Ook Brussel kreeg verwarrende watercijfers over Nederlandse landbouw

De Staf-publicatie van december 2025 leidde tot veel vragen bij waterschappen, provincies en de Tweede Kamer. Het Planbureau voor de Leefomgeving had watervervuiling uit andere bronnen – de achtergrondconcentraties – toegerekend aan de landbouw. Minister Vincent Karremans, waterschappen en provincies stellen dat zij de PBL-cijfers niet gebruiken voor hun beleid. Echter, in de rapportage aan de Europese Commissie vinden we de misleidende watercijfers wel terug.

Het Staf-artikel over het toerekenen van stikstof en fosfor uit onder meer natuurlijke bronnen aan de landbouw, leverde veel vragen op. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bevestigde desgevraagd extra bronnen, zoals natuurlijke kwel, toe te rekenen aan de landbouw. Doch zonder dit te vermelden. Daardoor ontstond het beeld dat wat aan de landbouw wordt toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

PBL-cijfers niet gebruikt in Nederland

Inmiddels zijn veel vragen over de verwarrende PBL-watercijfers beantwoord. Zonder uitzondering stellen Nederlandse overheden dat de watercijfers van het PBL niet worden gebruikt voor het beleid. Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Vincent Karremans, zegt in zijn Kamerbrief van 12 maart 2026: “Alle waterbeheerders in Nederland (Ministerie IenW, provincies en waterschappen) houden rekening met natuurlijke achtergrondconcentraties. De achtergrondconcentraties worden zowel betrokken bij de afleiding van de doelen, als bij de beoordeling of aan de doelen is voldaan. Hierbij betrekken de waterbeheerders de gebied-specifieke omstandigheden in hun beheergebied.”

Wetterskip Fryslân stelt dat het PBL een andere indeling van bronnen hanteert dan bijvoorbeeld Wageningen UR. Het PBL neemt zowel natuurlijke bronnen (zoals kwel) als antropogene bronnen (zoals bemesting) mee bij ‘landbouw’. Volgens het Wetterskip zou er geen beleid gebaseerd zijn op de watercijfers van het PBL. Het landelijke beleid wordt gebaseerd op de bronnenanalyses van Wageningen UR. Ook het Wetterskip baseert zich op die gegevens. Een vergelijkbare uitleg zien we bij Provincie Groningen en Provincie Limburg, in antwoord op vragen.

Verwarrende watercijfers wel naar Brussel

Volgens toenmalig minister Wiersma zou de landbouw een aandeel hebben van 31 procent in de stikstof in het oppervlaktewater in het landelijke gebied. Dit antwoordde zij in december 2025 op Kamervragen. Het PBL komt echter uit op ruim 50 procent, door de achtergrondconcentratie ook toe te rekenen aan de landbouw. Deze toerekening bleef aanvankelijk onvermeld. Inmiddels heeft het PBL de website aangevuld met een toelichting.

Waterbeheerders beantwoorden de kritiek met sussende woorden: de PBL-cijfers worden niet gebruikt voor het Nederlandse mestbeleid. Echter, de PBL-cijfers zijn wel naar de Europese Commissie gestuurd middels de Nitraatrapportage. Deze rapportage is bepalend voor onder meer het verkrijgen van derogatie. Europa staat het gebruik van meer dierlijke mest alleen toe, als dat niet ten koste gaat van verbetering van de waterkwaliteit. De Europese Commissie kreeg de volgende toelichting bij de cijfers: ‘De grootste bron voor stikstof en fosfor is de uit- en afspoeling (diffuse belasting) vanuit de bodem in de landbouwgronden (50 procent)’. Dat ook de achtergrondconcentraties waren toegerekend aan de landbouwgronden, werd niet bij de grafiek vermeld. Eurocommissaris Jessica Roswell sloeg toenmalig minister Wiersma met deze toelichting om de oren. Volgens Roswell was 50 procent van de stikstof in de Nederlandse wateren afkomstig uit de landbouw. Van het verlenen van derogatie kon geen sprake zijn. Ook hier was het beeld dat wat aan de landbouw is toegerekend, uit de landbouw afkomstig is.

Figuren. De PBL-watercijfers (links) vinden we terug in de Nitraatrapportage voor de Europese Commissie (rechts). In beide grafieken zijn de achtergrondconcentraties toegerekend aan de landbouw.

Deel via:

Pesticiden Paradijs naïef over wetenschap

In januari verscheen Het Pesticiden Paradijs  – Over de impact van bestrijdingsmiddelen, verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Auteur Dirk de Bekker, journalist bij onder meer de Groene Amsterdammer, doet voorkomen dat die verstrengeling er enkel is bij pesticiden. Hetzelfde boek had geschreven kunnen worden over stikstof, corona, klimaat en geitenhouderij & gezondheid omwonenden.

Boekbespreking door Marc Jacobs.

Het boek van De Bekker is vanaf de titel duidelijk: we leven in een paradijs van pesticiden. Voor De Bekker staat dat gelijk aan een paradijs vol gif en voor dat ‘paradijs’ hebben we zelf gekozen: door middel van verstrengelde belangen en misbruikte wetenschap. Met als gevolg dat uiteindelijk niet het gif verdwijnt, maar de onafhankelijkheid van hen wiens taak het is om ons te beschermen tegen de belangen van de industrie. 

De Bekker heeft vijf jaar aan dit dossier gewijd en in die tijd tal van stukken gelezen en mensen gesproken om zo te achterhalen hoe de pesticidenindustrie opereert. Het resultaat is dit boek. In het boek wordt een aantal onderwerpen aangestipt, zoals DDT, bentazon, Parkinson en glyfosaat. Ook wordt er – negatief – gesproken over overheidsinstanties, zoals het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Deze zijn, zoals de ondertitel van het boek al doet vermoeden, eigenlijk te coulant naar de industrie. Daarbovenop wordt de beschuldiging gemaakt dat deze te weinig transparantie bieden aan diegenen die afhankelijk zijn van hun oordeel: wij mensen.

Die houding is begrijpelijk. Wie in Nederland tracht om openheid te verkrijgen over het opereren van aan ministeries gelieerde instituten loopt steevast tegen de muur aan. Zo werden de corona-modellen nooit vrijgegeven, is het nog steeds onduidelijk waarom rekenmodel Aerius nog altijd wordt toegepast voor natuurvergunningen, en krijgen we de VGO-data die de relatie tussen geitenhouderijen en longontsteking moet duiden ook niet te zien. Steeds vaker moet openheid via Woo-verzoeken worden afgedwongen.

Selectief in bronnen

Toch vliegt de auteur een aantal keren uit de bocht. Dat heeft zo te zien te maken met een gebrek aan kennis en het verkeerd leggen van verbanden. In de referentielijst staat een indrukwekkend aantal bronnen, 338 in totaal, maar het is niet compleet. Zo kent het dossier rondom Parkinson al meer dan 800 studies die hebben gekeken naar mogelijke risicofactoren[1]. Te vaak lezen we informatie die afkomstig is van personen werkzaam in een bepaald veld, maar dat kan nooit het totaal zijn. Zo lezen we onder andere over de visie van hoogleraar en neuroloog Bas Bloem. Deze verbaast zich over de verlenging van de toelating van glyfosaat en het uitblijven van een Parkinson-specifieke test. Maar de ironie wil dat er zojuist een studie van onder meer Bas Bloem is gepubliceerd, die indruist tegen eerdere veronderstellingen rondom pesticiden en Parkinson[2]. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat pesticiden, waaronder glyfosaat, geen rol kunnen spelen bij het ontstaan van Parkinson. Maar wie denkt dat alleen pesticiden Parkinson veroorzaken, kijkt met oogkleppen naar een dossier dat tientallen risicofactoren huist[3].

De ophef over pesticiden, zoals glyfosaat, laat zich vaak niet staven door beschikbaar wetenschappelijk onderzoek. Zoals in 2024, toen Zembla/BNNVARA beweerde dat de statistiek rondom het toetsen van glyfosaat haast expres verkeerd wordt gedaan. Zou het Ctgb deze fout herstellen dan zou overduidelijk zichtbaar worden dat glyfosaat kankerverwekkend is, meende Zembla/BNNVARA. Wie echter tracht dit werk te repliceren ziet al snel dat het niet lukt om een dose-response relatie te vinden[4]. De Bekker stipt dit onderwerp echter niet aan. 

Naïeve conclusies

Een groot deel van zijn kritiek heeft betrekking op het gebruik van rekenmodellen die, volgens de Bekker, als representant van de werkelijkheid worden ingezet. Een citaat uit het boek: “Een meting is een specifieke weergave van de situatie op een bepaalde plaats en een bepaald moment, een weergave van de werkelijkheid; een modelberekening is een simulatie van die werkelijkheid. Metingen zijn dus essentieel om een model te staven, zodat het waar nodig aangepast kan worden. Maar dat lijkt onvoldoende te gebeuren.”

Specifiek gaat het hier om metingen van drinkwaterbedrijven over de uitwas van de herbicide Bentazon. Deze laten een ander beeld zien dan wat de rekenmodellen voorspellen, maar het Ctgb wil die metingen niet gebruiken. Daarbij blijken de rekenmodellen ook nog eens door de industrie gebruikt, getest, en met hun input te worden aangepast. Voor De Bekker is het daarmee glashelder dat wat de industrie niet bevalt ook niet wordt opgenomen in de rekenmodellen. Een citaat:

“Tientallen documenten die in de afgelopen drie decennia zijn verschenen rondom de ontwikkeling van pesticiden modellen laten zien hoe problematisch het ontbreken van zo’n controlemechanisme precies is. Ze vertellen het verhaal van een modelleerwereld waarin de scheidslijnen tussen wetenschappers, overheidsregulatoren en de industrie zijn vervaagd. Hierdoor is een risico ontstaan op ongewenste- en door het ontbreken van controle – onopgemerkte invloed van de industrie op de gehanteerde rekenmodellen, het fundament onder het gehele Europese toelatingssysteem.”

Dit is niet uniek voor het pesticidenbeleid. Modellen zijn het begin van een gesprek en niet het einde. Grote dossiers zoals corona, stikstof en het klimaat[5], maar ook het geitendossier, laten keer op keer zien dat er te weinig transparantie is tussen hen die beleid bepalen (of ondersteunen) en hen die met dat beleid te maken krijgen. Vooral het stikstofdossier heeft te leiden onder een gelijkwaardig discours, maar daarover lezen we in dit boek niets als het over rekenmodellen gaat. Dat is jammer, want nu overheerst het beeld dat de landbouwsector maar weinig toevoegt aan onze leefwereld.

Dit artikel verscheen ook in het STAF-blad van maart 2026. Een pdf is hier te downloaden:


[1] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[2] Simões, Mariana, et al. “Incidence and spatial variation of Parkinson’s disease in the Netherlands (2017–2022): a population-based study.” The Lancet Regional Health–Europe (2026).

[3] https://stichtingagrifacts.nl/ziekte-van-parkinson-veel-risicofactoren-geen-harde-verbanden/

[4] https://stichtingagrifacts.nl/zembla-gebruikt-pesticiden-toets-verkeerd/

[5] Marc Jacobs & Ronald Meester. Van aardbeving tot zoönose: Over de inzet van modellen voor beleid. Walburgpers, 2023.

Deel via:

Waarom natuurorganisatie mest uitrijdt in N2000-gebied

Een wandelaar liep in het bos op de Veluwe en kwam enkele velden tegen die recent waren bemest. Als de overheid roept dat de Veluwe het zo zwaar heeft vanwege stikstof, is het dan niet vreemd dat de natuurorganisatie wel mest mag uitrijden? Deze vraag kwam binnen bij Staf. De redactie zocht het uit.

De wandelaar stuurde enkele foto’s en gaf de coördinaten door van twee percelen waar hij de bemesting had aangetroffen. De redactie bracht daarop een bezoek aan het gebied. De percelen bleken te liggen in Kroondomein Het Loo, een deel van N2000-gebied de Veluwe. Het Kroondomein staat binnen de natuurwereld bekend als een prachtig terrein dat goed wordt beheerd.

De percelen werden dankzij de informatie van de wandelaar gemakkelijk gevonden. Het ging om deels verteerde stalmest, een mengsel van mest en strooisel. De bemeste percelen waren omringd door stikstofgevoelige natuur: heide, eikenbos, bos van arme zandgronden.

Jaarlijkse bemesting wildweides

Om wat voor mest gaat het precies en waarom rijdt de natuurorganisatie deze uit? Deze vraag werd gesteld aan het Kroondomein. “Dat doen we ieder jaar”, vertelt Wout Neutel, rentmeester van het gebied. Het gaat om de mest van de eigen schaapskudde. Deze gescheperde kudde loopt zo’n 8 tot 9 maanden per jaar op de heide en brengt de winter door ‘bij huis’. De schapen worden bijgevoerd. De stalmest wordt in het voorjaar uitgereden op een aantal percelen in het natuurgebied.

“Het gebied is schraal. Daarom hebben wij op het terrein wildweides. Deze worden bemest om aantrekkelijk te blijven voor grote hoefdieren, vooral herten. Anders gaan deze dieren buiten het natuurgebied op zoek naar voedsel, bij boeren in de omgeving. Hiermee houden wij de hoefdieren tevreden en op hun plek.” Niet alleen de hoefdieren, maar ook de insecten, kevers en vogels varen wel bij de bemesting. En de heide? “Ook die reageert er positief op. Hiermee wordt een mat van pijpenstrootje doorbroken.”  

De wandelaar heeft wel een punt. Een extra ‘vogelpoepje’ aan stikstof kan volgens beleidsmakers al teveel zijn voor stikstofgevoelige natuur. Hier gaat het om meer dan dat. De rentmeester weet niet hoe het zit met stikstof. Er wordt een mestboekhouding bijgehouden, maar hoeveel de emissie bedraagt is onbekend. Voor de fauna op het Kroondomein heeft deze bemesting in ieder geval grote waarde.

Het trekkerspoor met verloren restjes stalmest leidt naar een van de wildweides.
Een pas bemeste wildweide in het eiken- en beukenbos.

Deel via:

Nederlandse heide bedroevend, Duitse kerngezond

Aan de Nederlandse kant van de grens ligt de heide er bedroevend bij, aan de Duitse kant is die kerngezond. Dat blijkt uit de natuurdata die Nederland[1] en Duitsland[2] onlangs aanleverden bij de Europese Commissie. Het contrast in natuurkwaliteit kan nauwelijks groter zijn. Stikstof maakt niet het verschil, de berekende stikstofneerslag is aan weerszijden van de grens ongeveer gelijk. Wat doen de Duitsers beter?  

Een jaar of vijf geleden viel het al op: op de kaart van de Europese Commissie kleurt de Nederlandse heide rood en de aangrenzende Duitse heide groen (zie afbeelding). Het gaat in beide gevallen om heide (habitattype 4030) in het Atlantische deel van Europa. Daar valt Nederland onder en ook het aangrenzende noordwesten van Duitsland. Er werden in 2021 Kamervragen over gesteld[3]. Carola Schouten, toenmalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hield het erop dat de Duitse monitoring niet deugde. “Duitsland heeft de lat voor de gunstige referentiewaarden en voor de beoordeling van de kwaliteit lager gelegd dan Nederland en de aanbevelingen van de Europese Commissie.” Volgens Schouten zouden de Duitsers hun rapportage aanpassen, waarna de heidevelden er aan weerzijden van de grens even slecht bij zouden liggen.   

Schouten krijgt nu ongelijk. Onlangs stuurde Duitsland haar nieuwe natuurrapportage naar Brussel. Daaruit blijkt dat de heide in het Atlantische deel van Duitsland wederom de beste natuurscore haalt. Ook Nederland leverde haar zogenaamde artikel 17-databestanden in. In ons land staat de heide er onverminderd slecht op.

Militair beheer Duitsland

Wat verklaart het Duitse succes? Deze keer heeft Duitsland de reden meegestuurd naar Brussel: “Militair gebruik en terreinbeheer hebben overwegend een positieve invloed op de specifieke structuren en functies van dit habitattype.” Duitsland heeft ruim 70 procent van haar militaire oefenterrein – hoofdzakelijk gelegen in heidelandschappen – aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit vanwege de hoge natuurwaarden in deze terreinen. De militaire oefeningen en het bijbehorende terreinbeheer zorgen voor de bodemverstoringen die heide nodig heeft. De open en omgewoelde plekken zijn geliefd bij talrijke dieren en planten. Bedreigde vogelsoorten, zoals de graspieper, de boomleeuwerik, de hop en de nachtzwaluw, evenals insectensoorten zoals de heidesprinkhaan, de zandloopkever en loopkevers, profiteren hier van het speciale beheer. Dat geldt ook voor de zandhagedis en de gladde slang. 

Volgens Duitsland zijn militaire oefenterreinen van grote waarde voor de instandhouding van droge heiden, zandheiden en droge zandgraslanden. Het verdwijnen van militairen uit heideterreinen wordt door onze oosterburen genoemd als een belangrijke risicofactor voor een goede staat van instandhouding.

Defensieterreinen Nederland

Nederland wees vooral terreinen aan van natuurorganisaties als Natura 2000. Er zijn slechts enkele (delen van) defensieterreinen aangewezen, ondanks dat hier ook in ons land hoge natuurwaarden zijn te vinden. De Rijksoverheid schrijft hierover op haar website: “Op Defensieterreinen is veel bijzondere natuur. Bijvoorbeeld kruikmos, valkruid, kleinere broedvogels en de kleine wrattenbijter (een sprinkhaan). Door de bijzondere omstandigheden op oefenterreinen komen deze soorten daar juist voor.”

Verschil in beoordeling kwaliteit

Niet alleen het beheer van de heideterreinen is verschillend, ook de wijze waarop Nederland en Duitsland de heidekwaliteit beoordelen is ongelijk. Nederland kijkt vooral naar het aantal karakteristieke soorten in de heidevelden. Het gaat dan om (bijzondere) soorten planten, insecten, vlinders en vogels. Nederland constateert dat hun aantallen gemiddeld steeds verder afnemen.

Duitsland kijkt op de eerste plaats naar de heide zelf[4]. Alle vier de ontwikkelstadia moeten als een mozaïek te zien zijn in het veld. Een goede kwaliteit toont zich als een lappendeken van de pioniersfase (0-6 jaar: schaarse begroeiing met grote diversiteit aan andere planten), vestigingsfase (7-15 jaar: heide vormt gesloten tapijt, de bloei is op zijn hoogtepunt), volwassenfase (16-25 jaar: heide bereikt maximale hoogte, de veroudering vangt aan), aftakelfase (>25 jaar: de stengels sterven vanuit het midden van de plant af, waardoor ruimte ontstaat voor mossen en korstmossen).

De heide moet volgens de Duitsers voortdurend worden verstoord om >50% van de heideplanten in de eerste drie stadia te behouden. Dat geeft de grootste biodiversiteit. Gebruik door militairen blijkt in de praktijk een goede vorm van beheer te zijn.


[1] https://www.natura2000.nl/rapportage-vogel-en-habitatrichtlijn

[2] Nationaler Bericht nach Art. 17 FFH-Richtlinie (2025), Teil Lebensraumtypen (Teil D). Lrt: 4030: Trockene Heiden, ATL: Atlantische Region.

[3] Eerste Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2020–2021, Wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), Nadere memorie van antwoord, ontvangen 19 februari 2021.

[4] Kriterien für die bewertung des Erhaltungszustandes LRT Trockene europäisische Heiden (4030)

Deel via:

Kans op ziekte van Parkinson afgenomen

In het publieke debat worden gewasbeschermingsmiddelen vaak als dé oorzaak van de ziekte van Parkinson aangewezen. Een recente wetenschappelijke publicatie in The Lancet laat zien dat dit beeld te simplistisch is. Parkinson kent meerdere oorzaken en risicofactoren. Daarbij blijft onderbelicht dat in Nederland de kans om Parkinson te krijgen de afgelopen vijftien jaar juist duidelijk is afgenomen.

Hoewel de Nivel-cijfers geen exact beeld geven van het aantal Parkinsongevallen, bieden zij wel een goede indicatie van trends. Sinds 2011 is het aantal nieuwe diagnoses van parkinsonisme gedaald. Deze afname deed zich vooral voor bij vrouwen; bij mannen bleef het aantal diagnoses vrijwel gelijk. Wanneer wordt gecorrigeerd voor bevolkingsgroei, blijkt dat de kans om door een huisarts te worden gediagnosticeerd met Parkinson of vergelijkbare aandoeningen is gedaald van 1,1 per duizend inwoners in 2011 naar 0,7 per duizend inwoners.
Ook het onderzoek naar regionale verschillen in Parkinsonincidentie laat over de periode 2017–2022 een licht dalende trend zien, gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht. Omdat een deel van deze periode samenvalt met de COVID-19-pandemie, moeten deze cijfers met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Ondanks de dalende incidentie neemt het totale aantal mensen met Parkinson in Nederland nog steeds toe. De belangrijkste verklaring hiervoor is de toegenomen levensverwachting van mensen met de ziekte.

Internationale ontwikkelingen

Vergelijkbare trends zijn zichtbaar in andere landen. Recente onderzoeken in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland laten eveneens een afgenomen kans op een Parkinsondiagnose zien. In Duitsland werd bovendien vastgesteld dat de ziekte gemiddeld op latere leeftijd wordt gediagnosticeerd. Daartegenover staat dat in Noord-Korea en Taiwan de incidentie is toegenomen, evenals in de Verenigde Staten in de periode 1976–2005. In Noorwegen en Frankrijk is de incidentie stabiel gebleven.

Download het uitgebreide artikel hier:

(Foto: Shutterstock)

Deel via:

Ulvenhoutse bos: stikstof amper issue, hondenverbod onnodig

Staatsbosbeheer wil honden weren uit het Ulvenhoutse bos (NBr). Vanwege stikstof. Vanaf komende zomer zijn deze viervoeters niet meer toegestaan in een deel van het bos en op den duur wordt het hele bos gesloten voor honden. Merkwaardig is dat stikstof nauwelijks een rol speelt in dit bos. Dat rapporteerden de Nederlandse autoriteiten aan Brussel. Het bosbeheer is een groter punt van zorg. 

Op een zonnige dag in februari brengt de Staf-redactie een bezoek aan het Ulvenhoutse bos. Dit N2000-gebied ligt tussen Breda en Ulvenhout. De auto kan midden in het bos worden geparkeerd, in habitattype H9120 (beuken-eikenbossen met hulst). “Maar niet lang meer”, zegt een wandelaar met hond. “Honden worden hier straks geweerd, en auto’s ook.”

Volgens Staatsbosbeheer lijdt de kwetsbare natuur hier aan een teveel aan stikstof. Het gebied wordt door veehouderijen en omliggende snelwegen al zwaar belast. Daar kan geen stikstof uit hondenpoep en urine meer bij. Volgens Staatsbosbeheer, de beheerder van het bos, is de impact van hondenpoep en -plas fors. Het zou jaarlijks gaan om zo’n 14.000 kilo poep (ruim 230 kruiwagens) en 25.000 liter plas.

‘Stikstof lage drukfactor’

De grootste bedreigingen van het bos zijn volgens Staatsbosbeheer, naast stikstof, ook verdroging. Ook recreatie is een belangrijke factor. De rapportage over dit bosgebied die Nederland naar de Europese Commissie stuurde, geeft een wat ander verhaal.

De lidstaten zijn verplicht om periodiek verslag te doen aan de Europese Commissie over de stand van zaken in de individuele Natura 2000 gebieden. Daarbij moet onder meer worden aangegeven wat de grootste bedreigingen en drukfactoren. De Nederlandse rapportages zijn opgesteld door wetenschappers van Wageningen UR en enkel verkrijgbaar bij de Europese Commissie.

De rapportage over het Ulvenhoutse bos vermeldt dat stikstof een ‘lage’ drukfactor vormt. En dus geen ‘grote’, zoals Staatsbosbeheer de hondenbezitters wil laten geloven. De wijze waarop het bos wordt beheerd – ‘forest replanting’ – is een grotere zorg. Wat er precies wordt bedoeld met ‘forest replanting’ – gebrek aan aanplant of verkeerde aanplant – vermeldt de Brusselse rapportage niet.

Ook de waterwinningen zijn een ‘medium’ drukfactor. Er liggen drie drinkwaterwinningen in de buurt van het Ulvenhoutse Bos: Ginneken, Prinsenbosch en Dorst. Deze zorgen voor een daling van de waterstanden van 10 tot ruim 25 cm.

Reactie Staatsbosbeheer

Waarom is stikstof volgens Staatsbosbeheer een groot probleem, terwijl Wageningse onderzoekers aan Brussel rapporteerden dat stikstof weinig rol van betekenis speelt? En wat gaat er mis met het bosbeheer?

Volgens de woordvoerder van Staatsbosbeheer is de stikstofneerslag volgens Aerius Monitor veel hoger dan wat het bos aankan. “Daardoor hebben de planten in het bos het moeilijk. In het gebiedsproces zijn daarom alle stikstofbronnen in beeld gebracht om te onderzoeken in welke mate lokale maatregelen kunnen helpen om de belasting terug te dringen.” (Het Aerius-rekenmodel is ongeschikt voor gebruik op lokale schaal. De onzekerheden zijn te groot, red.)

De bosbeheerder is ook aan de slag gegaan met de verdroging van het bos. “We namen de afgelopen jaren al veel maatregelen om de waterhuishouding te herstellen. Die is nu grotendeels op orde. Gelukkig zien we voorzichtige vooruitgang door de beheermaatregelen die we treffen.”

Over wat er mis gaat met het beheer kan Staatsbosbeheer niks zeggen. De natuurbeheerder kent de rapportage aan de Europese Commissie niet en raadt aan contact op te nemen met de opsteller.

Extra grond voor extra bos

Staatsbosbeheer en Provincie Noord-Brabant hebben plannen met het Ulvenhoutse bos. “Onze ambitie is dat er een groot losloopgebied terugkomt, buiten het beschermde Natura2000-gebied. Een belangrijk onderdeel van het gebiedsplan is namelijk de aanleg van nieuwe groene gebieden aan de randen van het bos. Deze gebieden dienen als buffer voor de kwetsbare natuur in het bos. Daarmee ontstaat ruimte voor een nieuw hondenlosloopgebied.”

Ook in het N2000-gebied blijven honden welkom. “Je kunt straks nog steeds met je hond een mooie grote ronde wandelen. Alleen dan wel aangelijnd en de poep moet je opruimen. Tevens blijft er een klein deel van het bos beschikbaar als losloopgebied.”

Deel via:

UPLG-avond in Wilnis: focus op water en memorandum Bakker

De avond van LTO Noord over het UPLG in Wilnis op 28 januari 2026 was druk bezocht. Tijdens deze avond was er veel aandacht voor de waterkwaliteit en het zojuist verschenen memorandum van de Utrechtse gedeputeerde Bakker over dit onderwerp. Staf is gevraagd een presentatie te verzorgen. Deze is hieronder te downloaden.

Goed nieuws

Het UPLG heeft een forse wateropgave neergelegd in Noordwest-Utrecht. Vooral de fosfornormen worden niet gehaald. Omdat er gebruik is gemaakt van de gegevens in 2024, ligt hier de oude bronnenanalyse onder. In een bronnenanalyse staat welke bron welk aandeel heeft in de vervuiling. Volgens de oude analyse heeft de landbouw een flink aandeel. Medio 2025 verscheen een nieuwe bronnenanalyse, waaruit blijkt dat de achtergrondconcentratie (waar de landbouw niks aan kan doen) hoger is dan gedacht. En het aandeel nutriënten dat uit de landbouw komt, lager. Er zijn complimenten voor waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor het laten uitvoeren van de bronnenanalyse. Een bestuurder van dit schap bevestigt dat onder het UPLG de oude gegevens liggen. Provincie Utrecht heeft inmiddels bevestigd dat het aandeel van de landbouw in dit gebied klein is.

Wanneer de achtergrondconcentratie hoger is dan verwacht, zouden de normen echter opnieuw afgeleid moeten worden. Mogelijk leidt een hoge achtergrondconcentratie ertoe dat normen onhaalbaar zijn. Het waterschap in provincie Flevoland – waar hetzelfde aan de hand is – is momenteel druk doende de normen opnieuw vast te stellen. Gebeurt dat ook bij Amstel, Gooi en Vecht? De bestuurder van dit schap antwoordt dat het ook hier op de agenda staat.

Memorandum gedeputeerde Has Bakker

De Utrechtse gedeputeerde Has Bakker kwam op 26 januari 2026 met een memorandum. Daarin gaat hij in op kritiek op het UPLG. Ook op 15 januari kwam de provincie al met een memorandum, waarin ingegaan werd op kritiek. Deze tussentijdse reacties op kritiek zijn merkwaardig aangezien er momenteel een zienswijzeprocedure loopt waarin de provincie de kritieken verzameld. Bakker stelt in zijn memorandum dat het halen van de KRW-doelen vraagt om extra inzet op meerdere terreinen. Hij gaat daarmee voorbij aan de nieuwe bronnenanalyse en de daaraan gekoppelde mogelijkheid om normen te herijken. Ook geeft hij hiermee blijk van het niet willen afwachten van de zienswijzen. De bestuurder van Amstel, Gooi en Vecht wil weinig kwijt over de inhoud van de zienswijze die het waterschap voornemens is in te dienen.

Bakker stelt in zijn memorandum vervolgens dat een oppervlaktewater volgens de Nitraatrichtlijn op ‘groen’ kan staan en volgens de Kaderrichtlijn Water op ‘rood’. Dat klopt, maar daarmee gaat Bakker voorbij aan de kritiek op het UPLG. De kritiek is dat de nutriëntenbeoordelingen (stikstof en fosfor) voor beken aan de oostzijde van Utrecht in Brussel op ‘groen’ staan terwijl deze beken ‘rood’ scoren op nutriënten in het UPLG. Het gaat enkel om de beoordeling van nutriënten; dat is relevant voor de landbouw.

Natuurkwaliteit en stikstof

Nederland levert periodiek gegevens aan in Brussel over de individuele natuurgebieden. Het gaat ook om gegevens over de mate van instandhouding. Wat opvalt is dat deze rapportages een gunstigere trend laten zien van de Utrechtse natuurgebieden, dan het veelgehoorde ‘de natuur staat op omvallen’. Aan de Europese Commissie is gevraagd of de trend (verbetering, stabiel, verslechtering) kan worden afgeleid uit deze rapportages. Volgens de woordvoerder van de Commissie kan dat. Wel moet gecheckt worden of er mogelijk andere oorzaken zijn van veranderingen, zoals: een betere telling of verandering van onderzoeksmethode.

De EU-trends in Utrechtse natuurgebieden werden eerder getoond tijdens een bijeenkomst in Vianen. Provincie Utrecht heeft daarop laten weten niet blij te zijn met de rapportages aan Brussel. “Het is kwalijk dat het Rijk verouderde gegevens heeft aangeleverd.” De provinciale natuurdoelanalyses zijn er niet in meegenomen.

Download de presentatie

Deel via:

Onderzoekers komen met kritische reflectie op UPLG-memorandum Provincie Utrecht

Provincie Utrecht heeft een memorandum opgesteld, met daarin kritiek op rapporten van zelfstandig onderzoeker Wouter de Heij en hoogleraar Ronald Meester. Ook heeft de provincie kritiek op de lezing van Geesje Rotgers, onderzoeksjournalist bij Agrifacts, gehouden tijdens een bijeenkomst van Agractie, NMV en NFO eerder deze maand. Meester, De Heij en Rotgers hebben zich – onafhankelijk van elkaar – beschouwend uitgelaten over onderdelen van het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) of die het UPLG raken. Meester, De Heij, Rotgers en Jaap Hanekamp schreven een kritische reflectie op het UPLG-memorandum van de provincie.

Opvallend is dat Provincie Utrecht middels een memorandum haar kritiek uit op het werk van genoemde personen, maar deze kritiek niet met deze mensen heeft gedeeld. Wel werd het memorandum verstrekt aan derden. Deze deelden het stuk, met instemming van de provincie, alsnog met Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp. Ook de Commissie Hordijk, waar Hanekamp deel vanuit maakte, komt in het memorandum voorbij.

Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp schreven een kritische reflectie op het memorandum, waarin een reeks stellingen van de provincie werden weerlegd. “Het Utrechts Programma Landelijk Gebied is samenvattend niets anders dan wat de auteur Juvenal (c. 60 – 25 c. 140 A.D.) als volgt omschrijft: Hoc volo, sic iubeo, sit pro ratione voluntas – Ik zal dit laten doen, dus ik beveel dat het gedaan wordt; laat mijn wil het weloverwogen oordeel vervangen.”

Provincie Utrecht heeft niet alleen kritiek op het werk van genoemde personen, maar óók op het Rijk. Deze zou verouderde natuurgegevens naar Brussel hebben gestuurd, waardoor er bij de Europese Commissie een gunstiger natuurbeeld bestaat dan uit de provinciale natuurdoelanalyses blijkt. We kunnen dus niet vertrouwen op gegevens die door de Nederlandse autoriteiten worden aangeleverd in Brussel.

Meester, De Heij, Rotgers en Hanekamp adviseren Provincie Utrecht om hun reflectie met bijgeleverde literatuur tot zich te nemen en op inhoud te beoordelen, en kritiek erop in het openbaar te bespreken met de auteurs.

Reflectie en memorandum

Download hier de kritische reflectie op het memorandum van Meester / De Heij / Rotgers / Hanekamp

Download hier het memorandum van Provincie Utrecht:

(Foto: Shutterstock)

Deel via:

Provincie Utrecht legt forse extra wateropgave neer bij landbouw

Provincie Utrecht legt met het UPLG (Utrechts Programma Landelijk Gebied) een forse wateropgave neer bij de landbouw. Eind vorig jaar werd het pakket online gezet. Met alarmerende kaarten wordt getoond waar grote opgaven liggen. In dit artikel worden enkele gebieden met een grote wateropgave onder de loep genomen. Wat opvalt is dat er gebruik wordt gemaakt van verouderde cijfers, strengere normen en een wijze van beoordelen die afwijkt van de Europese.

“Voor het thema water en bodem richten we ons in het Ontwerp-UPLG allereerst op schoon water waarbij we te maken hebben met de Europese Kaderrichtlijn Water waar we in 2027 aan moeten voldoen. We verbeteren de waterkwaliteit door minder gebruik te maken van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en door sloten en oevers meer natuurvriendelijk in te richten en te beheren”, aldus Provincie Utrecht in het UPLG. Een grote wateropgave ligt in Noordwest-Utrecht – zo toont de provincie met enkele kaartjes. Hier wordt de gewenste waterkwaliteit bij lange na niet gehaald. Dat geldt voor beide nutriënten: stikstof en nog meer voor fosfor.

Oude cijfers

De opgave in Noordwest-Utrecht ligt voor een aanzienlijk deel bij de landbouw. Dit is het gevolg van een bronnenanalyse uit 2016 (gebaseerd op gegevens van onder meer 2010-2013). De nieuwe bronnenanalyse liet bijna 10 jaar op zich wachten en kwam medio 2025 naar buiten. Daarin komt Wageningen Universiteit tot de conclusie dat er nutriënten in Noordwest-Utrecht ten onrecht aan de landbouw waren toegeschreven; deze zijn het gevolg van natuurlijke processen, zoals kwel. Inmiddels zijn de landelijke kaarten met stikstof- en fosforopgaven voor de landbouw aangepast[1]. Deze kaarten kleuren nu groen in Noordwest-Utrecht; zie afbeeldingen. Nu natuurlijke processen een groter aandeel hebben als gedacht, had Noordwest-Utrecht niet opgevoerd hoeven te worden als gebied met een grote wateropgave.

Figuur 1. Fosfor in oppervlaktewater: de opgave volgens het UPLG (links) en voor de landbouw (oud, bronnenanalyse 2016) en na herziening (nieuw, bronnenanalyse 2025).

Figuur 2. Stikstof in oppervlaktewater: de opgave volgens het UPLG (links) en voor de landbouw (oud) en na herziening (nieuw).

Provincie Utrecht houdt vast aan normen

De kwestie wordt voorgelegd aan Provincie Utrecht. Deze laat weten vast te houden aan de gestelde normen voor stikstof en fosfor, deze worden nu niet gehaald. De provincie zegt hiermee in feite geen rekening te houden met de onderschatte natuurlijke achtergrondconcentratie. Dit betekent automatisch dat de provincie een grotere wateropgave creëert dan noodzakelijk. En die grotere opgave wordt neergelegd bij het platteland, oftewel de landbouw.

Hoge achtergrondconcentraties kunnen bovendien de reden zijn dat normen onhaalbaar zijn. Normen worden zelfs niet gehaald als alle agrarische activiteiten uit het gebied worden gesaneerd. In Noordwest-Utrecht is dit risico extra aan de orde omdat waterschap en provincie hier voor een groter aantal wateren strengere normen hebben gesteld dan de maatlatwaarden (landelijke advieswaarden). Enkele voorbeelden: voor de Vecht (watertype M7b) zijn de maatlatwaarden ≤ 0.25 mg P/l en ≤ 3.8 mg N/l. Waterschap en provincie scherpten de normen fors aan: ≤ 0.09 mg P/l en ≤ 1.6 mg N/l. Voor de Amstellandboezem (watertype M6b) zijn de maatlatwaarden ≤ 0.25 mg P/l en ≤ 3.8 mg N/l. Waterschap en provincie kiezen voor een strengere norm: ≤ 0.17 mg P/l en ≤ 2.5 mg N/l.

Flevoland: zelfde problematiek, andere aanpak

In provincie Flevoland speelt momenteel hetzelfde, maar hier gaat de overheid er anders mee om. Ook in delen van Flevoland is Wageningen UR recent tot de conclusie gekomen dat er nutriënten onterecht waren toegerekend aan de landbouw. Deze blijken voort te komen uit natuurlijke processen waar de landbouw niks aan kan doen. In Flevoland wordt momenteel gewerkt aan een aanpassing van de waterdoelen; de doelen mogen worden bijgesteld als er sprake is van natuurlijke achtergrondconcentraties.

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht – dat samen met Provincie Utrecht verantwoordelijk is voor de waternormen in Noordwest-Utrecht – bevestigt dat zij een nieuwe bronnenanalyse heeft laten uitvoeren. Ook wordt bevestigd dat de landbouw daarin veel minder aandeel heeft in de belasting van het water met nutriënten dan gedacht en dat de nieuwe gegevens niet zijn gebruikt voor het UPLG. Een bestuurder van dit schap geeft aan hier werk van te willen maken, naar het voorbeeld van Flevoland.

Beken bij EU op groen, in UPLG grote opgave

Provincie Utrecht wil de uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar een reeks beken in het oosten van de provincie verminderen. Het gaat om de volgende beken: Lunterse Beek, Heiligenbergerbeek, Modderbeek, Middenloop- en Benedenloop Barneveldse Beek, Esvelderbeek, Moorsterbeek en Hoevelakense Beek.

Merkwaardig is dat de meeste van deze beken volgens de Europese Commissie al geruime tijd voldoen aan de nutriënteneisen. Dat blijkt onder meer uit het Landenrapport van februari 2025 van de Europese Commissie, over de voortgang van de Kaderrichtlijn Water in Nederland.  Wel is er in enkele beken een normoverschrijding met het bestrijdingsmiddel imidacloprid[2], maar dit middel is sinds 2018 verboden in de land- en tuinbouw. Het mag wel gebruikt worden door particulieren. Waarom een forse opgave neerleggen bij de landbouw vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water, als volgens Europa in deze beken de landbouwdoelen helemaal (of goeddeels) worden gehaald?

Volgens Provincie Utrecht zit er een verschil in de beoordelingsmethode voor de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. De Europese beoordelingen zouden volgens de provincie gaan over de Nitraatrichtlijn. Deze stelling van de provincie blijkt niet te kloppen, de Europese Commissie gaat in beide rapportages eender te werk. Provincie Utrecht zegt voor de Kaderrichtlijn Water de Nederlandse beoordelingswijze toe te passen. Dat de doelen niet worden gehaald in deze beken komt onder meer door ‘specifiek verontreinigende stoffen’.  Dat laatste klopt, maar deze specifieke stoffen komen dan weer niet uit de landbouw.

Hier is sprake van een discrepantie tussen de Europese en Utrechtse beoordelingsmethode van nutriënten. (De methode die Provincie Utrecht toepast, wordt in meer provincies gehanteerd, echter niet in alle). Het UPLG verwijst veelvuldig naar de Europese Kaderrichtlijn Water. Je zou dan mogen verwachten dat de Europese beoordelingsmethode wordt gevolgd.

Conclusie

Europa hanteert het principe dat de vervuiler verantwoordelijk mag worden gesteld voor de eigen bijdrage. We zien in het UPLG dat deze benadering niet wordt gevolgd. Er wordt een hogere wateropgave neergelegd bij de landbouw, dan waarvoor deze verantwoordelijk is.


[1] Notitie implementatie 8e actieprogramma aandachtsgebieden, oktober 2025, ministerie van LVVN.

[2] Bestrijdingsmiddelenatlas 2022-2024

Deel via:

Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat

Als het gaat over pesticiden die schadelijk zijn voor het milieu, wordt al gauw naar de land- en tuinbouw gekeken. Onterecht, zo blijkt uit een rondje shoppen. Maar liefst vier pesticiden uit de Top 25 meest problematische middelen koop je gewoon bij het Kruidvat. En bij speciaalzaken en op internet blijkt nog veel meer te koop.

Hoe gemakkelijk kunnen burgers pesticiden kopen, die riskant zijn voor het milieu? De redactie van Staf neemt de proef op de som. Wij nemen de Top 25 van meest problematische middelen volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas (download artikel met lijst onderaan de pagina). Dit zijn middelen die momenteel de meeste en hoogste normoverschrijdingen laten zien in het oppervlaktewater in Nederland. Wij gaan met dit ‘boodschappenlijstje’ naar de winkel.

Kruidvat

Eerst naar het Kruidvat. Bij het schap met bestrijdingsmiddelen voor huis, tuin en huisdier, kunnen al vier pesticiden van ons boodschappenlijstje worden geshopt. We kopen hier een busje anti-mierenpoeder met het pesticide lambda-cyhalotrin. Deze stof staat op plek 20 in de lijst met grootste probleemstoffen op dit moment. We scoren bij het Kruidvat ook een spuitbus met het pesticide permethrin, tegen kruipende insecten en wespen. Permethrin staat op plek 8 in de lijst. Bij deze drogist halen we tevens een flacon anti-insect waarin het pesticide N,N-diethyl-M-toluamide (DEET) is verwerkt. DEET staat op plek 14. Tot slot nemen we voor de hond nog een spot-on mee tegen vlooien, teken en bijtende luizen. Hier doet het pesticide fipronil het ongedierte dodende werk. Fipronil vinden we op plek 2. Fipronil is nagenoeg het meest problematische pesticide voor het watermilieu op dit ogenblik. Een minieme hoeveelheid fipronil is al voldoende om een normoverschrijding te veroorzaken. Als een dier dat met fipronil is behandeld in een sloot springt, brengt dat de fipronilconcentratie meteen boven de norm.

Het is opvallend dat je dergelijke riskante producten zonder meer bij een drogist kunt kopen. Wanneer je aspirine koopt, dan is de winkel verplicht daar een gebruiksadvies bij te leveren. Standaard krijg je de vraag of je bekend bent met het product. Bij pesticiden die grote impact kunnen hebben op het milieu, krijg je die vraag niet. Het wordt zonder meer verkocht.

Top 25 probleemstoffen

Zeven van de 25 grootste probleemstoffen in ons water blijken gewoon te koop in de winkel. Zes stoffen blijken uit de handel en niet meer te koop. De overige 12 producten zijn alleen verkrijgbaar voor professionele gebruikers.

Het artikel ‘Riskante pesticiden gewoon te koop bij Kruidvat’ verscheen in het STAF-blad van december 2025. Het is hieronder te downloaden.

Deel via: