De Nederlandse natuur is in de afgelopen zes jaar fors verslechterd. Dat blijkt uit natuurgegevens die Nederland onlangs naar Brussel heeft gestuurd. De gegevens zouden de feitelijke staat van de natuur laten zien, deze zijn dus niet gebaseerd op rekenmodellen. Hoe komt Nederland tot deze dramatische rapportage? De feiten checken blijkt (nog) niet mogelijk: zowel de gehanteerde meetlat als de onderliggende data zijn niet beschikbaar.

Iedere zes jaar moeten lidstaten aan Europa melden hoe het ervoor staat met de natuur; de werkelijke staat van de natuur. Eind vorig jaar stuurde Nederland de verplichte databestanden voor de Habitat- en Vogelrichtlijnrapportage naar Brussel. Deze laten de ontwikkelingen in de natuur zien over de periode 2019-2024. Uit de gegevens blijkt dat 28 van de 52 habitattypen in Nederland verslechteren. En juist die verslechtering is uit den boze volgens de Europese wetgeving. Tot 2019 stond de Nederlandse natuur er een stuk beter voor. Toen was van verslechtering in mindere mate sprake.

Uit de databestanden blijkt ook dat ons land veranderingen heeft doorgevoerd in de wijze waarop de staat van de natuur wordt beoordeeld. Wordt er strenger gemeten, waardoor de uitkomsten slechter uitpakken? Volgens het ministerie van LVVN is er daadwerkelijk achteruitgang opgetreden. Provincies waren verantwoordelijk voor het aanleveren van de gegevens.  

Beoordelingsmeetlat (nog) niet beschikbaar

Staf wil controleren hoe de forse natuurverslechtering in de afgelopen zes jaar tot stand is gekomen. Dat blijkt niet mogelijk. Het ministerie van LVVN geeft aan dat de beoordelingsmeetlat nog niet beschikbaar is. Die komt in de loop van 2026 online. “De rapporten zijn uitgebreider dan bij vorige rapportages, omdat nu per soort en habitattype wordt toegelicht hoe tot de beoordeling is gekomen. Daardoor duurt het wat langer voor ze gereed zijn.”

In de databestanden die Nederland aanleverde bij Brussel, is wel te zien welke natuurgegevens zijn gebruikt. De trend is bepaald vanuit het Landelijk Meetnet Flora (LMF). Als Staf deze gegevens wil inzien, blijkt dat niet mogelijk. “De LMF-gegevens zijn niet rechtstreeks publiek beschikbaar”, stelt het ministerie van LVVN. Er worden alternatieven aangedragen. “Alle verzamelde gegevens over soorten worden jaarlijks geüpload in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De uitkomsten van trendberekeningen zijn beschikbaar via het Compendium voor de Leefomgeving.” Met deze twee alternatieve bronnen blijkt het echter niet mogelijk om de natuurrapportage aan Brussel te controleren. Nederland baseert haar bevindingen voor een belangrijk deel op zeldzame soorten planten, mossen en paddenstoelen. Juist de informatie over zeldzame soorten wordt (deels) afgeschermd in de NDFF. Dit gebeurt om die soorten extra te beschermen. Ook het Compendium voor de Leefomgeving biedt geen uitkomst. Deze rapporteert niet over soorten, maar over soortenrijkdom.

Enorme uitbreiding vereiste soorten

Tot voor kort baseerde Nederland de natuurkwaliteit voor een belangrijk deel op typische soorten. Landelijk ging het om een kleine 400 stuks, voornamelijk planten, mossen en vlinders. Kwam er ergens een van deze soorten bij, dan was er sprake van verbetering. Viel er een weg, waarvoor niks terug kwam, dan werd dat gerapporteerd als verslechtering. Rond 2020 kozen Provincies ervoor om alle soorten die op papier passend kunnen zijn, ook te eisen in hun individuele N2000-gebieden. Dit betekende dat aan N2000-gebieden soortenlijsten werden gehangen van gemiddeld 100 tot 200 typische soorten. Wanneer minimaal 60% van deze soorten aanwezig is, is de natuurkwaliteit goed. Deze verzwaring is geen eis van Europa, maar van de provincies.

Onlangs gingen de provincies nog een flinke stap verder. De landelijke soortenlijst werd flink uitgebreid. Die lijst telt nu bijna 1.000 soorten. Per natuurgebied staan er thans 250 – 500 soorten op de lijst. Wat nog meer opvalt, is dat het in hoge mate gaat om (zeer) zeldzame soorten. Ook staan er soorten op de lijst die (nog) niet in Nederland voorkomen. Houden provincies vast aan hun eis dat minimaal 60% van die soorten moeten voorkomen voor een goede natuurkwaliteit? BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de provincies, laat weten vragen hierover niet op korte termijn te kunnen beantwoorden.

Nederland oordeelt strenger dan Duitsland

De kwaliteit van een habitattype wordt afgemeten aan de soorten die er voorkomen. Per habitattype is er een lijst met soorten samengesteld. Hoe meer van deze soorten aanwezig zijn, hoe beter de natuurkwaliteit. Nederland legt met de soortenkeuze de lat flink hoger dan Duitsland. Waar Nederland kiest voor meer en zeldzamere soorten, kiest Duitsland voor minder en algemenere soorten.

Voor habitattype droge heide staan er 26 soorten op de Nederlandse lijst: 17 zeldzame en 8 algemene. Hiervan moet 60% aanwezig zijn voor een goede kwaliteitsscore. Voor heidevelden in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen (grenst aan Nederland) staan er 25 soorten op de lijst: 9 zeldzame en 15 algemene. Wanneer 6 of meer van deze soorten aanwezig zijn, is er sprake van een goede kwaliteit.

Wanneer in Nederland de Duitse soortenlijst zou worden toegepast, wordt naar alle waarschijnlijkheid ruim aan de kwaliteitseis voor heide voldaan.

Lees ook:

Aanstaand Natuurplan: veel meer grond nodig voor huisvesten soorten.

Deel via: