoeken plaats naar pesticiden in en om huis. Er werd daarin vooral gefocust op middelen die afkomstig zijn uit de land- en tuinbouw. Wanneer we kijken welk deel van de totaal gevonden concentratie afkomstig is uit de agrarische sectoren, dan is die relatief (erg) laag.
Veruit het grootste deel van de hoeveelheid pesticide die wordt aangetroffen is afkomstig van middelen die we zelf gebruiken. Het gaat om pesticiden tegen parasieten bij huisdieren en tegen insecten en ongedierte in en om het huis.

Pesticiden in slaapkamer (2024)

In 2024 vond een burgeronderzoek plaats naar pesticiden in Nederlandse en Belgische slaapkamers. Voor dit onderzoek is stof in slaapkamers bemonsterd. Het onderzoek is uitgevoerd door Velt, een vereniging die zich inzet voor een ecologisch verantwoorde leefwijze. Aanleiding is volgens Velt de ongerustheid bij burgers over het gebruik van pesticiden in hun leefomgeving door agrariërs. In het onderzoeksrapport staan alleen de hoogst gemeten concentraties per middel, alsmede het aantal slaapkamers waarin het middel is aangetroffen.

Als we kijken welke pesticiden in de grootste hoeveelheden worden aangetroffen, dan gaat het vooral om producten die mensen zelf gebruiken. Zoals pesticiden voor het bestrijden van teken, vlooien en luizen bij huisdieren, en verdelgingsmiddelen tegen ongedierte en insecten voor in en rond het huis. Er worden weliswaar veel meer verschillende stoffen uit de land- en tuinbouw aangetroffen, maar in (heel veel) lagere concentraties.

Drie pesticiden voor huisgebruik in Top 10 grootste probleemstoffen

Het idee dat pesticiden uit de land- en tuinbouw schadelijker zijn dan pesticiden die consumenten zelf mogen toepassen, is een misvatting. In de top 10 van grootste probleemstoffen voor het milieu vinden we drie pesticiden die door particulieren wel gebruikt mogen worden, maar verboden zijn in de land- en tuinbouw: fipronil, imidacloprid en permethrin. In de top 10 van probleempesticiden staan verder drie al langer verboden bestrijdingsmiddelen.

Pesticiden in mensenharen

Pesticide Action Network deed samen met actiegroep Meten = Weten onderzoek naar pesticiden in mensenharen. Dat gebeurde in 2021. De aangetroffen concentratie pesticide bestaat vrijwel helemaal uit middelen die mensen zelf gebruiken. Maar liefst 85% van de hoeveelheid pesticide in mensenharen is afkomstig van anti-parasietenmiddelen die gebruikt worden bij huisdieren (met name fipronil en permethrin). Deze middelen worden ook gevonden in haren van mensen zonder huisdieren. Verder is 14% afkomstig van consumentenproducten tegen ongedierte (DEET, nicotine). Eén procent bestond uit middelen die gebruikt worden in de land- en tuinbouw.

Publicatie downloaden

Dit artikel verscheen in het Staf-blad van september 2025. Het artikel kunt u hieronder downloaden.

Deel via:

Waterschap HHNK onderzoekt of meer spookstoffen in water ‘afkomstig’ zijn van eigen laboratorium

Vorig jaar ontstond veel ophef over de vondsten van dinoterb, een onkruidverdelger die al 30 jaar verboden is. Niet illegaal gebruik in de bollenteelt was de oorzaak – zoals milieuorganisatie MOB meende – maar het laboratorium van het waterschap. Het gaat om vals positieve uitslagen. De stof is er niet, maar toch slaat het analyseapparaat positief uit. Staf constateert er bij meer verboden bestrijdingsmiddelen sprake lijkt van vals positieve uitslagen.

Naast dinoterb werden in de Noordhollandse wateren meer bestrijdingsmiddelen aangetroffen die al decennia verboden zijn. Deze kregen in de media minder aandacht. Het gaat om: fenchloorfos, bromofos-ethyl, bromofos-methyl en tetrachloorfinfos.

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft de dinoterb-vondsten inmiddels uit haar registratiesysteem geschrapt. Nadat was gebleken dat het om vals positieve uitslagen gaat en de stof dus niet werkelijk in het water zat. De andere verboden middelen vinden we wel terug in registratiesysteem Aquadesk. Staf constateert dat vals positieve laboratoriumuitslagen ook hier de meest aannemelijke oorzaak is. De vier oude middelen worden sporadisch aangetroffen, in zo’n 2 procent van de watermonsters. Zeer opvallend is echter dat deze vier stoffen bijna altijd samen worden aangetroffen in hetzelfde monster. Dit wijst op een laboratoriumfout. Fenchloorfos werd in de periode 2022 – 2025 in totaal 14 keer gevonden. Bijna altijd werd in hetzelfde monster ook bromofos-ethyl, bromofos-methyl en tetrachloorfinfos aangetoond.

Staf heeft haar analyse voorgelegd aan het waterschap met verzoek om een reactie. “Dit fenomeen bij deze stoffen is ons ook opgevallen en we zijn een nadere analyse gestart om te verklaren hoe dit komt”, reageert het waterschap.

Afbeelding: Vindplaatsen fenchloorfos (Bron: Bestrijdingsmiddelenatlas).

.

Deel via:

Ziekte van Parkinson: veel risicofactoren, geen harde verbanden

Onderzoeker Marc Jacobs spitte afgelopen maanden wetenschappelijke studies door over de ziekte van Parkinson. Heel veel studies, maar liefst 885, wereldwijd en over een periode van 65 jaar. Jacobs ging op zoek naar de veroorzakers van de ziekte. Of eerder de factoren die een verhoogd risico geven op de ziekte. Wat vertellen die studies?

Jacobs is data-wetenschapper en gespecialiseerd in epidemiologische studies. Hij bestudeerde alle studies over de ziekte van Parkinson, die waren gebruikt voor meta-analyses. In een meta-analyse worden resultaten van meerdere losse studies over hetzelfde onderwerp statistisch gecombineerd tot één grote studie. Hij keek specifiek naar de risico’s, de onderzoeksopzet en de uitkomsten. In de 885 studies werden in totaal ruim 100 risicofactoren voor de ziekte van Parkinson belicht, zoals: pesticiden, diabetes, roken, cholesterol, alcohol, maag-en darmproblemen en overgewicht.

Hij schreef zijn bevindingen op in twee rapporten:

  1. Het risico op parkinson vanuit de epidemiologie. Waarom epidemiologisch-onderzoek naar parkinson met gepaste voorzichtigheid dient te worden benaderd.
  2. Het risico op parkinson door glyfosaat: een meta-analyse. Waarom gecombineerd epidemiologisch-onderzoek onvoldoende is om beleid te informeren.

Beide rapporten zijn onderaan dit artikel te downloaden.

Ziekte van Parkinson

“De ziekte van Parkinson is voor wetenschappers een hele lastige ziekte om te onderzoeken. Dat komt omdat het wel 20 tot 30 jaar duurt voordat de ziekte zich manifesteert”, begint Jacobs.

Pesticiden kregen tussen 2010 en tot voor kort veel aandacht in de wereldwijde studies naar de oorzaken van de ziekte van Parkinson. “De laatste tijd zien we dat de aandacht verschuift. Wereldwijd nemen de onderzoeken naar pesticiden als risicofacto relatief gezien af. Steeds vaker wordt er gekeken naar diabetes als risicofactor, of naar sporenelementen zoals ijzer.”

Pesticiden kregen in de jaren 90 de meeste aandacht. De reden is dat een groep jongeren een decennium eerder Parkinsonachtige verschijnselen kreeg nadat zij zichzelf hadden ingespoten met een drug die gelijkenis had met pesticide. Dit incident legde bloot wat er gebeurt in de hersenen bij de ziekte van Parkinson. De focus kwam zo op pesticiden te liggen als risicofactor. Pesticiden waren overigens niet de grootste risicofactor die Jacobs op het spoor kwam. Dat was constipatie. “Deze risicofactor is het grootste. Het is de wetenschappers echter niet gelukt om erachter te komen of constipatie de kans op de ziekte van Parkinson vergroot, of dat dit een eerste symptoom is van de ziekte die al in een erg vroeg stadium optreedt. Ook depressie zag hij keer op keer terugkomen als risicofactor, maar ook hier is het mogelijk dat we te maken hebben met een vroege indicatie voor parkinson. Dit laat zien hoe ingewikkeld het onderzoek naar deze ziekte is.”

Parkinsons geen ‘man made disease’

Volgens professor Bas Bloem is de ziekte van Parkinson voor een groot deel een ‘man-made disease’. Bloem is neuroloog bij het Radboud UMC en is veelvuldig te zien in de media, waar hij alarm slaat over de ziekte. In de grote hoeveelheid studies heeft Jacobs hiervoor geen hard bewijs kunnen vinden. “Veel literatuur wijst naar de epigenetica als oorzaak. Dit betekent dat er een genetische oorzaak is, in combinatie met omgevingsfactoren, die zelf weer kunnen inspelen op de genen van een persoon. Sommige mensen hebben dus meer ‘aanleg’ om door een omgeving geraakt te worden, maar wie dat zijn is hoogst onduidelijk. Deze wisselwerking tussen genen en omgeving zien we in veel ziekten terug.”

Risico’s echt klein

“Als we in wetenschappelijke studies kijken naar de risicofactoren bij longkanker, dan steekt roken er met kop en schouders bovenuit”, vertelt Jacobs. “De studies voor longkanker en roken laten odds ratio’s zien van 50 tot wel 100.” Dit betekent dat roken de kans op longkanker met een factor 50 tot wel 100 verhoogt.

Maar hoe zit dat bij de ziekte van Parkinson? “Er is bij deze ziekte geen enkele risicofactor die er met kop en schouder bovenuit steekt. Ook pesticiden niet. Voor pesticiden vinden we gecombineerde odds ratio’s van 1,0 tot 1,3. Daarbij moet worden vermeld dat de onzekerheden rondom deze odds ratio’s groot zijn. De effecten die we zien van pesticiden bij het ontstaan van de ziekte van Parkinson zijn daarmee echt klein. Als pesticiden echt een belangrijke oorzaak zijn, dan zouden deze er met kop en schouders bovenuit moeten steken bij de risicofactoren. Net als bij roken en longkanker. Maar dat is niet zo. Ironisch genoeg springt roken er wederom relatief sterk uit, maar deze keer als beschermende factor.”

Glyfosaat

Jacobs was verrast dat er zo weinig studies zijn naar het verband tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. “Ik had verwacht in de literatuur een groot effect te vinden van deze stof op de ziekte. Aangezien hiervoor veel aandacht is bij media en politiek. Alle glyfosaatstudies  in relatie tot parkinson zijn gedaan in de Verenigde Staten. Het aantal is beperkt. De studies laten weinig tot geen verband zien tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. “De hoeveelheid aandacht die er is voor glyfosaat en parkinson staat in geen verhouding tot de uitkomsten van de studies. En in geen verhouding tot de roep om een verbod.”

Jacobs vraagt media voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies uit één studie ’die past’. Je moet alle relevante studies in ogenschouw nemen. Als er een duidelijk verband is, dan komt zo’n risicofactor in meer studies boven. Ook moet je goed kijken naar de onderzoeksmethode. Als je pesticide in hoge dosis inspuit, kun je parkinson-symptomen krijgen. Dat wil niet zeggen dat het gebruik van het pesticide in het veld daarmee direct een risico is op de ziekte van Parkinson.

Jacobs vraagt media ook voorzichtig te zijn met het extrapoleren van dierproeven naar mensen. Mensen zijn geen ratten of muizen. Proefdierstudies leggen mechanismen voor het ontstaan van ziekten bloot, niet het risico voor mensen.

Risicofactoren

Jacob zette de risicofactoren die hij vond in de 885 wetenschappelijke studies op een rij, alsmede de grootte van die risico’s. In de tabel de belangrijkste risico’s voor de ziekte van Parkinson, alsmede beschermende factoren. Let op: de grootte van alle risico’s, alsook van de beschermende factoren is klein en niet elke risicofactor bleek uiteindelijk statistisch significant te zijn

 Top 10 risico’s op ziekte van ParkinsonTop 10 beschermende factoren tegen ziekte van Parkinson
1.ConstipatieRoken
2.DepressieKoffie
3.AngststoornissenCafeïne
4.Maaginfectie Heliobacter pyloriMedicijnen tegen hoge bloeddruk (calcium blockers)
5.Trauma aan het hoofdZink
6.PesticidenVet
7.Leven in landelijk gebiedAlcohol
8.Melanoom (huidkanker)Ontstekingremmende pijnstillers (NSAID)
9.Chronische darmontstekingVitamine A
10.InfectiesKoper

Rapporten downloaden

Het risico op parkinson vanuit de epidemiologie. Waarom epidemiologisch-onderzoek naar parkinson met gepaste voorzichtigheid dient te worden benaderd. Door Dr. Marc Jacobs, MSJ Advies B.V.

Het risico op parkinson door glyfosaat: een meta-analyse. Waarom gecombineerd epidemiologisch-onderzoek onvoldoende is om beleid te informeren. Door Dr. Marc Jacobs, MSJ Advies B.V.

Afbeelding: Shutterstock / ahmetmapush

Deel via: