Vorig jaar ontstond veel ophef over de vondsten van dinoterb, een onkruidverdelger die al 30 jaar verboden is. Niet illegaal gebruik in de bollenteelt was de oorzaak – zoals milieuorganisatie MOB meende – maar het laboratorium van het waterschap. Het gaat om vals positieve uitslagen. De stof is er niet, maar toch slaat het analyseapparaat positief uit. Staf constateert er bij meer verboden bestrijdingsmiddelen sprake lijkt van vals positieve uitslagen.
Naast dinoterb werden in de Noordhollandse wateren meer bestrijdingsmiddelen aangetroffen die al decennia verboden zijn. Deze kregen in de media minder aandacht. Het gaat om: fenchloorfos, bromofos-ethyl, bromofos-methyl en tetrachloorfinfos.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft de dinoterb-vondsten inmiddels uit haar registratiesysteem geschrapt. Nadat was gebleken dat het om vals positieve uitslagen gaat en de stof dus niet werkelijk in het water zat. De andere verboden middelen vinden we wel terug in registratiesysteem Aquadesk. Staf constateert dat vals positieve laboratoriumuitslagen ook hier de meest aannemelijke oorzaak is. De vier oude middelen worden sporadisch aangetroffen, in zo’n 2 procent van de watermonsters. Zeer opvallend is echter dat deze vier stoffen bijna altijd samen worden aangetroffen in hetzelfde monster. Dit wijst op een laboratoriumfout. Fenchloorfos werd in de periode 2022 – 2025 in totaal 14 keer gevonden. Bijna altijd werd in hetzelfde monster ook bromofos-ethyl, bromofos-methyl en tetrachloorfinfos aangetoond.
Staf heeft haar analyse voorgelegd aan het waterschap met verzoek om een reactie. “Dit fenomeen bij deze stoffen is ons ook opgevallen en we zijn een nadere analyse gestart om te verklaren hoe dit komt”, reageert het waterschap.
Afbeelding: Vindplaatsen fenchloorfos (Bron: Bestrijdingsmiddelenatlas).
Onderzoeker Marc Jacobs spitte afgelopen maanden wetenschappelijke studies door over de ziekte van Parkinson. Heel veel studies, maar liefst 885, wereldwijd en over een periode van 65 jaar. Jacobs ging op zoek naar de veroorzakers van de ziekte. Of eerder de factoren die een verhoogd risico geven op de ziekte. Wat vertellen die studies?
Jacobs is data-wetenschapper en gespecialiseerd in epidemiologische studies. Hij bestudeerde alle studies over de ziekte van Parkinson, die waren gebruikt voor meta-analyses. In een meta-analyse worden resultaten van meerdere losse studies over hetzelfde onderwerp statistisch gecombineerd tot één grote studie. Hij keek specifiek naar de risico’s, de onderzoeksopzet en de uitkomsten. In de 885 studies werden in totaal ruim 100 risicofactoren voor de ziekte van Parkinson belicht, zoals: pesticiden, diabetes, roken, cholesterol, alcohol, maag-en darmproblemen en overgewicht.
Hij schreef zijn bevindingen op in twee rapporten:
Het risico op parkinson vanuit de epidemiologie. Waarom epidemiologisch-onderzoek naar parkinson met gepaste voorzichtigheid dient te worden benaderd.
Het risico op parkinson door glyfosaat: een meta-analyse. Waarom gecombineerd epidemiologisch-onderzoek onvoldoende is om beleid te informeren.
Beide rapporten zijn onderaan dit artikel te downloaden.
Ziekte van Parkinson
“De ziekte van Parkinson is voor wetenschappers een hele lastige ziekte om te onderzoeken. Dat komt omdat het wel 20 tot 30 jaar duurt voordat de ziekte zich manifesteert”, begint Jacobs.
Pesticiden kregen tussen 2010 en tot voor kort veel aandacht in de wereldwijde studies naar de oorzaken van de ziekte van Parkinson. “De laatste tijd zien we dat de aandacht verschuift. Wereldwijd nemen de onderzoeken naar pesticiden als risicofacto relatief gezien af. Steeds vaker wordt er gekeken naar diabetes als risicofactor, of naar sporenelementen zoals ijzer.”
Pesticiden kregen in de jaren 90 de meeste aandacht. De reden is dat een groep jongeren een decennium eerder Parkinsonachtige verschijnselen kreeg nadat zij zichzelf hadden ingespoten met een drug die gelijkenis had met pesticide. Dit incident legde bloot wat er gebeurt in de hersenen bij de ziekte van Parkinson. De focus kwam zo op pesticiden te liggen als risicofactor. Pesticiden waren overigens niet de grootste risicofactor die Jacobs op het spoor kwam. Dat was constipatie. “Deze risicofactor is het grootste. Het is de wetenschappers echter niet gelukt om erachter te komen of constipatie de kans op de ziekte van Parkinson vergroot, of dat dit een eerste symptoom is van de ziekte die al in een erg vroeg stadium optreedt. Ook depressie zag hij keer op keer terugkomen als risicofactor, maar ook hier is het mogelijk dat we te maken hebben met een vroege indicatie voor parkinson. Dit laat zien hoe ingewikkeld het onderzoek naar deze ziekte is.”
Parkinsons geen ‘man made disease’
Volgens professor Bas Bloem is de ziekte van Parkinson voor een groot deel een ‘man-made disease’. Bloem is neuroloog bij het Radboud UMC en is veelvuldig te zien in de media, waar hij alarm slaat over de ziekte. In de grote hoeveelheid studies heeft Jacobs hiervoor geen hard bewijs kunnen vinden. “Veel literatuur wijst naar de epigenetica als oorzaak. Dit betekent dat er een genetische oorzaak is, in combinatie met omgevingsfactoren, die zelf weer kunnen inspelen op de genen van een persoon. Sommige mensen hebben dus meer ‘aanleg’ om door een omgeving geraakt te worden, maar wie dat zijn is hoogst onduidelijk. Deze wisselwerking tussen genen en omgeving zien we in veel ziekten terug.”
Risico’s echt klein
“Als we in wetenschappelijke studies kijken naar de risicofactoren bij longkanker, dan steekt roken er met kop en schouders bovenuit”, vertelt Jacobs. “De studies voor longkanker en roken laten odds ratio’s zien van 50 tot wel 100.” Dit betekent dat roken de kans op longkanker met een factor 50 tot wel 100 verhoogt.
Maar hoe zit dat bij de ziekte van Parkinson? “Er is bij deze ziekte geen enkele risicofactor die er met kop en schouder bovenuit steekt. Ook pesticiden niet. Voor pesticiden vinden we gecombineerde odds ratio’s van 1,0 tot 1,3. Daarbij moet worden vermeld dat de onzekerheden rondom deze odds ratio’s groot zijn. De effecten die we zien van pesticiden bij het ontstaan van de ziekte van Parkinson zijn daarmee echt klein. Als pesticiden echt een belangrijke oorzaak zijn, dan zouden deze er met kop en schouders bovenuit moeten steken bij de risicofactoren. Net als bij roken en longkanker. Maar dat is niet zo. Ironisch genoeg springt roken er wederom relatief sterk uit, maar deze keer als beschermende factor.”
Glyfosaat
Jacobs was verrast dat er zo weinig studies zijn naar het verband tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. “Ik had verwacht in de literatuur een groot effect te vinden van deze stof op de ziekte. Aangezien hiervoor veel aandacht is bij media en politiek. Alle glyfosaatstudies in relatie tot parkinson zijn gedaan in de Verenigde Staten. Het aantal is beperkt. De studies laten weinig tot geen verband zien tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. “De hoeveelheid aandacht die er is voor glyfosaat en parkinson staat in geen verhouding tot de uitkomsten van de studies. En in geen verhouding tot de roep om een verbod.”
Jacobs vraagt media voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies uit één studie ’die past’. Je moet alle relevante studies in ogenschouw nemen. Als er een duidelijk verband is, dan komt zo’n risicofactor in meer studies boven. Ook moet je goed kijken naar de onderzoeksmethode. Als je pesticide in hoge dosis inspuit, kun je parkinson-symptomen krijgen. Dat wil niet zeggen dat het gebruik van het pesticide in het veld daarmee direct een risico is op de ziekte van Parkinson.
Jacobs vraagt media ook voorzichtig te zijn met het extrapoleren van dierproeven naar mensen. Mensen zijn geen ratten of muizen. Proefdierstudies leggen mechanismen voor het ontstaan van ziekten bloot, niet het risico voor mensen.
Risicofactoren
Jacob zette de risicofactoren die hij vond in de 885 wetenschappelijke studies op een rij, alsmede de grootte van die risico’s. In de tabel de belangrijkste risico’s voor de ziekte van Parkinson, alsmede beschermende factoren. Let op: de grootte van alle risico’s, alsook van de beschermende factoren is klein en niet elke risicofactor bleek uiteindelijk statistisch significant te zijn
Top 10 risico’s op ziekte van Parkinson
Top 10 beschermende factoren tegen ziekte van Parkinson
1.
Constipatie
Roken
2.
Depressie
Koffie
3.
Angststoornissen
Cafeïne
4.
Maaginfectie Heliobacter pylori
Medicijnen tegen hoge bloeddruk (calcium blockers)
5.
Trauma aan het hoofd
Zink
6.
Pesticiden
Vet
7.
Leven in landelijk gebied
Alcohol
8.
Melanoom (huidkanker)
Ontstekingremmende pijnstillers (NSAID)
9.
Chronische darmontsteking
Vitamine A
10.
Infecties
Koper
Rapporten downloaden
Het risico op parkinson vanuit de epidemiologie. Waarom epidemiologisch-onderzoek naar parkinson met gepaste voorzichtigheid dient te worden benaderd. Door Dr. Marc Jacobs, MSJ Advies B.V.
Het risico op parkinson door glyfosaat: een meta-analyse. Waarom gecombineerd epidemiologisch-onderzoek onvoldoende is om beleid te informeren. Door Dr. Marc Jacobs, MSJ Advies B.V.
Onderzoeker Jaap Hanekamp constateert dat het gebruik van het voorzorgsbeginsel door rechters maatschappij ontwrichtende vormen begint aan te nemen. Rechters lopen naadloos mee met paniekverhalen over ‘giftige’ stoffen van NGO’s en burgers. Hanekamp is gepromoveerd in de chemie en promoveerde in 2015 voor de tweede keer op het voorzorgsbeginsel.
Met verbazing slaat Jaap Hanekamp de oordelen van rechters over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gade. “Rechters snappen niks van chemie, zij snappen niks van de betekenis van data en statistiek.” Op 22 juli 2025 was er opnieuw een uitspraak. Het gerechtshof in Den Bosch deed uitspraak in een hoger beroep waarbij een verbod werd geëist op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij een woonwijk. Hoewel de rechter vond dat het voorzorgsbeginsel hier niet als grondslag kon dienen, werden de elementen uit dit beginsel toch toepast in het oordeel. Erger nog, de boer in kwestie werd zelfs een onrechtmatige daad verweten die alleen begrepen kan worden vanuit het voorzorgdenken.
Het voorzorgsbeginsel
Het voorzorgsbeginsel werd geïntroduceerd in het bestuursrecht. Dit beginsel geeft de overheid een handvat om te kunnen ingrijpen ook als er nog onvoldoende kennis van gevaren en risico’s van bepaalde producten en processen beschikbaar is.
Het heeft Hanekamp verrast dat het voorzorgsbeginsel nu ook toegepast mag worden in het civiele recht. Rechters hebben met hun uitspraken daarvoor de weg geopend. Burgers kunnen het voorzorgsbeginsel gaan aangrijpen tegen andere burgers. “Als je vermoedt dat je buurman iets doet wat jou schade kan berokkenen, en het lukt je niet om daarvoor bewijs op tafel te leggen, dan kan je een beroep doen op het voorzorgsbeginsel. Het is een nieuw wapen binnen onze samenleving.”
Angsten voor risico’s
“Wanneer rechters meegaan in de angsten van burgers, creëer je een samenleving die elkaar niet meer vertrouwt en elkaar te lijf gaat met het voorzorgsbeginsel. Je creëert een wildwest aan juridische procedures.” Hanekamp constateert dat de rechter steeds verder gaat op dit pad. Op 22 juli 2025 was er een uitspraak in een zaak tegen een lelieteler in Limburg. De boer wordt daarin een onrechtmatige daad verweten omdat de boer iets gedaan heeft (gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) dat mogelijk gevaar kan opleveren voor anderen. Is er hard bewijs voor dat het gevaar oplevert? Nee! Is er angst voor dat het gevaar oplevert? Ja! Hanekamp vindt dat de rechter de boer geen ‘onrechtmatige daad’ had mogen verwijten. Immers, overheden eisen van producenten van gewasbeschermingsmiddelen dat zij de voorgeschreven onderzoeken uitvoeren naar de veiligheid van hun producten. Dat is volkomen terecht! Je kunt niet zomaar alles op de markt ‘smijten’. De boer die de middelen vervolgens gebruikt, moet erop kunnen vertrouwen dat de overheid de middelen voldoende heeft laten onderzoeken. Immers, dat kan de boer zelf niet.”
‘Alle gevaren’ onderzoeken onmogelijk
Elke chemische stof van natuurlijke of synthetische oorsprong kan op veel manieren gevaarlijk zijn. Hoe onderzoek je dat? Hoe onderzoek je het mogelijke risico op bepaalde ziekten, waarbij allerlei factoren een rol spelen? Dat kan helemaal niet. Er bestaat geen onderzoek waarmee je ieder risico uitsluit. Betekent dit dat we het gebruik van iedere stof voortaan gaan verbieden omdat niet ieder mogelijk risico in kaart is? “De rechter weet niet half welke chemische stoffen in producten, met name voedingsmiddelen, zitten. En dan heb ik het over natuurlijke inhoudsstoffen van voedsel, waar voedsel uit bestaat. Waar ligt de grens van wat onderzocht moet worden? Een rechter die dan maar oordeelt dat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden, en daarom het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, oordeelt populistisch.
Het voorzorgsbeginsel aanroepen bij alles wat je niet weet, leidt tot een oneindig universum aan mogelijke gevaren. Echt oneindig. In de praktijk zien we hoe rechters daarmee omgaan: zij springen door het hoepeltje van de angstige burgers, gesteund door NGO’s.
Hoe kom je uit de angstcultuur?
Hanekamp is resoluut: “Rechters zouden een cursus toxicologie en chemie moeten volgen. Zij hebben nu geen idee van stoffen. Daarnaast zouden rechters zich moeten verdiepen in de bewijsvoering. Het is al veel langer bekend dat epidemiologie, dat zo geliefd is bij onderzoekers, geen vorm van bewijs levert. We zien dat rechters onvoldoende kennis hebben van onderzoeksmethodieken en het gebruik van statistiek.
Verder zien we dat overheden heel veel geld uittrekken voor onderzoeken naar risico’s van menselijke activiteiten. Dat zorgt voor een stevige bias in het onderzoek. Rechters denken dan gemakkelijk dat de grote berg aan publicaties over een onderwerp synoniem is aan de omvang van de problematiek. Zij kijken echter niet naar de uitkomsten van die studies, waarin het verband vaak zwak of zelfs helemaal afwezig is. “Rechters hebben de klok horen luiden, maar weten niet waar de klepel hangt. Maar zij zijn ook niet geïnteresseerd in waar de klepel hangt, want zij horen de klok toch luiden?”
De nieuwe rechtbanktroef: ‘cocktail van middelen’
Individuele gewasbeschermingsmiddelen worden op een scala aan eigenschappen onderzocht. Dat geldt echter niet voor combinaties van middelen. In theorie kan dus voor elke combinatie aan middelen een beroep worden gedaan op het voorzorgsbeginsel. En dat is wat we in de praktijk zien gebeuren. Is het terecht om meer angst te hebben voor de zogenaamde cocktails aan middelen? Hanekamp wijst die gedachte resoluut van de hand. “Kijk eens naar de grote hoeveelheid verschillende toxische stoffen die, van nature, in ons eten zitten. Het is niet de stof, maar de dosis die bepaalt of een stof toxisch is. In de voedingswereld geldt het advies: eet niet te veel en eet divers. Divers eten betekent automatisch dat je veel meer verschillende stoffen binnenkrijgt die in hogere dosis toxisch zijn. Maar mensen zijn heel goed in staat een groot aantal verschillende toxische stoffen te nuttigen, mits de concentraties per stof laag blijven.
Beoordelingskader ontbreekt
Hanekamp promoveerde in 2015 op het voorzorgsbeginsel. Hij geeft aan de huidige opstelling van rechters in civiele procedures niet te hebben zien aankomen. “Rechters gaan mee met iedere gril van de burger. Dit is een nieuwe benadering van het voorzorgsbeginsel. Hij snapt goed dat NGO’s deze route hebben gekozen. “NGO’s maken gebruik van het ontbreken van een beoordelingskader bij de rechtelijke macht. Zij krijgen hun zin van de rechter wanneer zij het over deze boeg gooien.” Hanekamp vindt het een zorgelijke ontwikkeling. “Rechters ondermijnen met hun uitspraken het vertrouwen in de medemens, het vertrouwen in ons voedsel, het vertrouwen in boeren en het vertrouwen in onderzoek in beleid. Zij jagen de angstcultuur aan.”
Hanekamp vreest dat het voorzorgsbeginsel een hele zware rol gaat spelen in de toekomst, wanneer rechters de huidige koers blijven varen. Hopelijk zien rechters in dat zij hier een grote verantwoordelijkheid hebben.
Gewasbeschermingsmiddelen en voorzorgmagie in de rechtszaal
Jaap Hanekamp schrijft een tweeluik over het voorzorgsbeginsel. In het eerste deel ligt de focus op gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik (misbruik) van het voorzorgsbeginsel. Dit deel is hieronder te downloaden. In het tweede deel zal het voorzorgsbeginsel in het stikstofvraagstuk aan de orde komen.
NRC dichtte een landbouwjournalist van Agrifacts een rol toe in de bedreiging van de onderzoeker van de Vlinderstichting. De krant liet deze week weten over te gaan tot rectificatie. De Vlinderstichting haalde het rapport over pesticiden in N2000-gebieden offline, nadat de onderzoeker een doodsbedreiging in de bus had gekregen. NRC publiceerde een artikel en een hoofdredactioneel commentaar, waarin een verband werd gesuggereerd tussen de bedreiging en kritiek van Agrifacts.
NRC publiceerde op 12 augustus een artikel over de bedreiging van de onderzoeker van de Vlinderstichting. In dat artikel wordt een landbouwjournalist van Agrifacts opgevoerd als ‘boeman’. Volgens NRC had het rapport de aandacht getrokken van Agrifacts, deze had kritiek op het rapport, waarna het nog diezelfde dag van de website van de Vlinderstichting verdwijnt. Omdat de auteur een handgeschreven dreigbrief in zijn brievenbus vond. Adjunct hoofdredacteur Lucas Brouwers deed daar enige dagen later nog een schep bovenop, door te schrijven dat een agrarische lobbygroep het rapport in het vizier had. En na bedreigingen aan het thuisadres van de onderzoeker ging het rapport offline.
De redactie van Agrifacts wees NRC op haar journalistieke plicht om de feiten te checken. En niet zoals hier, een verhaal te construeren om Agrifacts verdacht te maken. De Ombudsman van NRC bestudeerde het dispuut en oordeelde dat NRC in de fout is gegaan. De Vlinderstichting had het rapport al offline gehaald voordat Agrifacts er kritisch over publiceerde. “In de NRC-publicatie van 12 augustus kon de suggestie worden gelezen dat de doodsbedreiging zou volgen op de kritische publicatie van Agrifacts. Er werd echter gedreigd vóórdat Agrifacts publiceerde”, aldus de NRC-Ombudsman. Dit zal worden gerectificeerd. “Dan de wekelijkse brief van de hoofdredactie. Ook daarvan vind ik dat de formulering ongelukkig en onjuist was. Hier werd ook ten onrechte de suggestie gewekt dat de doodsbedreigingen iets te maken hadden met de Agrifacts-publicatie, mede door het gebruik van de woorden ‘in het vizier’.” Ook dit zal worden rechtgezet.
Eindelijk geeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier toe dat haar laboratorium waarschijnlijk de grote dinoterb-vondsten in voorgaande jaren heeft veroorzaakt. Er werden in de afgelopen jaren steeds hogere concentraties van dit verboden pesticide aangetroffen in de Noordhollandse wateren. Staf constateert al langer dat het laboratorium de meest aannemelijke oorzaak is van de vondsten. En geen illegaal gebruik, zoals sommige milieuorganisaties menen. Het waterschap deed het nodige om het laboratorium buiten de verdenking te houden.
De vreemde patronen in de dinoterb-vondsten in 2020 – 2023 wezen in de richting van het eigen laboratorium: als de stof werd gevonden, dan geregeld op meer plekken tegelijk rond dezelfde dag. En dan dook de stof weer hier op, dan weer daar, en in steeds hogere concentraties. Een dergelijk patroon wijst in de richting van het laboratorium. Staf schreef hierover in april 2024 al een artikel (Bewijzen voor laboratoriumfouten stapelen zich op). Bij een woo-verzoek kwamen documenten uit de lade van het waterschap, die ook in de richting wezen van fouten in het eigen laboratorium. (HHNK-ambtenaren vermoeden fouten in eigen huis bij vondsten dinoterb). Echter, het waterschap wilde hier niet aan. Lang werd getracht het eigen laboratorium buiten de verdenking te houden. Er werd op vragen over mogelijke laboratoriumfouten ontkennend geantwoord. Vervolgens verstrekte het waterschap een opdracht aan instituut Deltares, om de mogelijke bron van de dinoterb op te sporen. Ook Staf werd door Deltares uitgenodigd om deel te nemen aan dit onderzoek. Staf heeft hiervoor vriendelijk bedankt, toen bleek dat het laboratorium geen deel uitmaakte van het onderzoek. Overal mocht naar de herkomst van de dinoterb worden gezocht, behalve in het eigen lab.
Staf bleef vragen stellen
De uitkomsten van het bronnenonderzoek werden groot in de media gebracht door het waterschap. Er was geen bron gevonden. Daarmee leek de kous af. De Staf-redactie bleef echter vragen stellen over het laboratorium als mogelijke oorzaak. Buiten het zicht van de media bleek er toch te worden gekeken naar de invloed van het laboratorium, wat uiteindelijk bevestigd werd door het waterschap. Aangezien dit onderzoek wel erg lang duurde, heeft Staf wederom een woo-verzoek gedaan om de voortgang van dit onderzoek te vernemen. Daaruit bleek dat Deltares al begin dit jaar de opdrachtgever (het waterschap en haar laboratorium) had bijgepraat over de bevindingen.
Piekwaarden in het lab
Deltares heeft Waterproef een aantal reeksen monsters laten onderzoeken. Daaruit bleek dat er bij 7 tot 10 procent van de monsters piekwaarden aan dinoterb werden gemeten, die er in werkelijk niet inzaten. Dit percentage komt overeen met de gevonden piekwaarden in de afgelopen jaren. Deltares heeft de precieze oorzaak van de piekwaarden niet kunnen achterhalen, maar ziet wel een verband met de gebruikte materialen. Het laboratorium veroorzaakt dus piekwaarden in de dinoterbmetingen.
Het is niet meer mogelijk om de piek-monsters uit de afgelopen jaren te herbemonsteren. Deze zijn niet bewaard. “Aan de hand van de uitgevoerde literatuurstudie en de resultaten van de verschillende experimenten kan niet uitgesloten worden dat de verhoogde gerapporteerde dinoterb concentraties komen door contaminatie, of vals positieve metingen”, concludeert Deltares.
Staf constateert dat er naast dinoterb, meer ongeloofwaardige waarden zijn gemeten, specifiek in het Zwanenwater (Waterlaboratorium rommelt met metingen). Deze waarden zijn te vinden in de waterrapportages voor de Europese Commissie. Hoogheemraad Jos Beemsterboer laat weten dat die waarden allemaal gecorrigeerd gaan worden.
Volgens columnist Jean-Pierre Geelen heeft de ‘agri-maffia’ – verwijzend naar Agrifacts – een grote rol in de bedreiging van wetenschappers. Zijn opinie ‘Gifspuit‘ staat in de Volkskrant van 16 augustus 2025. Enkele dagen ervoor linkte NRC de bedreiging van een vlinderonderzoeker aan Agrifacts. De redactie van Agrifacts spreekt Geelen aan op zijn uitspraken.
Geelen schuift Agrifacts nogal wat in de schoenen: “Afgelopen mei riep de KNAW de politiek op tot betere bescherming van wetenschappers, die steeds vaker te maken krijgen met bedreigingen, vooral op sociale media. Minstens 59 wetenschappers of stafleden van universiteiten moesten de afgelopen paar jaar beveiligd worden. Wat de temperatuur deed stijgen, is bekend. Iedereen die je spreekt in de wereld van wetenschappers en natuurbeschermers wijst dezelfde richting op. De ‘agri-maffia’, is een van de termen. Er wordt gewezen naar de stichting Agrifacts, een ‘onderzoeksplatform’ dat tot doel lijkt te hebben twijfel te zaaien over onwelgevallige wetenschappelijke bevindingen. Zo lag ook het rapport van de Vlinderstichting al snel onder vuur van deze ’twijfelbrigade’, tevens ‘hofleverancier van de BBB’ (aldus NRC).”
KNAW weet van niks
Agrifacts heeft volgens Geelen een flinke rol in de bedreiging van wetenschappers. Geelen: “Iedereen die je spreekt in de wereld van wetenschappers wijst dezelfde richting op. […] Er wordt gewezen naar de stichting Agrifacts.” De Agrifacts-redactie schrijft weliswaar geregeld pittige artikelen, maar wil niet dat die leiden tot bedreiging van wetenschappers. De redactie neemt daarom contact op met de KNAW voor de details. De KNAW laat desgevraagd weten ook gelezen te hebben dat Agrifacts een rol zou hebben in de bedreigingen, maar wordt niet genoemd in het onderzoek naar bedreigingen. Jean-Pierre Geelen, vanwaar dan toch deze beschuldiging aan het adres van Agrifacts? Volgens Geelen is het logisch dat de KNAW bevestigt dat Agrifacts geen betrokkenheid heeft bij de bedreigingen. “Maar dat schreef ik ook niet”.
‘Je moet het anders lezen’
Volgens Geelen moet zijn opinie anders worden gelezen, en wel zo: “Agrifacts draagt wellicht bij aan het ontstaan van een klimaat waarin anderen zich vrijer voelen zich te misdragen.” Maar geldt zoiets niet in het algemeen, en dus ook voor de gifspuit-opinie van Geelen zelf? In ieder geval klinkt de uitleg een stuk milder dan wat hij opschreef in de Volkskrant over “agri-maffia” en “alle wetenschappers wijzen naar Agrifacts”.
NRC construeert eigen waarheid
Volkskrant loopt in hetzelfde straatje als NRC, die enkele dagen ervoor Agrifacts opvoerde als relevante partij bij de bedreiging van de vlinderonderzoeker. Volgens NRC trok het rapport van de Vlinderstichting de aandacht van Agrifacts waarna het dezelfde dag nog verdwijnt van de website van de Vlinderstichting. NRC construeerde een eigen tijdlijn om zo Agrifacts verdacht te maken bij haar lezers. In werkelijkheid was het andersom: de Vlinderstichting had het rapport van de website gehaald en later die dag publiceerde de Agrifacts-journalist toch nog een artikel over het rapport.
Als NRC wordt aangesproken op de niet kloppende tijdlijn, claimt de adjunct-hoofdredacteur het gelijk aan zijn zijde te hebben. Agrifacts wijst hem op zijn journalistieke verantwoordelijkheid: feiten check je, die claim je niet. NRC is verzocht alsnog de feiten te checken en op grond daarvan een rectificatie te plaatsen.
Volgens Lucas Brouwers, adjunct-hoofdredacteur van NRC, is landbouwjournalist Geesje Rotgers verantwoordelijk voor de bedreiging van de onderzoeker van de Vlinderstichting. Dat schrijft hij in zijn hoofdredactionele commentaar van 17 augustus: “Gelukkig zijn wetenschappers vrij om te onderzoeken wat ze willen en hun conclusies te delen. Toch? Nou nee: deze week werd bekend dat de Vlinderstichting een rapport over pesticiden offline heeft gehaald. Een agrarische lobbygroep had het rapport in het vizier. En na bedreigingen aan het thuisadres van een onderzoeker haalde de Vlinderstichting het rapport offline.” In de krant wordt gewezen naar Agrifacts en Rotgers.
Rotgers stelde een kritische vraag aan de Vlinderstichting, over een aantal wel erg hoge meetwaarden, en zette hierover een artikel online. Volgens de NRC-adjunct hoofdredacteur is dat ontoelaatbaar. NRC dikt de beschuldiging aan het adres van Rotgers aan door haar te duiden als een groep boze agrariërs die het gemunt had op de Vlinderstichting. Verder schroomt Brouwers niet om de feiten te verdraaien. NRC kreeg pas lucht van de bedreiging op 12 augustus, terwijl die een week eerder al plaatsvond. Niet na de publicatie van Rotgers zoals Brouwers meent, maar daarvoor al. “Meneer Brouwers, u construeert uw eigen verhaal, gebaseerd op verdacht maken en beeldvorming, maar bezijden de feiten. Een dergelijke opstelling is de journalistiek onwaardig”, schrijft Rotgers aan Brouwers.
Om in de woorden van Brouwers te blijven: Gelukkig zijn landbouwjournalisten vrij om de vragen te stellen die zij willen en hun conclusies te delen. Toch? Nou nee: dan word je door NRC verantwoordelijk gemaakt voor een strafbaar feit waar je part noch deel aan hebt.
(Afbeelding: Shutterstock, bewerkt)
Brief aan Lucas Brouwers, adjunct hoofdredacteur NRC
Hieronder de brief die Rotgers stuurde naar Lucas Brouwers, adjunct-hoofdredacteur van NRC. Inmiddels heeft de krant geantwoord met een standaardbericht: “We sturen uw reactie door naar de opinie-redactie. Als u na vijf werkdagen niets heeft vernomen, dan is van plaatsing afgezien.”
Beste Lucas Brouwers,
Ik meld mij maar even bij u. Ik ben Agrifacts, door u geduid als agrarische lobbygroep die het rapport van de Vlinderstichting in het vizier had en door u verantwoordelijk wordt gesteld voor de bedreiging van de onderzoeker aan zijn huisadres. Het is me nogal wat. Nu de feiten, meneer Brouwers. Die agrarische lobbygroep, dat ben ik (slechts één persoon). Ik ben landbouwjournalist en zit al 25 jaar in het vak, bepaal 100% zelf wat ik uitzoek en schrijf, heb geen ‘baas’ en laat me zeker niet betalen om iets wel of niet te schrijven. Net als de collega’s van mijn redactie, alle journalist of wetenschapper. O ja, we zijn gespecialiseerd in data-analyse, een expertise die weinig aanwezig is in de journalistiek. En onze analyses zijn transparant en kunt u opvragen om na te (laten) rekenen, zoals het goede onderzoeksjournalistiek betaamt.
Welnu meneer Brouwers, wat heeft deze ene landbouwjournalist dan precies gedaan? Deze heeft een kritische vraag gesteld aan de Vlinderstichting, over de wel erg hoge meetwaarden in haar rapport. Deze landbouwjournalist kan (en wil) de meetwaarden in het rapport wél duiden, in tegenstelling tot u en uw collega-journalisten. Een deel van de meetwaarden die gevonden is door de Vlinderstichting, is onrealistische hoog. Wanneer die zouden kloppen, zou dat betekenen dat een boer met de veldspuit in de natuur aan het werk is geweest. Ja een boer, want de gevonden middelen mogen alleen door boeren worden toegepast. Aangezien dit onaannemelijk is, lijkt het meer een vergissing in de dataverwerking (bijvoorbeeld verwisseling van milligrammen met microgrammen). En precies die vraag heb ik gesteld aan de Vlinderstichting. Als landbouwjournalist is het mijn plicht om de meetwaarden te duiden – ze worden immers toegeschreven aan de landbouw – en opvallende waarden te checken. Heeft niets met lobby of wat ook te maken.
Nog even de tijdlijn: de onderzoeker liet me op 7 augustus (ja, toen al) weten dat hij bedreigd is en daarom mijn vraag voorlopig niet te zullen beantwoorden. Die bedreiging vond dus plaats voordat ik publiceerde over de wel erg hoge waarden. Ik heb de onderzoeker sterkte gewenst want een bedreiging is afschuwelijk.
NRC krijgt heel veel later lucht van de bedreiging en komt pas op 12 augustus met een groot artikel. Daarin past NRC gemakshalve de tijdlijn van de gebeurtenissen aan, om te kunnen suggereren dat er een grote agrarische lobbygroep achter de bedreiging zit: “Stichting Agrifacts, een club die, gefinancierd door grote landbouwbedrijven, lobby voert tegen […].” Hoe verzint NRC het toch! De feiten samengevat: één landbouwjournalist…. één kritische vraag…. een bedreiging die ervoor al plaatsvond…. en een NRC die dagenlang lag te slapen…
Meneer Brouwers, u construeert uw eigen verhaal, gebaseerd op verdachtmakingen en beeldvorming, maar bezijden de feiten. Terwijl u geen idee heeft van de data die de Vlinderstichting naar buiten bracht en daarin kennelijk ook niet geïnteresseerd bent. Een dergelijke opstelling is de journalistiek onwaardig.
Ik wil u vragen deze brief als ingezonden stuk te plaatsen in uw krant.
De Vlinderstichting bracht op maandag 4 augustus 2025 de eerste resultaten naar buiten van een studie naar pesticiden in Natura 2000 gebieden. De onderzoeker deed die ochtend bij Omroep Flevoland verslag van de pesticiden die waren aangetroffen in de Oostvaardersplassen. Dat legde de eerste misser bloot: natuurgebied Oostvaardersplassen ontbrak in het onderzoeksrapport.
Het rapport ‘Pesticiden in Natura2000 gebieden’ was overduidelijk haastwerk. Het bleef niet bij het vergeten van de Oostvaardersplassen alleen, er waren meer slordigheden. De Vlinderstichting wees journalisten ook expliciet op de Veluwe. In het middelpunt van de Veluwe waren maar liefst 13 verschillende middelen gevonden in de vegetatie. Pesticiden op planten kunnen schadelijk zijn voor vlinders. Het was misser twee. De middelen waren niet gevonden in de vegetatie, maar in de bodem.
Afbeelding. De Vlinderstichting communiceerde dat op de Veluwe nogal wat pesticiden waren aangetroffen in de vegetatie.
De Vlinderstichting besloot zaken aan te passen zonder er ruchtbaarheid aan te geven. Geruisloos werd het rapport op de website vervangen. Waar wetenschappelijk onderzoek melding maakt van doorgevoerde correcties in inmiddels gepubliceerde rapporten, gebeurde dat hier niet.
Erg hoge meetwaarden
De volgende die aanklopte met vragen over het rapport was de Agrifacts-redactie. De metingen van de Vlinderstichting weken op enkele punten nogal af van soortgelijke studies. Het viel op dat er hoofdzakelijk middelen waren gevonden die gebruikt worden in de land- en tuinbouw. Terwijl in andere onderzoeken ook stoffen met pesticidewerking worden gevonden uit bijvoorbeeld industrie en verbrandingsprocessen. Deze waren volgens de Vlinderstichting niet aangetroffen. Maar bovenal vielen de hoge concentraties pesticide op, die in sommige gebieden waren aangetroffen. Deze lagen vele malen hoger dan in soortgelijke studies in de afgelopen jaren. Waren hier milligrammen verward met microgrammen? Op de laatste vraag kwam geen antwoord.
De Vlinderstichting zou er verstandig aan doen het onderzoeksrapport offline te halen om het nog eens goed na te lopen op fouten. Ook al omdat in de gecorrigeerde versie fouten waren blijven staan.
Rapport niet meer online
Bovenstaande speelde zich af ruim voor de bedreiging van de onderzoeker. Dat de onderzoeker is bedreigd, zoals vorige week door de Staf-redactie werd toegevoegd aan het artikel en deze week breed in de pers te lezen is, is absoluut ontoelaatbaar. Echter, geen vragen meer beantwoorden over een rapport dat breed naar buiten is gecommuniceerd, het rapport niet meer terug online gaan plaatsen (citaat Vlinderstichting in media), oftewel de kwestie in de doofpot stoppen, is dat ook.
De Staf-redactie beschikt over zowel de aanvankelijke als de bijgestelde versie van het onderzoeksrapport van de Vlinderstichting.
De hoeveelheid pesticide die de Vlinderstichting in Natura 2000-gebieden heeft aangetroffen[1], is indrukwekkend. Het is veel meer dan gemeten wordt in reguliere landbouwbodems. Actiegroep Meten=Weten verrichte enkele jaren geleden metingen in landbouwbodems en vond in de meest ‘vervuilde’ bodem een gehalte van 1,4 mg/kg droge stof aan pesticide. De Vlinderstichting heeft onlangs veel hogere gehalten gemeten, in natuurgebieden nog wel. Tot wel 11,5 mg/kg in Mantingerzand (Dr).
Niet alleen in bodemmonsters treft de Vlinderstichting veel meer pesticide aan, ook in vegetatiemonsters is dat het geval. Meten=Weten neemt al langer monsters van de vegetatie in natuurgebieden. In 2019 en 2020 werd natuur in Drenthe, Groningen en Gelderland bemonsterd. Daarin werd gemiddeld 0,09 mg/kg droge stof aan pesticide gevonden. In Brabantse eikenbladeren (2024) werd iets meer aangetroffen, rond de 0,1 – tot 0,2 mg/kg met een enorme uitschieter van 1,6 mg/kg. Het gaat om geringe hoeveelheden.
Ook de Vlinderstichting spreekt over lage hoeveelheden. Maar presenteert ondertussen wel schrikbarend hoge gehalten aan pesticiden in natuurgebieden. In De Wieden (Ov) werd maar liefst 8,6 mg gevonden in een kilo verse struik. In de Loonse & Drunense Duinen (NBr) was het nog wat meer: 9,9 mg/kg en Borkeld, een klein natuurgebied in Overijssel op de Sallandse Heuvelrug, spant de kroon. Daar is de onwaarschijnlijk grote hoeveelheid van 67,6 mg/kg aan pesticide gevonden.
De hoge gehalten pesticide roepen vragen op over de werkwijze van de Vlinderstichting. De Vlinderstichting heeft nog niet gereageerd op de vraag of de gerapporteerde erg hoge concentraties kloppen.
Toevoeging 7 augustus: Vlinderstichting laat in een reactie alsnog weten voorlopig niet te zullen reageren. Het onderzoeksrapport is tijdelijk offline gehaald vanwege een ernstige bedreiging, aldus de stichting.
(Foto: Shutterstock / W. Verhagen)
[1] Pesticiden in Natura2000 gebieden; augustus 2025
Heide en bos op zandgronden kampen met te weinig zuur en in hogere mate organische stof. Dat blijkt uit bodemmonsters die in de winter van ’24/’25 zijn genomen in natuurgebieden. De bodemuitslagen zijn vergeleken met de referenties voor een goede kwaliteit heide- en bosbodems op zandgronden, opgesteld door onderzoekers van RIVM, WUR en Louis Bolk Instituut in 2008.[1]
Afgelopen winter nam de redactie van Staf bodemmonsters in natuurgebieden. In dit artikel kijken we naar de monsters die zijn genomen in heide- en bosgebieden op zandgronden in Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Noord-Brabant. Het gaat hier om 49 bemonsterde locaties. We kijken specifiek naar de zuurgraad (pH) en het organische stofgehalte. Organische stof is cruciaal voor de flora en fauna, en het bodemleven. Het zorgt voor voedingsstoffen en houdt vocht vast. In figuur 1 zijn de zuurgraad en het organische stofgehalte van de bemonsterde heide- en bosbodems weergegeven. Uit de metingen blijkt een correlatie tussen zuurgraad en organische stofgehalte. Hoe zuurder de bodem, hoe meer organische stof.
Figuur 1: Zuurgraad (pH) en organische stof percentage in 49 heide- en bosbodems op zandgronden.
Bodems minder zuur
Het RIVM stelde in 2008 samen met diverse kennisinstituten referenties op voor een goede biologische bodemkwaliteit, zowel voor landbouw- als natuurgronden. Er werden onder meer referenties opgesteld voor heide en bos op zandgronden. Dit gebeurde op basis van 30 bodemmonster in natuur met een goede bodemkwaliteit. Er werd destijds gekeken naar het bodemleven (zoals bacteriën, schimmels, wormen) en naar bodemeigenschappen als zuurgraad en organische stof. De onderzoekers stelden op basis van deze meetgegevens streefwaarden op.
Bij zowel heide als bos op zandgronden werd in 2008 een gemiddelde pH gemeten van respectievelijk 3.1 en 3.2 (pH-KCl). Dit komt overeen met een pH-CaCl2 van ongeveer 3.4 en 3.5. Deze zuurgraad is door de onderzoekers als referentiewaarde vastgesteld. In de bodemmonsters die afgelopen winter zijn genomen in heide en bos op zandgronden, werd een gemiddelde pH-CaCl2 gemeten van 3.8. Veel bodems zijn tegenwoordig beduidend minder zuur dan de kwaliteitsbodems in 2008. Dat bodems van bossen op zandgronden significant minder zuur zijn geworden, signaleerde het RIVM al in 2012 [2]. Heidebodems zijn niet meegenomen in dat onderzoek. Het RIVM vermoedde destijds dat de dalende depositie van verzurende stoffen mogelijk de reden was van het oplopen van de pH.
Bodems verliezen organische stof
Ernstiger is het gesteld met het organische stofgehalte. In 2008 werd nog een gemiddelde organische stofgehalte gevonden van 7.3% (heide) en 5.7% (bos), waarna de referentie door het RIVM werd vastgesteld op 6.8% voor heide en 4.5% voor bos. Het gemiddelde percentage in de bodemmonsters van afgelopen winter ligt bij heide op 3.0%. Bos zit op gemiddeld 4.5%. Met name in heidebodems ligt het organische stofgehalte fors lager dan in de kwaliteitsbodems van 2008. Volgens het RIVM wordt de zandgrond onder droge heide gekenmerkt door onvruchtbaarheid en een hoge zuurgraad (lage pH). De hoge zuurgraad bepaalt deels het hoge organische stofgehalte. In zure bodems breekt de organische stof trager af.
De significante afname van organische stof in bosbodems op zandgronden werd ook al in 2012 gesignaleerd, zo blijkt uit het RIVM-rapport van 2012 (heide is toen niet meegenomen). Helaas vermeldt het rapport geen oorzaak van het verlies van organische stof.
Minder zuur, minder organische stof
Bij het verzamelen van de monsters afgelopen winter, zijn waar mogelijk meer monsters genomen in één gebied: in de heide, het naastgelegen bos, in (ver)natte en droge percelen, alsmede in voormalige landbouwgrond. In figuur 2 zijn de bemonsterde bodems uitgesplitst naar vegetatietype en historie. De bosbodems blijken gemiddeld zuurder en bevatten meer organische stof dan de heidebodems. Onder de bodems met relatief minder organische stof en een hogere pH bevinden zich de voormalige landbouwgronden. Deze zijn in alle gevallen verschraald door de toplaag te verwijderen. Ook vernatte heide- en bosbodems zitten gemiddeld lager in organische stof en hoger in pH. Tot slot vinden we ook de jonge heide- en bosontwikkeling op zandverstuivingen in deze categorie. Ook hier minder organische stof en een hogere pH.
Vraag is of de organische stofafbraak het gevolg is van de oplopende pH, of dat de oplopende pH het gevolg is van organische stofafbraak. Dit moet nader worden uitgezocht.
Figuur 2: Bemonsterde bodems, uitgesplitst naar voormalige landbouwgrond, bos en heide. De referentiewaarden van 2008 voor pH en organische stof zijn in de grafiek gezet.
De beste natuurbodems
Een aantal heide- en bosbodems scoort goed, wanneer we uitgaan van de referentiewaarden van het RIVM-onderzoek in 2008. Deze bodems combineren een hoge zuurgraad met veel organische stof. Het gaat om:
Wierdense veld (Overijssel)
Laude (Groningen)
Korenburgerveen (Gelderland)
Utrechtse Heuvelrug
Besseldersbos (Gelderland)
Veluwe (diverse locaties)
Natuurbodem veel te zuur? Nee, vaak is het de meetmethode!
“De bodem is zo zuur als azijn”, hoor je nogal eens in de natuurwereld. Zonder dat erbij wordt vermeld met welke meetmethode de zuurgraad is vastgesteld. Sterker nog, men weet niet dat verschillende meetmethoden, verschillende uitkomsten geven. Bij het bepalen van de zuurgraad doet de meetmethode ertoe! In (matig) zure bodems ligt de pH-KCl al gauw een punt lager dan de pH-H2O. Een pH-KCL van 3.5 komt overeen met een pH-H2O van 4.5.
Veel maatlatten voor natuurtypen werken met een pH-H2O. Er staat bijvoorbeeld in dat de ideale pH-waarde voor een natuurtype tussen de 4.0 en 5.0 ligt. Als in de praktijk lagere waarden worden gemeten (bijvoorbeeld 3.0 en 3.5) dan is vaak de pH-KCL bepaald. De bodem is dan niet “veel te zuur”, maar prima in orde.
Meer artikelen in de pijplijn
Afgelopen winter werden 93 natuurbodems (bos, heide, schraal gras) bemonsterd. De resultaten laten zien dat natuurbodems zeer divers zijn. Momenteel wordt bodemverzuring door stikstof uitvergroot. De bodem zou tegenwoordig “zo zuur zijn als azijn” (pH rond 2.5). Geen enkel monster dat we namen, had deze lage pH. Het organische stofgehalte van natuurbodems wordt daarentegen onderbelicht, evenals een aantal andere aspecten, zoals de rol van (de depositie van) zware metalen en tekorten aan essentiële nutriënten.
Dit is het 1e artikel over bodemmonsters in natuurgebieden. In de komende maanden verschijnen meer artikelen, over andere aspecten van natuurbodems.
[1] Soil ecosystem profiling in the Netherlands with ten references for biological soil quality; RIVM Report 607604009/2008.
[2] De bodemkwaliteit in Nederland in 2006 – 2010 en de verandering ten opzichte van 1993-1997; RIVM-rapport 680718003/2012.
Deel via:
Beheer cookie toestemming
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.